Voor Slobodan Šnajder staat er ook persoonlijk veel op het spel © Dirk Skiba

Een kolossaal werkstuk, dat is wel het minste wat je ervan kunt zeggen. Kolossaal is De reparatie van de wereld qua ambitie, omvang, diepgang. Tot welk subgenre van de roman het boek moet worden gerekend is moeilijk te zeggen, je kunt het een historische roman noemen, maar ook een (anti-)oorlogsroman, een eigentijdse picaresk, een onmogelijke liefdesgeschiedenis, een autobiografische familiegeschiedenis, liefst dat allemaal tegelijk. Dat er voor de auteur, Slobodan Šnajder, ook persoonlijk veel op het spel staat, blijkt nadrukkelijk als hij (vooral) in de laatste delen van het boek zelf aan het woord komt: hij is de zoon van zijn hoofdpersonage dat afhankelijk van de context Georg, Ðuro en Ðuka Kempf wordt genoemd.

Die wisselende namen zeggen iets over de herkomst van de auteur. Hij is een Kroaat met Duitse wortels. Als zodanig behoort hij tot een bevolkingsgroep die in de jaren dertig van de vorige eeuw ‘ineens’ Volksduitsers werd genoemd. Die samenvattende mededelingen staan aan het eind van het eerste en kortste deel van de roman, waarin de voorgeschiedenis van de Kempfs uit de doeken wordt gedaan.

Dat gebeurt eerst in een allegoriserend fragment over de rattenvanger van Hamelen, die het ‘nieuwe evangelie’ van de volksverhuizing naar Transsylvanië verkondigt, een gelukzalig oord ‘waar de aarde zo vruchtbaar is dat je een week nadat je gezaaid hebt al kunt oogsten’; het alternatief: hier blijven en creperen van de honger. Het tweede fragment is daarvan een parallel: het verhaal van de rattenvanger – hij laat zich verderop in het boek nog talloze malen zien – wordt met historische feiten gespecificeerd.

Nu schrijven we 1769. In het zuiden van het land heerst een uitzichtloze hongersnood. Dan krijgt de familie Kempf een blijde boodschap: de Weense keizerin wil haar nieuwverworven gebieden in het oosten bevolken, dus op naar Transsylvanië! Daar wacht het beloofde land. Via Ulm reist het etnisch en religieus gemengde gezelschap armoedzaaiers drie weken per vlot over de Donau om ten slotte na het doorstaan van de nodige gevaren en ontberingen in de buurt van Sarajevo aan te komen.

In prenatale staat becommentarieert ‘Šnajder’ zijn aanstaande ouders

Vervolgens maakt het boek een reuzensprong in de tijd: het is juli 1919, het Habsburgse Rijk is van de kaart geveegd; in het gezin Kempf wordt een zoon geboren, Ðuka, de ‘voorbode van betere tijden’. Maar dat blijkt algauw een misverstand, zoals de lezer wel al vreesde. In de dorpscafés worden arbeidskrachten geronseld en niet veel later marcheren talloze onnozele jongemannen van Duitse origine, onder wie Kempf, achter fanatieke trommelaars aan die liedjes brullen waarvan nog niemand weet dat een daarvan het officiële strijdlied is van de Waffen-SS.

Een overtuigd nazi is Kempf allerminst, anti-Duits trouwens evenmin. Hij denkt dat de Waffen-SS ‘een nieuwe Internationale’ is, aangezien er mensen uit bijna alle Europese volkeren in verenigd zijn. Zij zouden niet minder dan een pan-Europees leger van kruisvaarders vormen. Kempf heeft geen benul, hij koestert zich in de warme gloed van de kameraadschap rond het kampvuur, waar de mannen schouder aan schouder zingen en zich bedrinken. Hij beschouwt zichzelf als ‘gedwongen vrijwilliger’ of ‘vrijwillig gedwongen’, een speelbal van ondoorzichtige historische krachten.

Pas dan komt de roman goed op stoom, aan de late kant inderdaad. Šnajder neemt ruim de tijd om de ingewikkelde historische en politieke omstandigheden in Midden-Europa met veel ironie uit de doeken te doen, zijn personages krijgen pas gaandeweg contouren. Maar de lezer die zich daardoor niet laat afschrikken wordt rijkelijk beloond. Kempfs bizarre lotgevallen – aldus de suggestie – hebben iets universeels, ze lijken representatief voor die van talloze jongemannen in alle elkaar bestrijdende partijen in deze oorlog. Alleen de haast ongelimiteerde aanwezigheid van alcohol en vrouwen kan Kempfs gebrek aan ideologische vastberadenheid nog enigszins compenseren. Maar niet in die mate dat hij, bijvoorbeeld, bereid is aan een wraakexecutie van vijf willekeurige burgers deel te nemen. Dan propt hij een paar rauwe aardappelen in zijn mond, moet daarvan overgeven en onttrekt zich aldus aan de moordpartij – ‘de enige keer dat hij zelf een beslissing nam’.

Na een jaar deserteert hij, zwerft met een jood door de Poolse bossen en sluit zich eind 1944 aan bij de bolsjewieken; van Tito heeft hij desgevraagd amper gehoord. Maar dat is geen probleem: ‘Nog diezelfde middag loopt kameraad Joeri Ðuka Kempfovski samen met de roden te marcheren.’ Wel moet hij uitkijken dat de SS-tatoeage op zijn linkerbovenarm onzichtbaar blijft. Intussen heeft Šnajder een soort parallelle verteller geïntroduceerd: in prenatale staat laat hij zijn alter ego, dat pas op driekwart van het boek, in 1948, wordt verwekt, de lotgevallen van zijn aanstaande vader en moeder in droogkomische bewoordingen becommentariëren.

Zijn moeder, Vera, was uit aanzienlijk steviger hout gesneden dan zijn wankelmoedige vader. Zij vocht tijdens de oorlog als partizaan tegen de nazi’s en bleef zich erna inzetten voor een ander, vrijer, rechtvaardiger communistisch Joegoslavië. Geen wonder dus dat hun huwelijk niet lang standhoudt. Van de commentaar leverende zoon vernemen we dat zijn geboorte de verhouding tussen die twee alleen maar verslechtert, ze gaan uit elkaar, zíj krijgt het kind, voedt hem op en pas op zijn negende ontmoet hij zijn vader voor het eerst.

Maar ook daarna heeft hij zijn vader nooit echt leren kennen. Had Kempf, vraagt hij zich af, ‘de foute boeken’ gelezen? (…) Had mijn moeder Vera andere boeken gelezen of dezelfde, maar dan op een andere manier, zodat ze de zaak die ze als de hare beschouwde trouw kon blijven totdat haar geest steeds meer vertroebeld raakte door de dementie waarin ze geleidelijk wegzonk?’ Eerder dan Kempf is Vera uiteindelijk de held van deze geschiedenis. Zij bleef in alle omstandigheden een zelfstandig denkende vrouw; anders dan de met alle winden meewaaiende vader had zij ‘altijd volgens haar eigen beslissingen en keuzes geleefd’. Als de wereld nog reparabel is – Šnajder lijkt dat niet helemaal uit te sluiten – dan alleen dankzij het moedige idealisme van vrouwen als Vera.