Een oefening in krijgshaftigheid

Nederland is ‘niet aansprakelijk’ voor de schade en het verlies aan mensenlevens door de acties van onze F-16’s in Irak. Het was een typerende reactie van minister van Defensie Ank Bijleveld, afgelopen zaterdag, namens de Nederlandse regering.

Bijleveld reageerde op het nieuws van de NRC en nos, die bekendmaakten dat een bom van een Nederlandse F-16 in de Iraakse stad Hawija minstens zeventig doden had veroorzaakt, onder wie vrouwen en kinderen. Het gebeurde in juni 2015, toen onze F-16’s werden ingezet tegen de strijders van Islamitische Staat. Nederland is zeer terughoudend met het vrijgeven van informatie over de inzet van de eigen gevechtsvliegtuigen, in tegenstelling tot de meeste andere landen uit de Coalitie. De minister weigerde dan ook te bevestigen dat Nederland de aanval op Hawija had uitgevoerd, hoewel dat volgens de nos en NRC vaststaat.

Het is een bekende reflex van de Nederlandse regering, geheimzinnig doen over de feiten om verantwoordelijkheid voor oorlogsdaden te kunnen ontwijken. Zo ging het na de standrechtelijke executies in Rawagede (1947), na het debacle in Srebrenica (1995) en opnieuw na het gewapend binnenvallen van een ziekenhuis in Tarin Kowt (2009). In eerste instantie lijkt die reflex te zijn ingegeven door de benepen angst te moeten betalen. De post ‘schadeloosstellingen’ zou echter vele malen kleiner zijn dan de financiële kosten van de militaire inzet an sich, omdat sinds het einde van de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog de misstappen incidenten zijn.

Nederland voert al eeuwenlang oorlog zonder daarvoor te willen uitkomen

Het gaat dan ook om iets minder profaans: om schaamte en onvermogen, voortkomend uit culturele kortsluiting. Zoals zoveel westerse landen had (en heeft) ook Nederland martiale trekjes, maar bij ons mogen die geen ‘traditie’ heten. Nederland voert al eeuwenlang oorlog zonder daarvoor te willen uitkomen. De gewelddadige onderdrukking van het Indonesische onafhankelijkheidsstreven noemden we ‘politionele acties’; het Bosnische Srebrenica werd tot het einde toe ‘een veilig gebied’ genoemd, en we gingen niet naar Uruzgan om de Afghaanse Taliban te bestrijden, maar om het lokale bestuur en de economie ‘op te bouwen’. Onze oorlogen mogen geen oorlog zijn. Telkens weer logenstraft echter de wrede werkelijkheid van het strijdperk de wens dat de inzet van onze militairen schoon en rechtvaardig zal zijn.

Zo ook bij het bombardement van Hawija. Na de onthulling klonk verontwaardiging in de politiek, maar niet bij de krijgsmacht. Een Nederlandse F-16-vlieger meende juist dat de aanval ‘vakwerk’ was. Het hoge dodental kwam omdat Nederland een bommenfabriek van IS aanviel waar kort tevoren vier vrachtwagens vol explosieven waren binnengereden. Het is niet bekend of de Coalitie dat wist, maar, redeneerde de vlieger, zonder de aanval zouden daaruit bommen zijn vervaardigd die gebruikt konden worden voor zelfmoordaanslagen. Om die te voorkomen werd een prijs betaald. Dat is de wrede werkelijkheid van oorlog.

Eind september beloofde minister Bijleveld al te onderzoeken of meer transparantie kan worden gegeven over Nederlandse luchtacties. Het zou goed zijn als die er komt, volgens het model van andere bondgenoten. Landen als Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS, die niet weglopen voor hun martiale traditie, accepteren dat hun acties soms burgers treffen. Dan volgen onderzoek, erkenning en compensatie. Dat gaat lang niet altijd goed, maar het is veel meer dan Nederland doet.

Wie oorlog voert, maakt slachtoffers. Alleen als je dat onder ogen durft te zien, kun je je helden eren en onschuldige slachtoffers compenseren. Niet alleen omdat ze daar recht op hebben, maar ook om ze niet in de armen te drijven van de vijand. Militairen begrijpen dat. Nu de politiek nog.