Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië

Een officier uit Djokja schrijft aan zijn vrienden

Na de tweede politionele actie in Indonesië in februari 1949 - de eerste werd uitgevoerd in 1947 - plaatst De Groene een anonieme brief van een Nederlandse officier aan zijn vrienden. De schrijver in kwestie, Ko Zweeres, werd na zijn terugkeer in Nederland journalist bij het Algemeen Handelsblad.

Djokja 19 december 1948 © Nationaal Archief

Laat ik mogen te beginnen met te verklaren dat ik overtuigd ben van de noodzakelijkheid dat de Nederlandse regering op enigerlei wijze een eind maakte aan de zo langzamerhand onhoudbaar wordende toestand van vóór 19 december 1948. Tenslotte heb ik zelf tijdens mijn verblijf in Ambarawa en Salatiga gedurende enige maanden langs de zogenoemde status quo-lijn kunnen vaststellen dat er vrijwel elke nacht min of meer goed bewapende, meestal kleine benden uit het republikeinse gebied deze lijn overkwamen om de burger-bevolking te terroriseren. Want deze benden hadden het niet of slechts bij uitzondering op onze militaire posten voorzien, doch richtten hun activiteit vrijwel zonder uitzondering tegen de bevolking der kampongs. Meestal moesten de loerahs (dorpshoofden) en andere Indonesische bestuursambtenaren het ontgelden. Deze mensen werden bij tientallen, vaak op de meest wrede wijze afgemaakt, hun huizen in brand gestoken en hun bezittingen geroofd. Meestal nam men en passant nog uit andere huizen kostbaarheden, textiel, levens-middelen en geld mee, waarna haastig het republikeinse gebied werd opgezocht, waar onze troepen hen officieel niet mochten volgen. Wat niet willen zeggen dat niet enige malen acties over deze lijn door ons werden uitgevoerd, zogenaamd ter achtervolging van dergelijke benden, maar vaak toch ook uitsluitend ter opruiming van haarden van verzet.

Ook weet ik met zekerheid dat onze troepen vrijwel dagelijks van over de status quo-lijn, zelfs met automatische wapens en door geüniformeerde troepen werden beschoten als zij op hun dagelijkse patrouilles de status quo-lijn naderden, zonder deze te overschrijden. Eveneens staat wel vast dat in de republiek een zekere mate van wanbestuur heerste, die de bevolking de betrekkelijke welvaart onthield waarin zij, dankzij de vruchtbaarheid van haar gebied, zou kunnen leven, hoewel van dit wanbestuur, toen wij de republiek binnentrokken, minder duidelijke sporen aanwezig bleken te zijn dan we, op grond van de Nederlandse propaganda, hadden mogen verwachten. Persoonlijk ben ik er bovendien van overtuigd dat de republiek althans over veel te weinig intellectuelen beschikte om het in haar macht zijnde gebied behoorlijk te kunnen besturen en daar een zodanige economische exploitatie aan te geven dat een behoorlijk welvaartspeil voor de bevolking kon worden bereikt. De Indonesiërs zelf zijn hiertoe niet in staat en zullen hiervoor hulp van buitenaf nodig hebben. En ik vind het allerminst onredelijk als het in de eerste plaats de Nederlanders zouden zijn die voor het verlenen van deze hulp in aanmerking komen en daarin een redelijk bestaan vinden. Want, ondanks alle wanbeheer in het verleden en ondanks alle misdaden van deze tijd, valt het toch ook niet te ontkennen dat dit land ontzaglijk veel aan de Nederlanders te danken heeft en dat vele van onze voorouders de beste jaren van hun leven hebben gegeven aan de bevordering van de welvaart van dit land. Al geef ik onmiddellijk toe dat dit zelfden of nooit is gebeurd uit onbaatzuchtige liefde voor dit volk, maar vrijwel steeds omdat men er persoonlijk beter van dacht te worden en in korte tijd een grote welvaart en rijkdom kon verwerven.

Toen wij dan ook op 19 december (wat mijzelf betreft 20 december) de republiek binnenvielen, was ik persoonlijk voorstander van deze maatregel en was ik ervan overtuigd dat hiermee het uiteindelijke welzijn van de Indonesische bevolking zou worden bevorderd. Wel viel het mij op dat de toestand bijvoorbeeld van de akkergewassen, voor zover ik deze als leek kan beoordelen, erg meeviel. Dat er althans geen sprake was van braakliggende landen, dat de kampongs er over het algemeen heel behoorlijk uitzagen en dat de weinige mensen die wij langs de weg aantroffen (lang niet allemaal en misschien slechts bij uitzondering hartelijk ons toejuichend) er vrij doorvoed en vrij behoorlijk gekleed uitzagen. Het verzet was gering. Onze tocht naar Djokja (de eerste colonne over land) had ook door de NV Ato, Van Gend en Loos kunnen worden volbracht. Wel waren er vele wegversperringen, maar van beschietingen daarbij was geen sprake. Aan de horizon zagen we vooral gedurende de nacht verscheidene branden en ook hier en daar langs onze weg. De suikerfabriek Gondangwinangoen bij Klatern, een der grootste van Midden-Java, bleek vol met vliegtuigbommen te liggen en gereed om in de lucht te worden geblazen, wat onze snelle doorstoot nog juist wist te verhinderen.

Djokjakarta bleek slechts heel weinig beschadigd te zijn en zelfs het door ons gebombardeerde hoofdkwartier der tni was slechts zo weinig beschadigd dat het door ons als hoofdkwartier in gebruik kon worden genomen. De verovering van de stad op de voorafgaande zondag door luchtlandingstroepen had ons slechts drie gewonden gekost en, bij gebrek aan ernstige tegenstand, ook de tegenpartij weinig slachtoffers. Dat door deze luchtlandingstroepen vlak bij het vliegveld Magoewo de heer Santoso, een hoge republikeinse autoriteit, met enige vrienden die zich met een auto naar Solo wilden begeven, zonder vorm van proces werd neergeschoten, tracht men nu goed te praten, maar is ongetwijfeld waar. Dit is gebeurd door de kst (Korps Speciale Troepen), een bende uitschot dat aanvankelijk onder commando heeft gestaan van de beruchte kapitein Westerling, bijgenaamd De Turk (de man van Zuid-Celebes), wiens heengaan door soldaten en officieren van deze troepen diep wordt betreurd. Dit zijn vrijwel uitsluitend Indonesiërs en het spijt mij te moeten zeggen dat het optreden van Indonesiërs tegenover hun volksgenoten nog veel erger is dan van de Nederlandse soldaten.

Ik ben er dan ook van overtuigd dat deze misdaad (waarnaar thans een ‘onderzoek’ wordt ingesteld) inderdaad is gebeurd, zoals dit dezer dagen door ooggetuigen is beschreven. Maar evenzeer ben ik ervan overtuigd dat deze zaak de doofpot ingaat, zoals alle hier bedreven wandaden de doofpot ingaan, zelfs die van kapitein Westerling, wiens optreden trouwens door de meeste Knil-officieren onvoorwaardelijk wordt verdedigd. Reeds thans is van ‘officiële zijde’ verklaard dat Santoso gewapend was en een pistool trachtte te trekken, dat de auto niet wilde stoppen toen zij werden aangehouden, enzovoort enzovoort. Bovendien stond in dit berichtje dat de beide ooggetuigen, twee Indonesische dames wier verhaal onder andere in De Nieuwsgier heeft gestaan, al dagenlang ‘zoek’ zijn. Ik hoop voor hen dat zij erin zullen slagen zoek te blijven, anders zal men hen wel weten te dwingen een heel anders luidende verklaring af te leggen. Dat is voor de ivg een koud kunstje. Deze ivg is onze Gestapo, Sicherheitsdienst, SS of welke andere schoftige Duitse organisatie je er maar voor in de plaats wilt stellen. Ik kom hier straks nog op terug.

Maar ik dwaal af. Djokja was dus vrijwel onbeschadigd en zonder verliezen in onze handen gevallen. Wat er eventueel aan republikeinse troepen had gezeten, heeft kans gezien uit te wijken of onder te duiken. Van een capitulatie op grote schaal was geen sprake. Hiermee was de eerste fase afgelopen. Nu begon de onderneming van het burgerlijke bestuur, de ‘zuivering’ in politiek opzicht en de zuivering van de wijde omtrek van de stad van benden.

Laten we beginnen met de overneming van het burgerlijke bestuur. Natuurlijk beschikte de republiek over een zeer uitgebreid bestuursapparaat. Er waren alle mogelijke ministeries en bureaus, wel wat erg veel, dacht ik de eerste dagen, maar als ik nu zie dat de nieuwe bestuurders al bureauruimte tekort komen, begin ik het te betwijfelen.

Mijns inziens had het nu voor de hand gelegen dat de republikeinse departementen waren blijven doorwerken onder hun eigen leiders, met uitzondering van diegenen die beslist als misdadigers zouden moeten worden aangemerkt. Een handicap was daarbij natuurlijk dat de ministers waren gearresteerd en weldra weggevoerd, maar het wil me voorkomen dat ministers normaliter de meest misbare mensen van hun departementen zijn.

Met onze colonne was echter een vrij grote groep civiele autoriteiten (Nederlanders of Indo’s) meegekomen, die onmiddellijk begonnen met eigen bureaus in te richten. Wie van de republikeinse ambtenaren mee wilde doen, kon in dienst komen, maar deze lieden waren de baas. Terwijl volgens mij de republikeinen hadden moeten doordraaien en de Nederlandse ambtenaren alleen als mentors en adviseurs hadden mogen optreden. Dat vele van de republikeinse ambtenaren het dan ook vertikken om mee te doen, vind ik zeer begrijpelijk en te billijken.

Overigens heeft men een aardig middeltje om te trachten deze mensen te dwingen. De voedselpositie van Djokja was namelijk vrij precair. Weliswaar heerste er beslist geen hongersnood en liepen de meeste mensen vrij behoorlijk gekleed, waren de ziekenhuizen bijvoorbeeld uitstekend beheerd, al hadden deze te kampen met tekort aan medicijnen en textiel, maar niettemin was er helemaal geen voedselvoorraad. De bevolking leefde van wat er dagelijks uit de omliggende kampongs naar de passars werd aangevoerd. Een overigens vrij normale gang van zaken in dit land.

Deze toevoer van buitenaf stond echter, zodra wij de stad hadden genomen, onmiddellijk stop. De rondzwervende republikeinse troepen beletten de kampongbewoners naar de stad te komen en Djokja zat dus zonder voedsel.

Onmiddellijk werd door ons begonnen met de aanvoer en distributie van rijst. Dat laatste geschiedde echter alleen aan mensen die werkten. En nog. Dit lijkt wel erg aardig en is zelfs in overeenstemming met het bijbelwoord: ‘Wie niet werkt zal niet eten’, maar de situatie is zo dat vele mensen die wel zouden willen werken, hiertoe niet de gelegenheid krijgen en dit niet durven te doen. In het laatste geval omdat zij dan van collaboratie worden beschuldigd en de lang niet denkbeeldige kans lopen ’s nachts door jonge republikeinen te worden afgemaakt. Bovendien zijn er echter natuurlijk ook heel wat lieden die zijn ‘ondergedoken’ en er uit politieke overwegingen in elk geval niets voor voelen om op de door Nederlanders ingerichte bureaus onder Nederlandse leiding te komen werken.

Weliswaar zijn er onder die nieuwe bewindvoerders heel wat die ook een bruine huid hebben en met wie graag door de lieden die het hier voor het zeggen hebben wordt geschermd, maar je moet dit land kennen om te weten wat dit wil zeggen. Dit zijn namelijk in negen van de tien gevallen halfbloeden, lieden met een Nederlandse vader of moeder en een Javaanse, althans Indonesische moeder, respectievelijk vader, en dat wil dan altijd zeggen dat deze lieden Nederlandser trachten te zijn dan de Nederlanders, een hartgrondige afkeer hebben van alles wat Indonesiër is en de ergste inlanderstrappers zijn van alles wat hier rondloopt. Zo langzamerhand kan ik dergelijke lieden nauwelijks meer zien. Er zijn er verscheidene onder de Knil-officieren en dat zijn dan over het algemeen de lieden die met grote hartstocht en overtuiging de stelling verdedigen dat als er bijvoorbeeld uit een kampong op je geschoten wordt, deze kampong aan vier kanten in brand dient te worden gestoken voor de bevolking de kans heeft gekregen eruit te vluchten. En wat er dan toch nog uit probeert te vluchten, omdat het in een brandende kampong nu eenmaal niet zo plezierig is, knal je dan met een mitrailleur neer, waarbij je er bij voorkeur niet op let of er soms vrouwen en kinderen onder zijn. (Wie durft er in dit verband nog aan Putten te denken?)

Onderduikers en lieden die om principiële redenen niet onder de Nederlandse bestuursambtenaren wensen te werken, krijgen dus geen distributie, moeten zien dat ze hun kostje op de zwarte markt opscharrelen, wat, zoals sommigen van ons zich misschien nog wel herinneren, nogal kostbaar is. Teneinde deze lieden te helpen, hebben enige lieden kans gezien om uit het gebouw van het republikeinse ministerie van Oorlog een bedrag van ongeveer zes miljoen gulden aan republikeins geld weg te halen. Tegen deze lieden wordt thans een vervolging ingesteld, waaraan uiteraard geen Indonesiër te pas komt. Vermoedelijk zelfs niet als verdediger. Want in dit geval zal er vermoedelijk nog wel een soort rechtszaak volgen. Overigens dringt zich bij mij, vermoedelijk ten onrechte, onweerstaanbaar een herinnering op aan overvallen op gemeentehuizen en distributiekantoren, in een tijd die nog niet zo heel erg ver achter ons ligt.

Doch, zoals gezegd, men zal ongetwijfeld trachten hieraan een schijn van rechtvaardigheid te geven. Maar wat te denken van een groep lieden die zijn gepakt nadat zij een Indonesiër die met ons samenwerkte op werkelijk heel onplezierige wijze naar de andere wereld hadden geholpen, doch van wie er geen enkele een gevangenis of rechter heeft gezien? Ik meen me te herinneren dat er zelfs tegen hen die de beruchte generaal Seyffart uit de weg ruimden, nog een soort proces is gevoerd. Deze lieden zijn echter na een verhoor, waarvan ik op goede gronden ook het mijne denk, eenvoudig met een nekschot afgemaakt en onder de grond gestopt.

Hou me ten goede: ik wil helemaal niet verdedigen dat aanhangers van de republiek maar het recht zouden hebben om iedere volksgenoot die met ons samenwerkt van kant te maken. Maar ik wens toch wel dat indien dergelijke dingen gebeuren en de daders worden gepakt, er een soort rechtsgeding volgt, waarin deze lieden in het openbaar en vrijelijk de gelegenheid krijgen zich te verdedigen tegen de tegen hen ingebrachte beschuldiging. Dit wens ik niet aan een half ontwikkelde fanaticus met een bruine huid over te laten, die een of andere functie in onze ivg bekleedt.

Trouwens, ik kan het evenmin bewonderen dat als men een Indonesische intellectueel, al dan niet terecht onder verdenking van oorlogsmisdaden, in de gevangenis opsluit, men zijn Europese vrouw met wie hij nota bene al dertien jaar getrouwd is (dus lang voordat er een Indonesisch probleem bestond) als een soort moffenhoer behandelt en haar niet alleen weigert hem wat kleding en toiletgerei toe te sturen. En evenmin kan ik het bewonderen dat als de blanke vrouwen van Indonesiërs als een soort uitvaagsel worden behandeld, de lichamelijk zeer aantrekkelijke vriendinnetjes van republikeinse machthebbers die nog steeds voortvluchtig zijn, baantjes bij onze ivg krijgen en tot vriendinnetje (in de meest ongunstige betekenis van dit woord) van onze ivg-officieren worden gepromoveerd. Om maar eens iets te noemen.

Ik had het zo pas al even over het republikeinse geld. Dat de lieden van de ivg dit bij tienduizenden guldens uitgeven, mag natuurlijk geen naam hebben. Officieel is het waardeloos. Men is zelfs niet van plan om er een inwisselkoers voor vast te stellen. Maar wel tracht men het op een bepaalde koers te fixeren, zolang men meent hier nog voordeel van te kunnen hebben. De grote moei-lijkheid met dit burgerlijke bestuur is dat het wordt gevoerd door lieden die hier voor de oorlog ook als bestuursambtenaar of planter hebben gewerkt. En die de Indonesiër nog altijd zien als iemand die in een klapperpalm klimt om een kokosnoot voor je te plukken als je in je handen klapt, en die elke blanke als een soort halfgod dient te beschouwen. Het is natuurlijk erg spijtig voor deze lieden dat er de laatste tientallen jaren steeds meer Indonesiërs komen die door hun beschaving en verworven schoolkennis daartegen enig innerlijk verzet voelen.

Tot slot van deze misschien wat verwarde passage over het bestuur en de politieke zuivering nog even dit: het huis waarin ik dit verhaal zit te tikken en waarin ik nu ruim een maand een kamer bewoon, is gebouwd onder de republiek en werd bewoond door de minister van Onderwijs. Deze zit ergens op Banka en zijn gezin is eruit geknikkerd, zit vermoedelijk in een kampong. Dit voor een minister gebouwde huis heeft een zit- en eetkamer, met vier aangrenzende vertrekken, een wc en een badkamer en verder de in dit land gebruikelijke bijgebouwen voor bedienden. Alles zeer sober uitgevoerd, zo mogelijk nog soberder gemeubileerd, en ik wil de Nederlandse minister nog zien die met een dergelijke behuizing genoegen zou nemen, laat staan deze voor zich zou laten bouwen en inrichten. Trouwens, ook het paleis van Soekarno, waaraan ik een vluchtig bezoek bracht, is zeer spaarzaam en bescheiden gemeubileerd. De enige overdaad zijn de wat erg vele schilderijen, waarvan er echter vrij veel tot zijn persoonlijke bezittingen behoren!

Maar laten we ten slotte nog even de militaire zuiveringen van de omstreken van Djokja onder de loupe nemen. Natuurlijk konden deze niet zonder bloedvergieten verlopen. Ons hebben zij inmiddels reeds ruim veertig man gekost, plus vele gewonden, waarvan velen het slachtoffer werden van mijnen op de wegen.

Aan republikeinse zijde zijn heel wat meer slachtoffers gevallen. Zelfs in ons gebied aanzienlijk meer dan voor de totale acties is opgegeven! Dit vindt voor een deel zijn oorzaak hierin dat een deel van de troepen opdracht heeft zo weinig mogelijk gebruik te maken van de vuurwapens en (natuurlijk officieus) om geen gevangenen te maken. In de gevechtsrapporten kom je dan zinnetjes tegen als: bij de telefooncentrale werden twee man slapend aangetroffen, die met slag- en stootwapenen werden afgemaakt. Ik heb er persoonlijk bijgestaan dat een van onze hoofdofficieren, die vermoedelijk de Willemsorde zal krijgen voor de bezetting van Djokja, zich er tegenover generaal Spoor lachend op beroemde dat een van onze groepen een troep van tweehonderd slapende tni’ers had aangetroffen, die met de bajonet aan de baleh-baleh werden geprikt! Dat vonden ze allebei prachtig! Maar als er een andere keer een tni-kapitein onder zijn bed wordt aangetroffen (wat natuurlijk ook niet erg dapper is) en bij sommatie om er onderuit te komen zijn pistool trekt en een vent in de heup schiet, schreeuwen ze hier moord en brand. Ik kan me echter levendig voorstellen dat als je weet dat je er toch aan gaat, je graag nog een paar tegenstanders buiten gevecht tracht te stellen.

Ander voorbeeld: een carrier loopt op een mijn, waarbij een der officieren (een aardige jongen die ik kende) wordt gedood. Onmiddellijk trekt men hierop af en de mannen van drie kampongs worden bij elkaar gezet en hun wordt medegedeeld dat als ze niet binnen een half uur zeggen wie de mijn heeft gelegd, hun kampongs zullen worden platgebrand. Misschien weten de stumpers het niet, in elk geval zwijgen ze maar, omdat de Nederlandse officier die hier het commando voert nu eenmaal erg humaan is, worden de drie kampongs maar half afgebrand. (Wie durft er nog te lachten om Fulriede die zegt dat hij Putten eigenlijk heeft gespaard?)

Wanneer er een kampong wordt gezuiverd, is het gebruikelijk dat op iedereen die wegloopt, wordt geschoten. En onze soldaten plegen vrij zuiver te schieten! Het militaire succes van een dergelijke actie wordt altijd afgemeten, niet naar het aantal tegenstanders dat wordt neergelegd – dat zegt niets – maar naar het aantal wapenen dat wordt buitgemaakt. Want dan ben je er zeker van dat je met werkelijke troepen te maken hebt gehad. In het aantal doden is altijd met vrij grote zekerheid een vrij groot aantal onschuldige boeren begrepen.

Nu weet ik wel dat wij met tegenstanders te maken hebben die zich ook niet aan de regels van het ‘spel’ houden. Onze soldaten die levend in handen van de tegenstander vallen, kunnen er zeker van zijn op een heel wat onplezieriger wijze aan hun einde te komen dan met een bajonetprik. En inderdaad is het verdomd vervelend dat zodra zo’n snuiter het beetje uniform dat hij pleegt te dragen, uittrekt en bij zijn geweer – als hij dat heeft – in een bosje legt en vervolgens op een sawah gaat staan patjollen je hem onmogelijk als soldaat kunt herkennen, terwijl hij toch morgen weer zal trachten je de lamp uit te blazen.

Evenmin zou ik het eventueel ontoelaatbaar vinden dat een vent die wordt betrapt bij het leggen van mijnen op een onzer verbindingswegen, standrechtelijk ter dood wordt veroordeeld. Al ben ik dan tegenstander van de doodstraf. Maar dat zo’n knaap dusdanig wordt behandeld dat een aantal officieren die er getuige van zijn, zich ’s avonds gaan zitten bezatten om de herinnering kwijt te raken, is toch wel bar. Trouwens, hoewel we hier al meer dan een maand zitten en er staat van beleg is, heb ik nog steeds niets gehoord over de inrichting van standrechtbanken ter berechting van oorlogsmisdadigers.

Zo zou ik nog een hele poos kunnen doorgaan, maar het is al laat en morgen weer vroeg dag. Bovendien moet ik om de nachtrust van mijn medebewoners denken. Daarom wil ik het hierbij laten.

Alleen wou ik nog dit zeggen: uiteindelijk zal hier natuurlijk een toestand ontstaan waarbij de bevolking er economisch beter aan toe zal zijn dan voordat wij kwamen. Er zal een soort regering worden gevormd, bestaande uit overwegend marionetten en ogendienaren van de Nederlanders, er zal een negara Midden-Java worden gevormd en de Veiligheidsraad zal op de een of andere wijze tevreden worden gesteld. Misschien of eigenlijk zeker zullen de Indone-siërs voor verreweg de meerderheid beter af zijn dan tijdens de republiek, waarin ook veel willekeur heerste. Maar dit alles zal tot stand zijn gekomen na een zee van ellende en onrecht, en recht zal er voor deze mensen nooit te verkrijgen zijn.

Ik ben niet de enige die een steeds grotere bewondering krijgt voor de correcte en beheerste wijze waarop de Duitse bezetters (klaarblijkelijk doelt de schrijver op het leger – red.) in ons land zijn opgetreden in vergelijking met wat hier gebeurt. Waarom we er dan niet het bijltje bij neergooien? Och dat gaat immers niet. Daar krijgen we immers de kans niet toe. Dat zou de militaire terreur immers niet toestaan.

Er zijn alweer verscheidene dagen verlopen sinds ik dit verhaal begon. Dagen waarin ik de moed en de kracht miste het te voltooien, omdat de geestelijke spanning waarin ik gedoemd ben te leven, mij verlamt. Dagen ook waarin weer nieuwe feiten naar voren zijn gekomen die vermelding eisen. Daar is in de eerste plaats de aanvulling op het verhaal van de Indonesiër die werd gearresteerd onder verdenking van het leggen van landmijnen en toen dusdanig is mishandeld dat officieren die hiervan getuige waren, zich ’s avonds gingen zitten bedrinken. Ik meende, toen ik dit hiervoor schreef, dat de man op heterdaad was betrapt. Dit blijkt evenwel allerminst het geval te zijn geweest. Integendeel. Men had van een zekere … gehoord dat de vent het had gedaan en begon toen maar vast hem te mishandelen. Toen de man hardnekkig volhield, werd de vermeende zegsman nog eens aan de tand gevoeld. Deze zei haastig, o, maar ik heb het van Pietje. En Pietje wist uiteraard van niets. Nu wordt het slachtoffer zeer zorgvuldig verpleegd en verwend om het goed te maken. Want de officieren van het bataljon waar dit geval zich afspeelde, zijn, ik spot heus niet, zeer humane lieden.

Een ander geval: zondagmorgen ziet een van onze jonge officieren drie jongelui lopen die hem verdacht voorkomen. Hij stopt zijn jeep, roept hen toe te blijven staan en loopt op hen af met de bedoeling de tassen die ze dragen te doorzoeken. Er vallen schoten en de officier valt dodelijk getroffen neer. Er vallen uiteraard meer schoten en twee jonge Indonesiërs worden ter plaatse gedood, de derde (die achteraf de dader blijkt te zijn) wordt zwaar gewond gearresteerd. Op zichzelf een vrij normaal gebeuren in bezet gebied. Dat de jongen schoot toen hij meende er in gelopen te zijn, spreekt vanzelf. Immers, de verordening waarin het bezit van wapenen wordt verboden, spreekt weliswaar slechts van de mogelijkheid van de doodstraf, maar in de praktijk wordt ieder die in het bezit van vuurwapenen wordt aangetroffen, zonder vorm van proces gedood.

Zelfs hiertegen zou ik misschien nog geen ernstige bezwaren hebben (zij het dan dat ik in elk geval een standrechtelijk vonnis zou willen zien), maar wel ben ik ertegen in verzet gekomen dat de beide Indonesiërs die ’s ochtends omstreeks half twaalf werden gedood, ’s avonds omstreeks zeven uur pas mochten worden begraven en heel de dag midden op straat hebben gelegen.

Als afschrikwekkend voorbeeld? Zelfs dat zou een moffenmethode zijn, maar welke Indonesiër die hier passeerde, heeft de oorzaak van hun dood geweten? Het was hier immers niet mogelijk om, zoals enige weken geleden in Kartasoera gebeurde, waar een rampokker (plunderaar) werd neergelegd, er een simpel bord met ‘orang rampok’ erop, bij te plaatsen. Neen, de lijken lagen daar zonder meer en wie passeerde heeft wellicht gedacht dat een van die wonderlijke orang blanda’s een nieuw pistool had gekregen, dat hij eens wilde proberen.

Zoals ik reeds begon te zeggen: ik ben niet de enige, in wiens hart deze dingen afschuw wekken, wiens geweten knaagt omdat wij er, zij het direct of indirect, mede schuldig aan zijn. Maar nogmaals, wat kunnen wij persoonlijk hiertegen doen? Ik gebruikte het woord militaire terreur, die ons onmogelijk zou maken, hiertegen in verzet te komen. Dat lijkt een groot woord, maar er is een militaire terreur. Als ik, zoals ik heb overwogen, op grond van genoemde en vele andere feitsen aan H.M. de Koningin mijn ontslag craag of verzoek althans naar Nederland te worden overgeplaatst, zijn er vele mogelijkheden. Ik moge er een paar noemen: 1. Het request wordt in een dusdanig tempo behandeld, dat ik al weer lang in het vaderland terug ben (over een jaar of twee) vóór ik bericht krijg dat het is afgewezen of ingewilligd. Dit tempo zou trouwens zo weinig van het normale afwijken, dat er niet eens tegen kan worden geprotesteerd. 2. Ik word, zodra dit request ter kennis van mijn rechtstreekse commandant komt, zodanig genegerd en getreiterd, dat ik het haastiglijk intrek. De mogelijkheden hiertoe zijn vele en velerlei. 3. Men begint een onderzoek naar de hier door mij vermelde feiten, op grond van het feit, dat zij een zekere beschuldiging tegen allerlei lieden inhouden.

Dan beginnen eindeloze verhoren (gedurende welke ik in arrest zit en geen salaris ontvang) waarbij zal blijken dat allerlei lieden zullen aanzien de door mij vermelde feitsen te bevestigen. Mijn brave vriend de majoor, die hier met mij woonde en die, sinds ik deze brief begon, alweer tot kapitein is teruggezet omdat hij, al vóór de actie, had verzocht van zijn zuiver militaire commando te worden ontheven, omdat hij er zich niet geschikt voor achtte, gaf schuchter en aarzelend toe, dat ook hij, onder de verhoudingen, waarin wij leven, vermoedelijk de door mij vermelde feiten niet voluit zou durven bevestigen, hoewel hij het in grote lijnen volkomen met mij eens is. 4. Ik word door een psychiater officieel voor geschift verklaard en haastiglijk naar het vaderland teruggevoerd omdat de hele zaak zo ‘pijnlijk’ is.

Denk niet, dat dit alles zwaar overdreven is. Integendeel! Denk ook niet, dat er misdadigheid achter schuilt bij de betrokkenen. Integendeel. Er zijn bij de lieden, wier handelingen ik heb gewraakt, velen, die de innerlijke overtuiging hebben, dat dit de enige wijze is, waarop de belangen van het Indonesische en Nederlandse volk (met een vrij sterke nadruk op die van het Nederlandse) kunnen worden gediend.

Zelfs mijn goede vriend de dominee (sinds de majoor is vertrokken vrijwel de enige met wie ik nog geestelijk contact heb en niet eens omdat hij dominee is), die het eveneens in grote lijnen met mij eens is, is anderzijds van mening, dat het doel de middelen heiligt. Alsof ooit misdaden door het doel kunnen worden geheiligd. Waarbij dan nog het doel, door de lieden die het hier nu voor het zeggen hebben, zo sterk wordt verschoven in de richting van hun belangen. Misschien heb ik mij wat kras uitgedrukt. Ik kan mij voorstellen, dat er middelen zijn die door een zeer hoog doel worden geheiligd. Ik kan mij voorstellen dat de mensonterende bombardementen van Duitse steden als Dresden gerechtvaardigd worden door de noodzaak, Europa van het nazi-dom te bevrijden. Maar in dit geval was er toch bovendien sprake van een vrij sterke mate van schuld bij de bewoners dier steden, van een zeer klemmend doel en van een zeer dringende noodzaak. Al geven de kranten die de luchtpost nu weer brengt mij niet eens de geruststellende zekerheid, dat het hoge doel: verwezelijking van de vier vrijheden van het Atlantic Charter, werd bereikt door deze bevrijding van Europa tot elke prijs.

Hier evenwel is niet of nauwelijks sprake van schuld bij de slachtoffers. Is er sprake van een doel, dat vermoedelijk slechts ten dele zal worden verwezenlijkt. Want niet het welzijn van de Indonesiërs staat bij de lagere machthebbers – die dan toch maar het gezag uitoefenen – voorop. Desnoods met negatie van de bevelen van bovenaf – zie de beperkte bewegingsvrijheid van de republikeinse leiders op Banka – gaan deze kleine machthebbers hun eigen weg, een weg, die niet rechtstreeks naar de grootst mogelijke welvaart, de zuiverste behartiging van de belangen van het Indonesische volk voert.

Er is bij die mogelijkheden, die ik zopas opnoemde, waartoe een request om ontslag of verplaatsing naar Nederland, op grond van de volkenrechtelijk vastgestelde persoonlijke verantwoordelijkheid ook van ondercommandanten, kan leiden, nog een heel belangrijke die ik heb vergeten. Een die ook mijn vriend de majoor voor de geest zweefde toen hij schuchter toegaf, dat ook hij mij wellicht in mijn hemd zou lateen staan: de majoor is inspecteur van de politie, overheidsdienaar dus. Ikzelf ben spoorwegambtenaar, overheidsdienaar dus. En het is zo heel eenvoudig om ons onmogelijk te maken. Het zou zo heel eenvoudig zijn om onze beweegredenen te vertroebelen, ons allerlei dingen in de schoenen te schuiven die ons, zelfs in het openbaar, voorgoed onmogelijk zouden maken. En er komt na deze tijd ook, naar wij hopen, een waarin wij het burgerpak weer zullen mogen dragen en een wat ruimere mate van althans geestelijke vrijheid zullen mogen genieten.

Laf? Accoord! Maar martelaren zijn zeldzaam. Zelfs Erasmus, een onzer grootste landgenoten, deinsde terug voor het martelaarschap. Wel, ik ben geen Erasmus, ik ben slechts een klein mannetje, dat gemakkelijker kan worden vermoord door de in dit geval militaire guerilla. En ook ik deins terug voor het martelaarschap. Met een bezwaard hart. Met een schuldgevoel beladen geweten. Met een door schuldgevoel geknakte energie en straks wellicht beschadigde psyche.

Doch ware het mogelijk – hiervan ben ik diep overtuigd – dat er een oproep werd gedaan tot die officieren (en ook onderofficieren en soldaten), wier geweten in opstand komt tegen veel van wat hier geschiedt, om daarvan blijk te geven zonder dat zij de dupe zouden worden van het hele machtsapparaat dat tegen de enkeling kan worden gekeerd, dan zouden we bijvalsbetuigingen vn alle kanten komen en een overstelpend bewijs vormen van hetgeen ik hierboven he gepoogd uiteen te zetten.

En nu kan men trachten door verdachtmaking en misleiding het werk van de leden der C.G.D. of in een kwaad licht te stellen, of belachelijk te maken dan wel vrijwel onmogelijk, het geeft toch te denken dat ook van die velen, onder wie ik oppervlakkige lieden, maar ook zeer ernstige goedwillende mannen heb leren kennen, de meesten het Nederlandse standpunt, zoals dit hier wordt uitgelegd, niet kunnen delen. Of zouden toch heus al die burgerlijke berstuursambtenaartjes en militaire commandantjes het allen bij het rechte eind hebben en al deze buitenlandse, min of meer neutrale mensen er niets van snappen?

Maar wat dan te denken als de Amerikaanse vertegenwoordiger hier, die de moeite heeft genomen om Maleis te leren, die de moeite heeft genomen om wat er van Snouck Hurgronje in het Engels is verschenen te lezen, die een warme belangstelling voor land en volk heeft, vrij vijandig tegenover ons standpunt staat, terwijl de Franse vertegenwoordiger, die zich uitsluitend interesseert voor de mogelijkheden tot het spelen van een partijtje tennis, opmerkt: sla ze maar op hun smoel, dat doen wij in Indochina ook?

En dan moge mijn zeer goede vriend André, aan wie deze brief met doorslagen eveneens is gericht, en aan wiens eerlijkheid en zuiverheid van bedoelingen ik geen seconde twijfel, zeggen: later, als je afstand zult hebben kunnen nemen, als het doel verwezelijkt is, dan zul je dit alles zuiverder kunnen zien, dan zul je zeggen: er is toch iets groots verricht, dan zul je blij zijn er bij te zijn geweest; maar dan vrees ik toch hem te moeten antwoorden: zelfs het prachtigste eindresultaat zal alle onrecht, dat hier geschiedt, niet kunnen goedmaken; tot in lengte van dagen zal de medeverantwoordelijkheid op mij blijven rusten, zal ik mede de schuld dragen voor wat hier gebeurde; zal ik de beginregel in mijn hoofd horen hameren van misschien het prachtigste sonnet, dat in onze taal werd geschreven: Revius’: ‘t En zijn de Joden niet, Heer Jesu die U kruisten!

Sommigen van u tot wie deze brief is gericht, heb ik voorheen geschreven als zij schampten op de artikelen van Piet Bakker in Elsevier: ‘Je weer niet wat hier gebeurt. Je kent de toestanden en verhoudingen niet. Wat Bakker schrijft is vrijwel woord voor woord waar.’ Deze laatste zin zou ik ook thans nog kunnen handhaven. Maar ik moet er aan toevoegen: het is de gevaarlijke halve waarheid van Goebbels, het is slechts het belichten van een van de kanten van dit alles, zonder misschien opzet, maar met een heel ernstig gevolg. Vriend Hein heeft mij gewaarschuwd tegen de ‘door en door verpeste atmosfeer’ en ik heb er om geglimlacht. Ik meende dat ik daar wel niet in zou trappen. En toch ben ik er, bijna, ingetrapt. Ook ik heb de noozaak van deze actie erkend, en ben, op eigen dringend verzoek, meegegaan.

Was dit niet gebeurd, dan zat ik hier nu inmiddels toch reeds. En trouwens, ik heb, Goddank, tot nu toe mijn handen niet hoeven bezoedelen. Maar de opdracht kan elke dag komen. En dan zal ik toch moeten kiezen: of ik martelaar wil zijn, of mijzelf mijn hele verdere leven verachten. De keuze zal zwaar zijn, maar zij is reeds vrijwel gedaan, en ik geloof, dat ik sterk genoeg zal zijn om dan een non possumus te kunnen uiten, met alle gevolgen van dien.