Een olifant doet de hoochie-coochie

Het debuut van Thomas Wolfe barst uit elkaar van de bombast. De tekst is even blinkend als betekenisloos, het is allemaal even heerlijk en even hol. Wolfe kan geweldig een schrijver nadoen.

Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief en ontvang iedere ochtend het beste uit De Groene in je mailbox

Er is een nieuwe Nederlandse vertaling van Look Homeward, Angel: A Story of the Buried Life (1929) verschenen, het debuut van Thomas Wolfe (1900-1938), en dat is nogal een gebeurtenis. Wolfe’s romans zijn namelijk nauwelijks in het Nederlands vertaald, terwijl hij toch een van die grote Amerikaanse namen van het interbellum is, een gloedvolle generatiegenoot van schrijvers als F. Scott Fitzgerald, William Faulkner en Ernest Hemingway. In 1935 is Look Homeward, Angel eerder als Het leven schroeit gepubliceerd (vertaling: J.P. Maschmeijer-Buekers). In de recente vertaling van Sjaak Commandeur is het Daal neder, engel: Over het bedolven leven geworden. Twee vertalingen van hetzelfde boek met ruim tachtig jaar ertussen, heel veel meer heeft Wolfe in ons taalgebied nog niet bereikt.

Small gettyimages 541070163

Hoewel Wolfe’s literaire reputatie niet zo evenwichtig is gebleken als die van eerder genoemde collega’s is hij wel altijd een mythische figuur gebleven, de boomlange, megalomane auteur met epische ambities en schrijflust, die zijn manuscripten in hoge dozen aanleverde en niet tevreden was voordat hij het volle leven in al z’n hoedanigheden beschreven had. Een cruciaal deel van Wolfe’s literaire biografie wordt door zijn belangrijkste redacteur ingenomen, de fameuze Max Perkins, tevens redacteur van Fitzgerald en Hemingway. Er is zelfs een speelfilm over Wolfe en Perkins gemaakt, over hun vermeende vader-zoonrelatie en uiteindelijke falling-out, het teleurstellende Genius (2016). Jude Law, koppen kleiner en vele jaren te oud, speelt Wolfe als het hardnekkige cliché, dat van de zweterige, rabelaisiaanse schrijver, overenthousiast en gedoemd.

Zowel in de film als in de werkelijkheid stond de puritein Max Perkins in opzichtig contrast met Wolfe. Nadat Wolfe’s debuut, het heette toen nog O Lost, al door meerdere uitgevers was afgewezen, belandde het op Perkins’ bureau. Een lijvig typoscript, zo’n 294.000 woorden uitwaaierend autobiografisch proza. De redacteur onderkende vrijwel onmiddellijk Wolfe’s talent, maar twijfelde of hij al een roman voor zich had liggen. Perkins, behoedzaam en sluw, wist Wolfe tot enige matigheid en focus te overtuigen. Zo’n zeventigduizend woorden (de lengte van een keurige roman) verdwenen na ingrijpend overleg uit de oorspronkelijke tekst en het is deze geredigeerde versie waarop Wolfe’s literaire reputatie is gestoeld en die nu opnieuw in het Nederlands is vertaald.

Er bestaat namelijk ook een soort director’s cut van Look Homeward, Angel, verschenen in 2000, die het originele woordenaantal dicht benadert en ook de aanvankelijke titel van O Lost heeft teruggehaald. De bezorgers van die versie, waaronder de eminente Matthew J. Bruccoli, beschouwen het ongeredigeerde manuscript als een meesterwerk, Perkins’ ingrijpen was goed bedoeld maar misplaatst, Wolfe’s artistieke controle over zijn materiaal was veel dwingender dan de publicatiegeschiedenis van de roman impliceert. O Lost is een poging van Bruccoli c.s. om Wolfe uit de young adult-hoek te trekken en hem in de canon te verankeren.

Toch is het de grondig bewerkte versie die schrijvers als Jack Kerouac, Philip Roth en Hunter S. Thompson heeft aangesproken en beïnvloed. De auteur heeft altijd gelijk, ik kan dat alleen maar beamen, maar ook in de letteren roeren er meerdere lepels in de pan. Het heeft iets aantrekkelijks, het idee dat kwaadwillenden of onnozelen zuiver artistiek werk verminken, iets romantisch bovendien, het verlangen naar de authentieke, autonome uiting van een kunstenaar. Raymond Carver is nog zo’n auteur wiens oeuvre is bepaald door geducht redactiewerk. Daar was Gordon Lish de ‘schuldige’, het is zijn knip-, plak- en zelfs schrijfwerk dat verhalen heeft opgeleverd die lezers hebben geraakt en nieuwe generaties schrijvers hebben aangevuurd, latere uitgaven met de ‘originele’ teksten veranderen daar weinig aan.

Terug naar Wolfe en naar wat er werkelijk in zijn debuut staat. Dit zijn alinea twee en drie van Daal neder, engel:

Het is geen wonder dat Jack Kerouac een fan was, een auteur in wiens werk niemand werkelijk volwassen wordt

‘Ieder van ons is de uitkomst van alle optelsommen die hij niet heeft gemaakt; herleid ons weer tot naaktheid en nacht en je zult in het Kreta van vierduizend jaar geleden de liefde zien bloeien die gisteren is geëindigd in Texas.

Het zaad van onze ondergang zal bloeien in de woestijn, de alexine van onze genezing groeit naast een bergrots en er spookt ons een slons uit Georgia door het hoofd omdat in Londen een beurzensnijder onopgehangen is gebleven. Elk moment is de vrucht van veertigduizend jaar. De minuten winnende dagen zoemen als vliegen huiswaarts naar de dood, en elk moment is een venster op heel de tijd.’

Op de eerste bladzij van een roman is dit grof geschut, een grote greep die ieder van ons met alle geschiedenis probeert te verenigen, Amerika met de oudheid, die liefde, ondergang, tijd en toeval inzet. Dit is bombastisch en grandioos schrijven en daardoor een glorieuze mislukking, want de tekst is even blinkend als betekenisloos, het is allemaal even heerlijk en even hol. Wolfe kan geweldig een schrijver nadoen, in welluidende frasen verhult hij het triviale van zijn verhaal, de leegte van zijn inzet en inzicht. Het innerlijke leven van hoofdpersoon Eugene Gant vat Wolfe ergens zo samen: ‘Hij voelde zich zielsdiep gefnuikt, alsof hij buitengesloten was van het rijke banket des levens.’ Roken wordt beschreven als ‘de schoonheid van Vrouwe Nicotine, de hemelse verschijning die kringelend in zijn hersenen drong, haar penetrante adem achterliet in zijn jonge neusgaten, haar scherpe kus op zijn mond’. Wanneer iemand paardrijdt, klinkt dat bij Wolfe zo: ‘Met vierhoevige donder roffelde het over de sonore aarde.’ En wat te denken van het volgende aforisme: ‘Angst is een draak die leeft in menigten – en in legers – maar nauwelijks levensvatbaar is bij wie alleen zijn.’

Sjaak Commandeur, vertaler van onder anderen John Irving, T.E. Lawrence en Vladimir Nabokov, treft geen blaam, hij heeft formidabel werk verricht met een auteur die zijn stijl regelmatig in een statisch citatenspel laat vervallen en zinnen bouwt van de ontplofte resten van een thesaurus.

Met enige modernistische oprispingen volgt de roman het traditionele stramien van de familiegeschiedenis waarbij Wolfe het geslacht Gant opvoert waarvan de wederwaardigheden maar niet episch willen worden. En een epos heeft de auteur nodig om zijn hoofdpersoon als genie geloofwaardig te krijgen. Deze Eugene Gant is een typische hoofdfiguur van een autobiografisch debuut, onbegrepen maar briljant, verguisd maar op doorslaggevende momenten populair, tragisch onbemind maar tegelijkertijd duivels begeerlijk. Wolfe zet de lachwekkende toon wanneer hij zijn pasgeboren protagonist en alter ego blijkbaar zonder ironie als volgt beschrijft: ‘Hij was de volledige man in miniatuur, het eikeltje waaruit de machtige eik moest groeien, de erfgenaam van alle tijden, de legataris van onvervulde roem, het kind der vooruitgang, de lieveling van het ontluikende Gouden Tijdperk, waarnaast de Fortuin en haar Feeën het bovendien niet genoeg hadden gevonden om hem nagenoeg te smoren onder hun zegeningen van tijd en afstamming maar hem zorgvuldig hadden bewaard totdat de Vooruitgang in de overrijpheid harer gloriejaren was.’

Dit soort passages lijken te verklaren waarom William Faulkner Wolfe’s werk ooit omschreef als ‘an elephant trying to do the hoochie-coochie’.

Boeiender dan de zoon is de moeder, Eliza Gant. Eliza is het enige personage dat Wolfe met contradicties begiftigt en komt daardoor als minst artificieel en meest menselijk te voorschijn. Bovendien symboliseert ze een intrigerende onderstroom van de roman, die terloops maar effectief een Amerikaans idee van succes uiteenzet. Het streven naar succes, en dan vooral financieel welslagen, vormt de centrale ambitie van ouders en kinderen Gant. Wanneer Wolfe schrijft van ‘het grootste type van de “go-getter” (…) – luid van stem, dreigend van agressiviteit, verschrompeld en bleek van hart, de oprukkende “he-man”’, dan schijnt hij het werk van zijn latere naamgenoot Tom Wolfe (1931) te hebben ingefluisterd, toen die de meedogenloze yuppen van Wall Street vastlegde als ‘Masters of the Universe’ in de roman The Bonfire of the Vanities (1987). Alle krachttaal ten spijt is Eliza opmerkelijk genoeg de enige die voor haar geld lijkt te willen werken. Waar vader Gant aan indolentie bijna ten onder gaat, werpen zijn zoons zich meermaals op get-rich-quick schemes. Hoewel Eliza slooft in het pension dat ze uitbaat, is die zware handenarbeid niet wat haar het verlangde vermogen bezorgt. Het is uiteindelijk het passieve speculeren in vastgoed wat haar van de angst voor armoede moet verlossen, wat haar zal bevrijden. De meest ontroerende passage van het boek is een lange, concrete opsomming van al haar tegoeden en spaargelden, haar investeringen, verliezen en opbrengsten, de reële sommen van een mensenleven.

Daal neder, engel belooft veel, heel veel en het is die notie van een immer ontluikende belofte die de roman tot het domein van young adult beperkt. Het is geen wonder dat Jack Kerouac een fan was, een auteur in wiens werk niemand werkelijk volwassen wordt en wiens oeuvre na een bepaalde leeftijd nog maar moeilijk is te verdragen.

Laat in zijn leven beschouwde Max Perkins zijn werk met Wolfe als het meest opwekkend en waardevol van zijn carrière. Voor mensen gelden gelukkig andere wetten dan voor boeken. Daal neder, engel is zowel belachelijk als aanstekelijk, zowel frustrerend als deerniswekkend, zowel ongeleid als geestdriftig. Mocht het karakter van Wolfe slechts op enkele punten zijn proza hebben gespiegeld, dan lijkt Perkins’ liefdevolle oordeel al volledig gerechtvaardigd.