Kunst: In het spoor van Hansken

Eén olifant

Rembrandt, Hansken, 1637. Zwart krijt © Wenen, Albertina / Het Rembrandthuis

Tot de leukste onderwerpen van studie naar de zeventiende eeuw behoort het opduiken van rare vogels en andere exotische fauna in de nog beperkte belevingswereld van de gewone Nederlander; het Rembrandthuis wijdt er een alleraardigste tentoonstelling aan. De wijde wereld zat althans in de verbeelding nog vol draken, reuzeninktvissen en zeemeerlieden, en de wetenschap had lang niet overal een antwoord op. Al deed men wel zijn best: de arts Nicolaes Tulp maakte er in zijn Medische observaties bijvoorbeeld een punt van dat de eenhoorn-hoorn, die in zijn tijd tot poeder gemalen als wondermiddel te koop werd aangeboden, ‘gewoon’ van de narwal afkomstig was, ‘welk beuzelagtig verdigtsel ik waarlyk niet langer kan door de vingeren zien, maar ik schaam my dat de wereld zoo lang bedrogen is’. Je moest in dat soort dingen op je eigen waarneming afgaan, niet op fabeltjes.

Zo is er een schilderij van Jan Asselijn (waarmee een Amsterdamse kunsthandelaar een bevriende kunsthistoricus zou hebben geflest), met een volledige kameel, zomaar, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. Asselijn woonde een tijd in Rome, Lyon en Parijs, voor hij naar Amsterdam terugkeerde, en de vraag rijst waar hij in vredesnaam zo’n kameel gezien zou kunnen hebben. In de Republiek? In Amsterdam? Dat kon best, op de kermis, in de menagerie van een hoogadellijk figuur als de stadhouder Frederik Hendrik, of in die van horeca-exploitanten als Blaauw Jan, die naar verluidt een koningsgier bezat, een kasuaris, struisvogels, luipaarden, apen en een stekelvarken. Er moet een kameel in Amsterdam zijn geweest, want Rembrandt tekende er een, live.

Het toppunt van exotische fauna (bij het ontbreken van de eenhoorn) was de olifant, zowel voor de belangstellende burgerman als voor de kunstenaar, die voor zijn historiestukken soms zo’n dier nodig had. Ferdinand Bol moest bijvoorbeeld een olifant opnemen in zijn enorme Fabritius en Pyrrhus in het Stadhuis, omdat de legende wilde dat Fabritius, de standvastige generaal, zich niet door ‘elefants gebries’ had laten imponeren. Net zo voegde Rembrandt een olifant toe aan zijn ets van Adam en Eva in het Paradijs.

Dankzij het meesterlijk uitzoekwerk van Michiel Roscam Abbing weten wij exact wie die olifant was, hoe ze heette (Hansken), hoe ze van Ceylon via Batavia naar Europa kwam en het hele continent doorreisde, tot aan Florence (waar ze overleed), en wanneer Rembrandt haar gezien moet hebben. Ze was in de zomer van 1633 voor het eerst in Amsterdam (Rembrandt zat toen net even in Friesland, voor de verloving met Saskia); in 1637 was ze er weer, toen tekende Rembrandt haar, en vier jaar later nog eens.

Voor het grotere publiek was ze een attractie. Ze kon verbazingwekkende kunstjes: Caspar van Baerle was erbij, in 1641, toen Hansken in de circustent op de Botermarkt in Amsterdam in het publiek een zakkenroller aanwees. Van Baerle stond paf – ‘dit is waar’, schreef hij, want hij had het zelf waargenomen. Zelfs de eminente docent aan het Athenaeum kon niet bedenken dat je een olifant trucjes kon leren. De miraculeuze onthulling van de gauwdief stond ook de volgende dag weer op het programma.


Rembrandts olifant: In het spoor van Hansken. Vanaf 5 juni in het Rembrandthuis, Amsterdam. elephanthansken.com, rembrandthuis.nl