Een nuttig, werkend lid van de samenleving

De negentiende-eeuwse schrijver Gottfried Keller deelde een typisch Zwitserse eigenschap met zijn schilderende personage: grote eerbied voor de wereld en de natuur.

Logies in een landhuis is een van de mooiste boeken van W.G. Sebald, die in deze essaybundel zodanig schrijft over andere schrijvers dat het haast niet anders kan of hij zegt meer over zichzelf. Op de cover van zowel de Duitse als de Nederlandstalige editie staat een schilderij van de Zwitser Gottfried Keller (1819-1890), die vooral als auteur bekend werd. ‘In geen enkel literair werk van de negentiende eeuw’, aldus Sebald, ‘komen de ontwikkelingslijnen die ons leven tot op de huidige dag bepalen zo duidelijk aan het licht als in dat van Gottfried Keller. Toen hij met schrijven begon had alles nog anders kunnen gaan dan het vervolgens in werkelijkheid ging.’ Sebald ziet Keller als een visionair die de twintigste eeuw voorspelde maar er ook voor waarschuwde: ‘Het is de niet geringe verdienste van Keller dat hij zo vroeg de vaak onherstelbare schade onderkende die de uitbreiding van het kapitaal onvermijdelijk toebrengt aan de natuur, aan de maatschappij en aan het gevoelsleven van de mensen.’

Tot voor kort was het nagenoeg onmogelijk om in het Nederlands de geldigheid van deze uitspraken na te gaan. Van Keller werden na de oorlog enkele novelles vertaald, maar daarna bleef het stil. In de Grote Bellettrie Serie verscheen recent echter een vertaling door Peter Kaaij van Kellers omvangrijke en autobiografische debuut Der grüne Heinrich. Er bestaan twee versies van: Keller voltooide de roman in 1855, maar besloot in 1880, toen hij een gerespecteerde burgerman was geworden, om het boek te herschrijven. Kaaij heeft de eerste versie vertaald, en voor die keuze valt iets te zeggen.

Medium hh 51215984

Het boek uit 1855 is complexer (het vertelperspectief verschuift bijvoorbeeld van de derde naar de eerste persoon en weer terug), en het heeft een ander slot. Schilderen, dat wil Groene Heinrich – zijn bijnaam dankt hij aan zijn kledij, door zijn moeder gerecycled uit de groene kleren van zijn overleden vader. Zijn geliefkoosde onderwerp is in de vorm van het Zwitserse landschap alomtegenwoordig. Toch is het in zijn geboorteland makkelijker gezegd dan gedaan om kunstenaar te worden. Zijn eerste leermeester laat kitscherige taferelen produceren om huiskamers te versieren. ‘Zo was Habersaat’, aldus Heinrich, ‘de incarnatie van de hedendaagse industrie, die dingen produceert waarvan de attractiviteit en waarde voor de kopers schijnbaar groter worden naarmate er meer met arglist ingepalmde kinderlevens voor verbruikt zijn.’ Zijn tweede mentor heeft artistieke ambities, maar maakt zoveel schulden dat hij op de vlucht slaat naar Parijs, waar hij, ten prooi aan achtervolgingswaan, in de psychiatrie belandt. Heinrich wordt bevangen door ‘een kil soort schuchterheid, omdat ik echt geen flauw idee had of ik ooit en hoe dan wel een nuttig, werkend lid zou worden van de samenleving’.

Vol optimisme reist hij naar München, maar ook daar stelt hij vast niet over het nodige talent te beschikken. Zijn avonturen – onder meer met het geïdealiseerde maar onbereikbare andere geslacht – worden er niet minder vermakelijk door. Kaaij spreekt in zijn nawoord over het filmische aspect van Kellers proza. Tientallen pagina’s lang wordt een Duitse verkleedpartij beschreven: honderden aanwezigen op het feest, en niemand wordt over het hoofd gezien.

Toch ligt in dat complexloze realisme, en in de kalme beschrijvingen die het gevolg zijn van geconcentreerde aandacht, ook de kracht van dit boek. Sebald heeft het wat dat betreft over Weltfrömmigkeit: grote eerbied voor de wereld en de natuur in plaats van voor God en het bovennatuurlijke. Het is een eigenschap die Keller met Heinrich deelt, die bij uitstek Zwitsers is, en die daarom ook typisch is voor Robert Walser – in vele aspecten een modernistische Keller: minder episch, fragmentair, en extremer.

‘Het zou onzinnig zijn wanneer de bewoners hun bergen met bouwsels wilden bedekken’

Keller had bovendien nog af te rekenen met een verpersoonlijkte godsdienst. Het leven zelf en de werkelijkheid moeten voor hem volstaan als onderwerp; fantasie, spektakel of speculatie over een opperwezen zijn even onnozel als ongeloofwaardig. Wie moet en mag leven tussen de ondoorgrondelijke plooien van de Alpen, kan niet anders dan het landschap respecteren. Interventies zijn haast even onmogelijk als onwenselijk. ‘Vooral wat Zwitserland betrof’, zo wordt Heinrich verzekerd door een houthandelaar, ‘zou het onzinnig zijn wanneer de bewoners hun heuvels en bergen met mooie bouwsels wilden bedekken; hoogstens kon je aan de ingang van wat dalen fraaie stadjes tolereren, maar verder was het echt voldoende als de natuur de honneurs waarnam; dat was niet alleen het meest goedkope, maar ook het verstandigste.’

Als er iets is wat een nationale ideologie bepaalt, dan is het wel het reliëf, en de manier waarop aarde en natuur aangeven hoe mensen letterlijk in de wereld staan.

Het is dus geen toeval dat Heinrich het landschap als onderwerp neemt. Als hij op een dag, uit verveling, een werk maakt dat niet realistisch bomen, bergen of beekjes weerspiegelt, maar experimenteel door gekriebel en gekrabbel tot stand komt, is hij gechoqueerd. Een vriend is enthousiaster: ‘Die miljoenen streepjes en kringeltjes, frêle en subtiel of fors en robuust, nu eens zus, dan weer zo, concreet in een landschap neergezet, die zouden natuurlijk opnieuw een beeld zijn in de gewone zin van het woord en op uiterst stuitende wijze weer traditioneel plat realistisch zijn! Dus heb jij resoluut de koe bij de horens gepakt en al de stoffelijkheid geëlimineerd! Die vlijtige arceringen zijn arceringen op zich, levend in het domein van de absolute schoonheid, dat is de pure vorm van vlijt, van weloverwogen functie, helderheid, van onovertroffen, gracieuze, allercharmantste abstractie!’

Zonder het te beseffen heeft Heinrich de moderne schilderkunst ontdekt. Hij wordt aangeraden om op het ingeslagen pad verder te gaan, maar daarvoor blijkt hij ook als kunstenaar te groen en te braaf. Er zit niets anders op dan München berooid weer te verlaten. Jarenlang is hij weg geweest, en de paginalange, op zowel treurig als gelukzalig heimwee stromende dromen over zijn moeder en zijn vaderland, vormen het hoogtepunt in Kellers debuut. Toch laat Heinrich de moed niet zakken: ‘Zelfs de ergste dingen onderging hij zonder bitterheid en pessimisme, er diep in zijn hart van overtuigd dat eerder zelfs nog bergen zullen wijken voor één mensenkind onschuldig ten verderve gaat.’

Terug thuis is hij, tot zijn ontzetting, net op tijd om de begrafenis van zijn moeder bij te wonen. Het is hier dat de versies verschillen. In de herwerking uit 1880 herpakt Heinrich zich, en verwerft hij een belangrijke politieke positie. In de eerste versie volgt hij zijn moeder in de dood. ‘Het was een fraaie milde zomeravond toen men hem meelevend en verbaasd begroef, en op zijn graf ontstond een heel mooi groen tapijt van gras.’ Het is verleidelijk om dat verschil een zowel politieke als persoonlijke lading te geven. In 1848, toen Keller aan de eerste versie werkte, werd Zwitserland na een naar plaatselijk gebruik kalme en beschaafde godsdienstoorlog een democratische bondsstaat. In 1880 had het land de definitieve vorm aangenomen die het ook vandaag nog heeft.

Keller hield van Zwitserland, maar zoals Sebald terecht aangaf, was hij zich bewust van het al te zakelijke en naar persoonlijke rijkdom strevende isolationisme dat tussen de besneeuwde bergtoppen steeds dominanter werd. ‘De geschriften van Keller’, zo noteerde Walter Benjamin in een essay uit 1927, ‘verschenen op een moment dat de mensen de taal die ze spraken begonnen te vergeten; in de plaats daarvan leerden de dochters van Zwitserland de taal van het boekhouden.’


Beeld: Gottfried Keller (Bianchetti / Leemage /HH)