Een nuttige nationale mythe

‘De heropening van het Rijksmuseum is een milde maar onbeschroomde daad van nationale herbevestiging, zonder een zweem van bekrompen chauvinisme’, schreef de Britse historicus Simon Schama in de Financial Times. Met die waarneming zou hij wel eens het geheim achter de vrolijke stemming rond het in volle glorie herstelde museum ontsluierd kunnen hebben. Het Rijksmuseum biedt Nederlanders eindelijk weer eens een mooi, fijnzinnig, cultureel verbeeld symbool van nationale trots, na al die jaren waarin het land zich van zijn kleinste kant liet kennen.

Medium commentaar 16 2013 rijks museum

Sinds het breukjaar 2002 deed schuw populisme zijn invloed op de Nederlandse politiek gelden en dat liet ook het denken over de nationale identiteit niet onberoerd. In het politieke debat was het niet zozeer een positief ideaal of een eigen idee van Nederland dat deze identiteit definieerde, als wel het verschil met anderen. Dat onderscheid kwam tot uitdrukking in een afwerende, wantrouwende houding tegen het vreemde, die niet zelden negatief, badinerend of ronduit agressief werd geformuleerd. In deze sfeer belandden ook de kunsten in verdachte hoek, als domein van het ongekende, complexe.

Tegen die achtergrond is de lichte stemming rond de her­opening van het ‘Rijks’ hoopgevend. Mede dankzij de nieuwe ondertitel ‘Museum van Nederland’ komt associatief een verbintenis tot stand tussen het nationale zelfbesef, het Rijksmuseum met zijn rijke collectie en Amsterdam als Nederlands kunstencentrum van internationale allure. Van niet te onderschatten symbolisch belang is daarbij dat de renovatie een pan-Europees project is geweest, met het Spaanse duo Cruz en Ortiz als architecten, de Fransman Wilmotte als interieurontwerper en de Brit Richard Wright als schilder van de sierplafonds in de trappenhuizen. Tegenover het naargeestige verlangen naar een Nederland van vreemde smetten vrij staat nu het opwekkende beeld van een kosmopolitisch land met een positief eigenbeeld.

Het kan dus geen kwaad als een land zijn nationale mythe een beetje koestert. Een natie bestaat bij een beeld van zichzelf. Ook al is dat een verdichting van de werkelijkheid, een geïdealiseerd beeld, het maakt wel deel uit van die zelf geconcipieerde realiteit. De nationale mythe fungeert zo als de hoge standaard waarnaar de natie moet streven. Zoals de VS zich optrekken aan het zelfbeeld van het land dat zijn burgers het onvervreemdbare recht op leven, vrijheid en het najagen van geluk toekent, zo spiegelt Nederland zich aan het beeld van openheid en tolerantie. De nationale mythe heeft hier haar vorm gekregen in een langdurige oefening in een vreedzame omgang tussen minderheden. Samenwerking en pragmatisme, schikken en plooien zijn de trefwoorden van dit harmoniemodel, sinds de jaren negentig ook wel poldermodel geheten.

Was deze mythe in de gepolariseerde sfeer die Nederland sinds 2002 beheerste haar glans kwijt, het kabinet-Rutte II, werkgevers en werknemers hebben haar gerevitaliseerd. Dat is de verstrekkende betekenis van het sociaal akkoord dat zij hebben gesloten. In de perscommentaren nadien is nogal zurig gemonkeld over het uitstel van hervormingen. Zonder belang zijn die hervormingen niet, maar zwaarder weegt dat het kabinet nu met de sociale partners een vertrouwenwekkend gebaar naar de burgers kan maken. Dat is te danken aan de rekkelijkheid die het om wille van de harmonie opbracht.

Wie een spannende kunstzinnige verbeelding wil zien van de waarde van harmonie spoedde zich naar het Rijksmuseum, naar de afdeling twintigste eeuw, waar tijdelijk Trafalgar Square van Piet Mondriaan hangt. De Nederlandse schilder voltooide dat in het ­oorlogsjaar 1943 op zijn atelier in New York.