Wisselcolumn

Een Nigeriaan in Holland

Toen ik op 13 november terug naar Nigeria vloog, bleek bij aankomst in Lagos overduidelijk alles bij het oude te zijn gebleven. Vanuit de lucht constateerde ik al dat de Nigeria Electricity Power Authority (NEPA) onverminderd rot en corrupt was: heel Lagos was in duisternis gehuld! Vergeleken bij het ordentelijk hygiënische Schiphol drong de chaos en bandeloosheid van Murtala Muhammed International Airport zich ongenadig op. Het gevoel weer in het stenen tijdperk terug te zijn, werd versterkt toen ik in een gare taxi stapte die drie uur lang door het verkeerslabyrint doolde, omgeven door ongelikte en hardvochtige bestuurders.

De nacht was tergend heet, maar er was geen stroom om een ventilator het stroperige zweet van mijn lijf te laten blazen. Wat een land! Wat een manier om onthaald te worden! Het liefst sprong ik weer in het vliegtuig. Terug naar Nederland. Waar de stroom constant is, waar water uit de kranen komt. Waar sociale woningbouw bestaat en zelfs oudedagvoorziening. Ik mis die luxe nu al. Zeventien gelukzalige dagen lang was ik weg uit dit ruige, opgefokte oord.

Het eerste wat me bij aankomst in Nederland opviel, was de hoge organisatiegraad. De grootste cultuurshock vormden de verkeerslichten met drukknoppen en tikgeluid voor blinden. Werkelijk alles leek uitgedacht, de chaos volledig weggedrukt. Voor mij, een journalist uit den vreemde, was Nederland een paradijsje op aarde, het weer buiten belatend.

De Nederlanders hebben met hun liberale kijk op de werkelijkheid en hun gastvrijheid voorgoed mijn blikveld verruimd. Om eerlijk te zijn dacht ik altijd dat vrijwel elke blanke een racist was, wat vooral werd ingegeven door de racistische bejegening die ik te verduren kreeg toen ik begin jaren tachtig in Londen studeerde. De welbekende slavernij geschiedenis en de apartheid in Zuid-Afrika versterkten mijn beduchtheid. Maar wat er in het verleden ook is gebeurd, ik zie het nu anders.

Op een dag gingen mijn collega van De Groene Amsterdammer en ik naar het Olympisch Stadion waar de PvdA haar verkiezingslijst presenteerde. Soldaten en beveiliging ontbraken volledig: ondenkbaar in mijn land. Verbijsterender vond ik de afwezigheid van belangstellende burgers. Het zal ermee te maken hebben dat iedereen in dit land meer dan tevreden zal zijn, alle essentiële vraagstukken zijn immers opgelost. In gedachten vergeleek ik het met mijn land, een van de armste ter wereld, met z’n corruptie in alle gelederen, stammenrebellie in verschillende staten, een chronisch tekort aan medicijnen, hoge kindersterfte, aids, ondervoeding. Ik heb begrepen dat er in Nederland een tekort aan leerkrachten bestaat. Ik heb scholen bezocht en ik kan u verzekeren: niets aan de hand. Prijs u gelukkig dat er scholen zijn, dat uw kinderen niet langs de weg in de uitlaatgassen van afgedankte barrels bedorven waar hoeven te verkopen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.

In een land waar alles zo perfect is georganiseerd, heeft de politiek eigenlijk geen bestaansgrond meer. In feite zou Nederland beter gerund kunnen worden door een commercieel bedrijf omdat er van werkelijke partij politieke verschillen bij zoveel perfectie geen sprake kan zijn.

Op de PvdA-bijeenkomst had ik een kort gesprek met de beoogde minister-president, Ad Melkert. Ik vroeg hem naar het verschil tussen zijn partij en de VVD en D66. «Dat is er niet of nauwelijks», zei hij. Later die week sprak ik met FNV-voorzitter Lodewijk de Waal, die mij vertelde over het poldermodel waarover ik al veel had gelezen. Het moment dat bij ons vakbonden met regering en werkgevers rond één tafel zitten, lijkt nog ver weg. Maar de essentie van het poldermodel, confereren in plaats van conflicteren, zou een manier zijn om tribale verschillen in Nigeria te overbruggen en het besef van nationaliteit en eenheid te bevorderen.

Weinig begreep ik van de anti-globaliseringsgedachte waarvan men in Nederland nogal in de ban is. Naomi Klein, die tijdens mijn bezoek in Amsterdam was, en Noreena Hertz betogen dat het verwerpelijk is dat multina tionale ondernemingen, op zoek naar de lage lonen en een goedkoop investeringsklimaat, in ontwikkelingslanden neerstrijken. Ik juich de intocht van multinationale ondernemingen in mijn land juist van harte toe. Klein roept vaak het voorbeeld van Shell in herinnering, het bedrijf dat in Nigeria de Nigerdelta heeft leeggeslobberd en de bevolking doodarm in vervuild gebied achterliet. Zij gaat voorbij aan het feit dat vooral het over onszelf afgeroepen corrupte militaire regime daarvoor verantwoordelijk is. Alsof we inmiddels niet in andere tijden leven. Als geen ander zijn grote bedrijven tegenwoordig kien op een brandschoon imago. De raad van bestuur van Coca-Cola is een stuk fatsoenlijker dan onze huidige president en zijn staf. Hoewel het verleden belast blijft, is Shell inmiddels voor de meeste Nigerianen een respectabele investeerder. Het bedrijf biedt opleidingskansen, werkgelegenheid, sociale voorzieningen, en geldt zelfs als een nationale trots.

Misschien dat er in Nederland en in het Westen een teveel aan vrije markt is. Maar in Nigeria zijn wij nog nooit consumenten geweest, laat staan dat we nu ineens bewust zouden moeten consumeren. De antiglobaliseringsgedachte is een westers speeltje. Waarom wordt de opstand geleid vanuit de westerse wereld en niet vanuit de onderdrukte ontwikkelingslanden? Klein en Hertz richten hun pijlen onder meer op het IMF en de Wereldbank. Maar de laatste financiert sinds het aantreden van onze in 1998 democratisch gekozen president Obasanjo grote projecten op het gebied van wederopbouw, scholing en gezondheid; in totaal voor 444 miljoen dollar.

Het is maar de vraag of ontwikkelingslanden profiteren als de markteconomie wordt ingedamd. Als er rekening moet worden gehouden met aangescherpte sociale en milieunormen, waarvoor de antiglobalisten pleiten, kan in Afrikaanse landen nooit iets van de grond komen. Terwijl het zo aardig zou zijn als over honderd jaar een journalist uit het arme Europa het welvarende Nigeria komt bekijken.

Vertaling en bewerking: Joris van Casteren.

De reis van Olu Ojewale is financieel ondersteund door NCDO