Een nuttig proces

Nu Geert Wilders vrijspraak heeft gekregen hoor je overal verzuchten dat het beter was geweest dat dit proces nooit zou zijn aangespannen. Toch heeft deze rechtsgang waarde, ondanks het voortslepende karakter ervan. En ongeacht het vonnis.

De tegenargumenten zijn genoeglijk bekend. De rechtse populist zou moeten worden weerlegd en betwist op de enige daartoe geëigende plek: het Haagse Binnenhof. Daar staat tegenover dat dit nu juist niet het geval is. De PVV zit inmiddels als gedoogpartner in het kabinet en het lukt tegenstanders nauwelijks om de invloed van de verbaal en tactisch slim acterende politicus op het regeringsbeleid in de kiem te smoren. Er wordt politiek vooral veel met hem geworsteld. Maar goed, dan hoef je die onmacht nog niet af te schuiven op de rechter.

Het andere argument tegen ‘het proces van de eeuw’ heeft betrekking op het recht op de vrijheid van meningsuiting. Alle denigrerende uitspraken ten spijt, de rechtbank vindt dat Wilders zich niet schuldig heeft gemaakt aan groepsbelediging en het aanzetten tot haat en discriminatie. De rechters hebben, geheel terecht, het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde als doorslaggevend afgehamerd.

Dat is een overwinning voor de democratie, én het schept een precedent: de juridische toetsing toont binnen alle emotionele deining in een nuchtere analyse waar de grenzen van het vrije woord liggen. Dat is weliswaar een hard gelag voor de aanklagende partijen, maar het feit dat aanhangers van de islam met hulp van advocaten hun gekrenkte identiteit of woede juridisch hebben willen uitvechten is beter dan het recht in eigen hand nemen. Dat maakt deze exercitie nuttig.

Bovendien heeft dit proces weer een fundamentele discussie opgeleverd over de parlementaire onschendbaarheid. Dat houdt in dat een lid van het parlement niet strafrechtelijk kan worden vervolgd voor wat hij of zij in de Tweede Kamer en Eerste Kamer zegt. Daarentegen gelden buiten deze muren voor een politicus meer plichten en verantwoordelijkheden, waarvoor hij wel kan worden vervolgd. Dat is hieruit voortvloeiend dus gebeurd.

Vanuit diverse gelederen wordt al langer gepleit, zoals Femke Halsema onlangs deed bij haar afscheid, dat die onschendbaarheid ook moet gelden buiten de muren van het parlement. Want, zegt ze, ‘volksvertegenwoordigers dienen zich beschermd en vrij te weten, ook als zij meningen verkondigen die sommigen tegen de borst stuiten of zelfs ronduit kwetsen. Die bescherming zou niet alleen moeten gelden als zij achter het spreekgestoelte of bij de interruptiemicrofoon staan, maar overal waar zij uit hoofde van hun functie het woord voeren.’ Zoals op het internet en in de media.

Zeker, het democratische debat wint aan betekenis naarmate het scherper wordt gevoerd. Aan de andere kant zijn er nauwelijks correctiemogelijkheden tegen ordinair en grievend taalgebruik die in de microfoon - binnen en buiten het parlement - geuit worden. Die tendens doet de samenleving al langer niet goed. Sterker, dit wordt zelfs door de Amsterdamse rechters aangedragen als verzachtende omstandigheid ‘want Wilders’ religiekritiek past in de context van het huidige maatschappelijke debat’. Het tij kan een rechter ook niet keren. Dat is eerder aan de politiek.