Een o zo zielig wrattenzwijn

Rudy Kousbroek en Peter Vos, Varkensliedjes. Uitgeverij De Harmonie, 64 blz., f24,90
Dat Rudy Kousbroek het dier in het algemeen en het varken in het bijzonder een warm hart toedraagt, kan cultureel geinteresseerde Nederlanders nauwelijks ontgaan. Van die liefde getuigt Kousbroek niet alleen als essayist, maar op de Kinderpagina van NRC Handelsblad ook als dichter.

In Varkensliedjes werden onlangs dertig van deze verzen gebundeld en door Peter Vos van treffende portretten voorzien. Op de omslag danst een roze vijftal met wapperende oren en een overvloed aan borstjes de cancan ten overstaan van de dichter. Amechtig voor zoveel schoons is deze neergezegen, zijn lier in de poot geklemd, gehuld in een soort toga.
Deze klassieke uitmonstering past de verzenmaker. Ook al schrijft hij voor kinderen, hij laat zijn varkens minnekozen onder het lover, beproefd, bekoord of verlamd zijn door schroom, dolen tussen de zerken en dromen over een speelgoedmagazijn. Hij verwijst naar Thomas Hardy en Jan Hanlo en speelt een ingewikkeld woordenspel met de staartenkruller die Muller heet en te Otterlo woont. Van geen lezer trekt hij zich iets aan. Kousbroek dicht voor zijn eigen plezier en dat straalt zo van de regels af dat je hem die merkwaardige negentiende- eeuwsheid vergeeft.
Bovendien trakteert hij ons op het smakelijk neologisme ‘scharrelvarkenszielsverwantschap’ en op grappige letterverwisselingen: 'Die ochtend zei het wrattenzwijn: Nu moet het afgezopen lijn, stijnen helpt geen kweek./ Ja, drerk in plaats van woefenis: Leven en schrijzen, room voos bis.’
Meer nog dan de taal is Kousbroek het varken toegewijd. Liefst woonde hij waarschijnlijk in de door hemzelf ontworpen stad in Denemarken: 'Een stad waar ieder stopcontact/ Eerbiedig rose wordt gelakt.’
Helaas neemt die toewijding al na enkele bladzijden de vorm aan van geweeklaag. Dan wordt de stralende plaats van het varken ingenomen door het wrattenzwijn en dat zwijn is o zo zielig. Hij is oud en ongeliefd - 'Wie is in staat om te beminnen een beest met zoveel onderkinnen’ - hij is nooit eens jarig en snakt naar een doel in het leven of minimaal een lading kusjes. Al die krulstaarten kunnen niet verhullen hoe melancholiek en somber de toon is van het geknor over ouderdom, vergankelijkheid en miskenning. Niet de hoge aaibaarheidsfactor van het zwijn dient te worden aangetoond, maar die van de dichter zelf.
Als volwassen lezer wil ik nog wel vertederd raken over een van onze grote essayisten, die om lucht te geven aan zijn persoonlijke bekommernis een varkenssnuit opzet. Dat kinderen daar iets in zullen zien, waag ik te betwijfelen, mogelijk omdat ik - zoals Kousbroek onlangs in Vrij Nederland uitlegde naar aanleiding van kritieken op zijn vorige bundel - te 'beperkt en didactisch’ ben om zijn kinderpoezie te begrijpen. Eigenlijk denk ik dat we niet met kinderpoezie van doen hebben, maar met light verse, een genre waarvoor in ons literaire domein nauwelijks plaats is, zodat het dan maar in het jeugdliteraire hok gestopt wordt. Daarmee is een schrijver 'uitgeleverd’ aan de daar opererende critici, hoe - al weer volgens Kousbroek - 'stom, achterlijk, saai of uitgedroogd’ die ook mogen zijn.
Als antwoord op zoveel epitheta rest mij nog slechts een versregel op z'n Kousbroeks: 'Ach wrattenzwijn, ach wrattenzwijn/ Wat is je dichtershartje klein!’