Essay Hoop in tijden van crisis

Een nieuwe Verlichting

Ook al denken we van niet, we geloven nog steeds. Onze religie heet nu: de markt. Pleidooi voor een herbezinning. En voor het vertellen van verhalen.

Medium essay 2 verlichting 2

IN TIJDEN van crisis vertrouwden de oude Grieken op hun orakels om inzicht te krijgen in de wil van de goden, ook al gaven de orakels zulke cryptische adviezen dat ze vrijwel niet te ontcijferen waren. Als in onze tijd dingen verkeerd lopen hebben filosofen en schrijvers het twijfelachtige voorrecht de plaats van de orakels in te nemen. Als een oude, ietwat beschamende relatie die alleen voor familiefeesten te voorschijn wordt gehaald, mag de filosofie af en toe een uitje maken.
Elke politieke overtuiging en elk politiek meningsverschil is in de kern een filosofische kwestie. Waarderingsmodellen worden bepaald door hoe we de relatie tussen het individu en de maatschappij zien, hun wederzijdse verantwoordelijkheden en rechten, of we de behoefte aan een sterke civil society aanvaarden, het belang van economische vrijheid en democratische noodzakelijkheden, van kansen en waardigheid.
Op filosofisch niveau keren die vragen terug als principes, als een fundamenteel onderzoek naar de menselijke natuur. Wie zijn wij, wie kunnen we worden, en wie zullen we altijd blijven? Wat zijn onze doelen in een samenleving, kansen voor individuen of veiligheid voor iedereen?
Op dit moment is het beeld dat we van onszelf hebben er een dat we in het Westen zouden omschrijven als ‘verlicht’ en liberaal, waarbij we goed luisteren naar de grote revolutie van de zeventiende en achttiende eeuw die de Verlichting was. Maar het is allemaal niet zo eenvoudig. Op vele manieren zijn onze verlichte maatschappijen nog steeds onderworpen aan atavistische, religieuze ideeën, culturele reflexen die zo diep in onze natuur geworteld zijn dat we ons er niet langer van bewust zijn. Volgens mij zijn we nog niet half zo verlicht als we zouden willen. Ik denk dat we een nieuwe Verlichting nodig hebben.
Maar we leven toch al in de meest verlichte aller samenlevingen? Misschien wel, vergeleken met Irak of andere theocratische regimes, maar we zijn nog niet half zo verlicht als we graag van onszelf denken. Dat we ons er niet van bewust zijn dat onze cultuur gevangen zit in structuren die we niet langer herkennen heeft veel te maken met de enorme vertrouwenscrisis die we op dit moment doormaken.

WAT WE ZIJN gaan beschouwen als de Verlichting is een cultus van de rede en de rationaliteit die zijn ontstaan dankt aan denkers als Descartes, Voltaire en Kant. Aan de ene kant is het een verwerping van bijgeloof en obscurantisme en een viering van de 'kalme zonneschijn van de geest’, zoals David Hume het zo mooi noemde. Ze heeft de Verklaring van de Universele Rechten van de Mens in 1948 mogelijk gemaakt, de codificatie van een van de grootste verworvenheden van de mensheid.
Maar de Verlichting zoals we die kennen heeft ook andere, meer duistere kanten. Zoals Adorno en Horkheimer hebben laten zien kan het omarmen van rationaliteit maar al te gemakkelijk worden getransformeerd tot een dictatuur van rationalisering die individuen onderwerpt aan het regime van efficiëntie en productiviteit waarin elke minuut wordt verantwoord, geen seconde, geen ademtocht wordt verspild zonder dat er winst uit voortvloeit. Modern Times van Charlie Chaplin en Metropolis van Fritz Lang verbeelden zo'n ontmenselijkte wereld waarin de rede niet langer een lichtende bondgenoot is tegen de duisternis van de ziel maar een despoot wordt die menselijke wezens verandert in radertjes in een reusachtige machine.
Dat overheersende kenmerk van de Verlichting werd blootgelegd door Michel Foucault, maar er zit nog een, ook verontrustend aspect aan de heerschappij van de geest zoals die wordt gepredikt door Kant & Co. De gematigde, deïstische Verlichting claimde de objectieve toepassing van de rede op de natuur te zijn, maar scheepte ons op met een erfenis die niet wordt erkend maar buitengewoon krachtig is. Alle belangrijke exponenten van de gematigde Verlichting waren op een of andere manier gelovig en ondanks de beroemde uitroep 'Ecrasez l'infâme’ had niemand de intentie de nuttige aspecten van de religie te ondermijnen, die werden geacht een onmisbaar werktuig te zijn om het uitschot eronder te houden.
Het wereldse cynisme van Voltaire is in zijn werk makkelijk te herkennen, maar het blijft aan de oppervlakte. Per slot van rekening was hij niet zozeer een filosoof als wel een intellectuele ondernemer, de Bernard-Henri Lévy van zijn tijd. Maar het principe blijft overeind voor de meeste van de vroeg moderne denkers die we beschouwen als voorgangers van de moderne filosofen, en voor hun wereldvisie. In metafysische en ethische zin deden ze niet veel meer dan het opknappen van een structuur die onveranderd bleef: een fundamenteel christelijk, theologisch begrip van de wereld en onze plaats daarin.
Volgens de cultus van de rede van de Verlichting is de geest het hoogste, meest waardevolle onderdeel van de menselijke natuur. Hierin is makkelijk het oude theologische argument te herkennen dat de geest een goddelijke vonk in ons fysieke bestaan is, die ons verheft boven een dierlijk bestaan en ons boven aan de schepping plaatst. Ons mooiste, beste kenmerk is, bij gebrek aan een beter woord, Pure Rede. Het grote Verlichtingsidee van vooruitgang lijkt ook opmerkelijk veel op de christelijke verlossingsgeschiedenis, de geleidelijke stijging van de levens van de vroege patriarchen tot Christus’ verlossing van de wereld door zijn kruisiging en opstanding en de uiteindelijke redding van de mensheid.
Het probleem met deze zalige aanschouwing is dat ze ten diepste in tegenspraak is met één belangrijk aspect van ons bestaan. Onze geweldige geesten zijn geketend aan entiteiten die hardnekkig weigeren om in het systeem te passen: onze lichamen verlangen en verouderen, worden ziek en zijn jammerlijk zwak, moreel én fysiek. Ze zijn een karikatuur van de Rede in al haar grootsheid. De enige schijnbare oplossing binnen hun paradigma is om ze te beheersen en beperken, te verbergen en disciplineren, ze wegrationaliseren. Die oplossing, die twee eeuwen lang het fundament was voor de opvoeding van kinderen, lijkt opnieuw opvallend veel op de christelijke haat jegens het lichaam, de overtuiging dat dit fysieke leven niets dan een prelude is op een spirituele eeuwigheid, het wantrouwen tegenover het instinct en de obsessieve haat jegens seksualiteit. We moeten leren onze verlangens te onderwerpen aan onze idealen, we moeten lijden om te slagen. Lijden is gezond, genot altijd verdacht.

Medium essay nieuwe verlichting

MAAR NIET ALLEEN de rationalisten van de achttiende eeuw hebben ons een giftige kelk als drinkbeker nagelaten en een flinterdunne hostie als brood. De Romantiek en vooral de geestelijk vader ervan Jean Jacques Rousseau creëerden een visie van de menselijke natuur die nog verontrustender is. Rousseau hoonde de rede omdat die verdorven en koud was en koos voor het sentiment, met het diepe gevoel, en dus de Natuur, die wel goed moet zijn omdat het Gods weerklank in de menselijke ziel is. Vanuit die premisse vloeide een wereldopvatting voort die even duidelijk christelijk van inspiratie als pathologisch is.
De invloed van Rousseau op onze cultuur, op bewegingen van milieubescherming tot totalitarisme, is moeilijk te overschatten en is nauw verbonden met zijn persoonlijkheid, zijn biografie. Zoals Nietzsche later zou zeggen: alle filosofie is de persoonlijke biecht van de auteur ervan en een soort onvrijwillige en onbewuste autobiografie. Rousseau zelf maakte die verbinding expliciet in zijn boeken. Hij stond uiterst ambivalent tegenover vrouwen (hij kon er alleen maar van genieten als hij door ze werd geslagen) en werd nog erger getroebleerd door zijn eigen seksualiteit en geloofde dat het kwaad in de wereld komt met de puberteit, wanneer jongens elkaar proberen af te troeven om indruk op meisjes te maken, en wanneer de sterkere en sluwere jongens degenen die zichzelf niet zo goed kunnen verdedigen gaan overheersen. Zelf voelde hij zich gevangen in zijn zinnelijke lichaam en verlangde naar verlossing. 'Ik heb te veel geleden in deze wereld om niet te geloven in een andere wereld’, schreef hij, 'ik voel het, ik wil het.’ De cultus van het gevoel en van onschuld, de haat jegens het lichaam, en sensualiteit, vrouwen, het verlangen naar een beter hiernamaals en de postulering ervan door een wilsdaad ('ik voel het, ik wil het’) - dat is allemaal diep religieus, christelijk.
Dat zijn de fundamenten waarop de intellectuele wereld van de moderniteit is gebouwd. Wij zijn allemaal de erfgenamen van dit denken, van Voltaire, Kant en Rousseau. Ze zijn enorm verschillend, maar ze hebben een overtuigde toewijding aan christelijke denkstructuren gemeen. En die hebben we nog steeds niet overwonnen, ook al denken we misschien van wel.

ONZE CULTUUR is nog steeds doordrenkt met christelijke, theologische manieren van denken die sinds de kindertijd zo diep in onze geest zijn vastgezet dat ze vaste denkpatronen zijn geworden, reflexen van de geest. Als we denken over de toekomst, zien we die instinctief in termen van paradijs en apocalyps. Na het heengaan van de grote ideologieën is die eerste uit de mode geraakt, maar we scheppen nog steeds genoegen in apocalyptische scenario’s terwijl we tegelijkertijd precies zo doorgaan als voorheen. Of het klimaatverandering is of Fukushima, de Iraanse bom of de economische crisis - we weten dat we ten onder gaan.
In Hollywood-films, de meest dominante vorm van verhalen vertellen in onze cultuur, wordt het obsceen gevonden om een naakt lichaam te zien, laat staan expliciete seks. Tegelijk is het blijkbaar minder afkeurenswaardig om tot in het ondraaglijkste detail te zien hoe een lichaam dood wordt gemarteld. Bestaat er een betere illustratie voor het overleven van een christelijke haat tegenover het zinnelijke lichaam? Lijden goed - genot slecht.
Theologisch denken doordrenkt onze debatten zonder dat we het in de gaten hebben. Stamcelonderzoek en klonen, genetische manipulatie en euthanasie - het idee dat 'we niet God moeten spelen’ wordt algemeen gebruikt, ook al is het soms impliciet.
Ook onze consumptiewereld is doordrongen van onze christelijke conditionering. Terwijl onze voorouders zichzelf op de knieën wierpen voor iconen en standbeelden van heiligen wier volmaaktheid onbereikbaar was en die hen ertoe inspireerden om te vasten, zichzelf te kastijden en zich bewust te worden van hun eigen onvolkomenheid, hebben wij religieuze iconen uit ons dagelijks leven verbannen. In elk geval lijken we dat te hebben gedaan, want de iconen van de reclame hebben vrijwel hetzelfde effect op ons. Ze maken dat we ons pijnlijk bewust zijn van onze tekortkomingen - we zijn nooit cool genoeg, jong genoeg, dun genoeg, rijk genoeg - en ze inspireren ons ertoe om af te slanken, te minderen, tevergeefs moeite te doen om een betere wereld te bereiken, de hemel van de reclame. George Clooney als Nespresso-engel is de perfecte icoon van stijlbewuste consumententranscendentie.
In onze schijnbaar geseculariseerde wereld hebben religieuze overtuigingen nog steeds voorrechten boven andere, alsof de overtuigingen van seculiere burgers minder onschendbaar zijn. Toen Benetton zijn meest recente op schandaal gerichte reclamecampagne lanceerde, ?Unhate’, waarin we op fotomontages politieke tegenstrevers op het wereldpodium zien die elkaar op de mond kussen, was de enige foto die werd teruggetrokken omdat hij beledigend was een beeld waarop paus Benedictus en de islamistische geestelijke Ahmed Mohamed el-Tayeb stonden. Logischerwijs hadden Mahmoud Abbas en zijn volgelingen minder recht om woedend te zijn over het beeld waarop hij smoest met Benjamin Netanyahu, of Barack Obama met Hugo Chávez.
We hebben de theologie niet achter ons gelaten, en we geloven nog steeds. De kerken zijn leeg, politieke partijen verkwijnen, ideologieën zijn verwelkt, maar onze religie is intact. Die heet nu: de markt.
De markt is een machtig ding. Ze heeft een eigen wil, en wij moeten gehoorzamen, de kleinste gril volgen. In elke nieuwsuitzending krijgen we beursupdates en elke kijker is vertrouwd met termen als FTSE en Dow Jones. In feite is die informatie dubbel overbodig. Voor investeerders is het te weinig, te laat, en te algemeen om nuttig te zijn. Voor de anderen is het irrelevant. Maar het creëert wel de illusie dat dit de objectieve realiteit is, dat dit onze levens bepaalt, onze wereld doet draaien, veel belangrijker en machtiger dan politiek, democratie. De markt is onze godheid geworden; onze media zijn haar evangelie, Wall Street is haar kathedraal. De metaforen zijn veranderd - onze religieuze instelling is springlevend. Dit is de eerste paradox van de rede en de hartstochten: onze verering van de rede lijkt te worden gedicteerd door een motivering die strikt irrationeel is - een hunkering naar geloof.

ALS ONZE Verlichting bij lange na niet zo verlicht is als we misschien denken, dan was dat exact de sleutel tot het succes ervan. Een cultuur die geïmpregneerd is met religieus denken hoefde niet te proberen ingrijpend te veranderen; ze moest vooral haar metaforen en taalgebruik aanpassen. Het is dan ook geen verrassing dat de Franse Revolutie al snel terugging naar een religie van de rede (ironisch genoeg was de profeet ervan Rousseau). Ook al waren ze aan de oppervlakte tegen het christendom, voorvechters van de Revolutie konden zich niet losmaken van de theologie.
Maar al voor de Revolutie probeerde een andere Verlichting de wereld opnieuw te denken op een veel fundamentelere manier. Rond de salon van Baron Paul Thiry d'Holbach in Parijs verzamelde zich een groep gelijkgestemde wetenschappers en filosofen die een alternatief formuleerden voor de verering van de rede, ook al zagen zij zelf de rede eveneens als cruciaal voor het menselijk streven.
Holbach en zijn vriend Diderot en anderen in hun kring gingen tegen de gematigde Verlichters in en verklaarden dat wij niet fundamenteel rationale wezens zijn wier verlossing daarin ligt dat we nog meer rationeel worden, maar dat we in de eerste plaats gepassioneerd zijn en dan pas rationeel, en dat ons verlangende lichaam niet iets is wat we moeten overwinnen, maar juist moeten cultiveren en opvoeden.
Die op het oog onbetekenende verandering in nadruk heeft enorme implicaties. De radicale Verlichters waren antichristelijk en atheïstisch en geloofden niet dat er een volgende wereld bestond, een andere, hogere realiteit. In een ontwikkeld, zinloos universum is geen plaats voor goddelijke creatie en interventie. Bovendien, wanneer we ervan uitgaan dat de hemel leeg is en de ruimte eindeloos, dan is ons gepassioneerde lichaam niet langer een belemmering voor een bestaan van de zuivere geest aangezien de passie zelf niet langer zondig is en onderdrukt moet worden.
Zodra we stevig op onze plaats zijn gezet tussen de dieren en zodra onze gepassioneerde natuur is erkend als niet een beletsel voor een bestaan van de geest maar als onze ware aard, dan verandert het hele beeld. Tegenover het idee van de gematigde Verlichting van de rede als het alfa en omega van het menselijke geluk stelden de radicalen jouissance, zinnelijk genoegen. Onze erotische drift is niet alleen fundamentele energie maar ook, vooruitlopend op Darwin, het doel van ons bestaan.
Als lust niet laakbaar is, dan zouden maatschappijen niet worden gebaseerd op de verwerping ervan in naam van de verlossing in het hiernamaals, maar op het intelligente nastreven ervan. En als er geen van hogerhand opgelegde hiërarchie van de maatschappij is, geen hogere macht, dan heeft iedereen recht op dat nastreven van geluk zoals de Amerikaanse founding fathers schreven. Eerlijkheid en universele bevrijding worden fundamenteel.

HET IS EENVOUDIG te begrijpen waarom de bourgeoisie van de negentiende eeuw Kant en Voltaire verkoos boven Diderot en Holbach om een laissez-faire-kapitalisme te rechtvaardigen dat henzelf alles gaf en hun arbeiders niets. Per slot van rekening waren de hoogopgeleide mensen de verlichte elite en de hoeders van de christelijke moraal. Het is al even duidelijk waarom dictators van Lenin tot Pol Pot het voorbeeld van Robespierre volgden en Rousseau aanbaden, wiens sociaal denken de noodzaak vooronderstelde van een wijze wetgever die het recht heeft repressie te gebruiken om de populatie als geheel te dwingen een leven te leiden in overeenstemming met de natuur van God.
Minder duidelijk maar veel belangrijker is het inzicht dat onze eigen samenlevingen nog niet zijn ontkomen aan de verlokking van deze traditie en de fundamenteel theologische ideeën ervan, en dat het alternatief de weg zou kunnen vrijmaken voor meer maatschappelijke rechtvaardigheid én meer individuele vervulling.
Hier wordt echter mijn enthousiasme geremd door mijn eigen inspiratiebron, Diderot, die geloofde dat Verlichting 'ophoudt buiten de stad, waar mensen te onwetend zijn en te hard werken’ voor zulke ideeën, en die fundamenteel sceptisch was over de wenselijkheid en zeker over de mogelijkheid van werkelijke democratie.
Het onderliggende probleem was er een waar Diderot zelf mee moest worstelen, een filosofische strijd die hem een waar modern denker maakt. Hij kwam uit een religieus gezin en was een materialist geworden en vervreemd geraakt van het geloof van zijn vaderen, maar was niet zijn nostalgie naar geloven verloren. Hij verlangde naar de mogelijkheid van geloof, naar het gevoel van ergens bij horen, de zekerheid van een ultieme zin voorbij al het zinloze lijden, maar hij kon het rationeel niet langer accepteren. 'Mijn hart wil de ene richting, mijn hoofd een andere’, verzuchtte hij - en koos ervoor zijn hoofd te volgen.
Diderot draait de paradox om: alleen als de rede haar plaats inneemt als dienaar en helper van een hartstochtelijk leven kunnen we de menselijke natuur begrijpen en ons leven aan de hand daarvan vormgeven. Wat we hiermee zouden kunnen winnen is een leven dat vollediger wordt geleefd, een maatschappij met waarden die heilzamer zijn voor het menselijk geluk. Maar de prijs ervan is het geloof in de grootse rationele ordening van de wereld.
Als ik het dilemma van Diderot in mijn eigen woorden moet samenvatten, in opnieuw een paradox, komt het volgens mij neer op een kwestie van verhalen vertellen en omgaan met metaforen.
Net als Diderot zouden wij allemaal heel graag willen geloven dat er een objectieve zin bestaat in de wereld, dat het universum werd geschapen met een duidelijke bedoeling en een welomschreven doel, en dat wij een taak hebben die we moeten vervullen. Dat is niet zomaar wensdenken. Hoogstwaarschijnlijk is onze behoefte aan betekenis, aan structuur en aan een doel een antropologische constante, die in onze geest is ingebakken. Voor een heel groot deel is dat wat ons menselijk maakt.
Technologie en wetenschap werden mogelijk gemaakt doordat wij gebruiksmogelijkheden konden zien achter natuurlijke voorwerpen en materialen, om onze eigen wereld te projecteren, onze behoeften en verlangens, op de wereld buiten ons, om te ontdekken dat een tak en een steen samen een stuk gereedschap kunnen vormen. Maar ook cultuur is daaruit voortgekomen. We hebben zin gegeven aan schijnbaar zinloze natuurlijke processen door mythen te vertellen, we projecteerden betekenis op de wereld door onszelf er verhalen over te vertellen, en over onze eigen plaats daarin.
De denkers van de radicale Verlichting stelden dat passie, verlangen, de fundamentele kracht van al het leven was, en dus die van onszelf. In de taal van de mythen zou dit als volgt kunnen klinken: Eros heerst over ons allemaal. Hij trekt ons de wereld in door ons te laten verlangen naar iets of iemand. Maar omdat hij een anarchistisch klein godje is stuurt hij ons verlangen vaak naar objecten die ongepast of onbereikbaar zijn. Hij gooit de gevestigde orde der dingen in de war en zaait chaos en verwarring - de inspiratie van talloze komedies én tragedies.
De heerschappij van Eros zou kunnen leiden tot Diderots jouissance, maar meer dan eens zal het leiden tot frustratie en zelfs verdriet. Door verlangen ervaren we mislukking en verlies. We houden van mensen die niet van ons houden, we willen doelen bereiken die ons steeds weer ontglippen, we rouwen om mensen van wie we houden wanneer ze van ons heengaan, of worden weggerukt door ziekte en dood. Het leven zoals wij dat ervaren biedt ons erg weinig rechtvaardiging voor optimisme, voor vooruitkijken, voor hoop. Als we zijn bevrijd van het juk van religieuze ideeën, van het geloof in een leven na dit leven en van het afwijzen van deze wereld om ons verlangen na te jagen, dan worden we nog steeds geconfronteerd met onze voortdurende onmogelijkheid die wens te realiseren. Laten we het tragisch hedonisme noemen.
Het tegengif tegen de verlammende chaos die ons verlangen dwarsboomt is even oud als de mensheid zelf. Het vertellen van verhalen stelt ons in staat orde en betekenis te projecteren in onze ervaring van de wereld. In onze verhalen ontmoet de jongen een meisje en verliest het meisje, maar aan het eind krijgt hij haar; intenties worden werkelijkheden, deugd wordt beloond en ondeugd bestraft. In verhalen, in elk geval in hun meest basale vorm, heeft de wereld de betekenisvolle structuur die ze - hoe frustrerend - in de realiteit niet heeft.
Door verhalen, door ons hardnekkige geloof in de mogelijkheid van geluk, worden sommige van onze bedoelingen werkelijkheid. Je verlangen zal ertoe leiden dat je verliefd wordt op een man of een vrouw ook al zegt je rationele brein tegen je dat de liefde vaak wordt gefrustreerd, dat het allemaal zal eindigen in pijn en verbittering, dat twee derde van alle huwelijken strandt in een scheiding. Maar je luistert niet naar die rationele stem, nee, je begint jezelf verhalen te vertellen, liefdesverhalen, over eeuwigdurend geluk.

WE HEBBEN allemaal culturele en persoonlijke instincten die we meedragen in ons denken, de dingen waarvan we graag zouden willen dat ze waar zijn, maar het is erg belangrijk dat we ze proberen te onderzoeken in het scherpe licht van de rede en dat we bereid zijn van ze af te stappen - hoogstwaarschijnlijk tegen onze diepste wensen in. Tenslotte is niet alles wat we willen dat het geval is ook inderdaad het geval. En de filosofie, tenslotte, gaat niet alleen over het stellen van de juiste vragen (een essentiële eerste stap) maar ook over leren leven met de antwoorden waarop je uitkomt. Hier kunnen politieke overtuigingen iets van opsteken.
Terugkerend naar het idee van verhalen vertellen komen we tot een conclusie die even paradoxaal als onvermijdelijk is. Wij zijn dieren die verhalen vertellen; daar is niets te kiezen aan. Het probleem begint waar we geen onderscheid meer maken tussen een situatie en het verhaal dat we onszelf erover vertellen. Zodra we onze eigen verhalen gaan geloven als de letterlijke waarheid verliezen we onze verbinding met de wereld.
De paradox ligt in het feit dat we ons moeten hechten aan een verhaal om de psychologische vruchten ervan te kunnen plukken, om 'het ongeloof op te schorten’, zoals Coleridge zo mooi zei. Als we Tolstojs Anna Karenina lezen als een exercitie in formeel schrijven zullen we geen toegang krijgen tot de geest ervan. Alleen als we aannemen dat Anna reëel is, dat haar lijden en haar hoop net zo reëel zijn als die van onszelf, zullen we die ervaren op de manier zoals we het willen en nodig hebben. Maar op hetzelfde moment zou geen enkele volwassen lezer naar een Russisch archief gaan om haar geboortedatum te vinden, of haar huwelijksakte of haar laatst bekende adres. Want uiteindelijk weten we best dat het een verzonnen verhaal is.
Dat is de paradox van het vertellen van verhalen, en ook al lijkt het onoplosbaar, het wordt op hetzelfde moment letterlijk opgelost door ieder kind dat op het ene moment besluit dat hij of zij Spiderman is of een prinses en op het andere die vorm van bestaan weer verlaat. Kinderen weten intuïtief hoe ze moeten bewegen tussen een verhaal dat ze zichzelf vertellen en de rest van hun leven. Voor alle andere mensen is het iets wat we opnieuw moeten leren: verhalen vertellen zonder erin onder te gaan, hun kracht gebruiken zonder erdoor beperkt te worden.
Verhalen zijn altijd een dramatisering van onze waarden en onze hoop. Ze vertellen ons wie we zijn en onze verhouding ermee is noodzakelijkerwijs paradoxaal, tussen betrokkenheid en onthechting, tussen geloof en ongeloof. Door te weinig geloof worden ze machteloos, door te veel geloof worden ze gevangenissen. Het verhaal dat onze beschaving zichzelf vertelt door middel van de media, door films en romans en alledaagse gesprekken zijn we geleidelijk gaan geloven en beschouwen we als de Waarheid. Het is het verhaal van de rationalistische, gematigde Verlichting die theologische, christelijke ideeën heeft genomen en die opnieuw heeft vormgegeven in een seculier vocabulaire, een verhaal van Rede, van transcendentie, van de scheiding tussen lichaam en ziel, de positieve waardering van het lijden, het paradijs en de apocalyps, wantrouwen tegenover verlangen, en het geloof in een objectieve historische kracht die we vroeger God noemden maar tegenwoordig 'de markt’ noemen. We hebben er tegenwoordig geen profijt meer van.
Het denken van de radicale Verlichting komt voort uit een traditie waarin passie en solidariteit, empathie en het zinvolle nastreven van een bevredigend leven op waarde worden geschat, een leven gebaseerd op het idee dat Eros, en niet de rede, de drijvende kracht achter ons bestaan is. Het wordt tijd dat we een nieuw verhaal gaan vertellen over onszelf.


Dit is een bewerkte versie van de Marchant-lezing die historicus Philipp Blom op 8 december uitsprak. In 2010 verscheen bij De Bezige Bij zijn boek Het verdorven genootschap: De vergeten radicalen van de Verlichting.
Vertaling: Rob van Erkelens