Een ode aan de macho

Televisiekijkend Nederland viel zondagavond in katzwijm voor Zomergast David Van Reybrouck. Begrijpelijk. Zijn bevlogenheid en intelligentie fonkelden van het scherm en zijn charme verspreidde zich ongetwijfeld als een warme gloed door menige huiskamer.

Binnen tien minuten had hij drie keer Beckett geciteerd en ons de aftiteling van In the Mood for love voorgeschoteld (Joost de Vries schreef er gister ook over).

Zoals hij bij aanvang beloofde liep er door het gesprek een rode draad van ‘toewijding, schoonheid en mededogen’, alles raakte met elkaar vervlochten – van de Waarheids- en Verzoeningscommissie in Zuid-Afrika tot aan het tragische kabelliftongeluk in de Dolomieten, waarbij vijf van Van Reybroucks vrienden om het leven kwamen. ‘Herstellende gerechtigheid’, dáár was Desmond Tutu naar op zoek geweest, en dat was ook waar Van Reybrouck naar streefde.

Kortom: het was een mooie, ernstige aflevering. En toch viel ik af en toe haast van de bank van het onverbloemde machismo dat de gast aan de dag legde, hierin aangemoedigd door de gretig knikkende presentator.

Het begon met een fragment van de Vlaamse schilder Sam Dillemans, die met ontbloot bovenlijf tegen een boksbal in zijn atelier mepte en het ene na het andere cliché opdiste over kunstenaarschap en compromisloosheid. Hij was boos op mensen die kunst als vrijetijdsbesteding beschouwden, hij verafgoodde Picasso, en vond dat kunstenaars überhaupt weer eens wat meer op een voetstuk moesten worden geplaatst. ‘We proberen van goden mensen te maken, in plaats van andersom’, of zoiets.

Op mij maakte hij vooral een gefrustreerde en doorgesnoven indruk, maar Van Reybrouck en De Jong waren zo’n beetje aan het kwijlen geslagen. Dít was kunstenaarschap, dít toonde waar de lat moest liggen, dít was de zuiverste vorm van toewijding.

‘Wat is jouw grond?’ vroeg Wilfried de Jong even later, na een filmpje van een kalf dat ter wereld komt in de film Rundskop, en Van Reybrouck begon te vertellen over zijn jeugd op het West-Vlaamse platteland, de ijzige winter van ’79, de veearts, de aardappelen, ‘de ruwe aanwezigheid van leven’. Een schrijver moest het verschil weten tussen leem en klei, niet te veel literatuurtheorie kennen, boetseren. Ja ja, dacht ik, daar gaan we weer: de schrijver als landwerker, houthakker, beeldhouwer. Wat is dat toch? Moet het iets puurs uitdrukken? Moet het de inherent suffe bezigheid die schrijven is verbloemen? In alle ernst zei Van Reybrouck even later: ‘Ik kan zesduizend woorden per dag schrijven, dat is belachelijk veel.’

En als het schrijven zelf niet al topsport is, dan is er gelukkig nog de topsport zelf.

Naar voorbeeld van de ultieme outdoorschrijver Ernest Hemingway mag menig mannelijk schrijver zichzelf graag feliciteren met zijn fysieke vermogens. John Irving de worstelaar, Murakami de marathonloper, Peter Buwalda de judoka, Tommy Wieringa de rugby’er. Allemaal zijn ze bescheiden over hun talent, maar allemaal vertellen ze gretig over het gevaar waarmee die sporten gepaard gaan, de uitputting, de botbreuken. Zo ook Van Reybrouck, die een filmpje van een alpinist uit de jaren dertig gebruikte om over zijn liefde voor bergbeklimmen te praten. Het ging hem, haastte hij zich erbij te zeggen, niet om de kick, maar vooral om het samenvallen met het landschap, de trage, wérkelijke ervaring.

Het was niet zo dat ik het allemaal niet gelóófde, maar het hele gedoe vermoeide me bij vlagen zeer. Ik ken ze nu wel: die échte mannen met hun verlangens naar aarde, ambacht, spierkracht en opoffering. Ik begrijp die verlangens heus en heb ze tot op zekere hoogte zelf ook. Maar wat zou het een verademing zijn als kunstenaarschap het kan stellen met wat minder (zelf)mythologisering. Als het gewoon plaatsvindt, tussen de regels door, zoals tijdens de beste momenten in deze uitzending.