Een on-Hollandse verschijning

Voor haar Nederland leest-actie heeft de stichting CPNB dit jaar een vergeten meesterwerk opgedoken: De grote zaal van Jacoba van Velde. De roman verscheen in 1953 en werd een ongekend succes. Schrijfster Mischa de Vreede leerde Jacoba van Velde eind jaren vijftig kennen en raakte met haar bevriend.

Jacoba van Velde. Van meet af aan heb ik haar voluit bij haar naam genoemd en ook in gedachten heeft ze voor mij nooit, zoals voor haar andere vrienden, Tonny geheten. En uiteraard heb ik aanvankelijk ook u tegen haar gezegd. Want ze was een stuk ouder - 33 jaar! - dan ik en als schrijfster verdiende ze alle respect dat ik opbrengen kon. Ze was op een bescheiden manier zo beroemd zoals je beroemd kon zijn in die hypeloze jaren vijftig. Zonder interviews, optredens of foto’s; alleen dankzij het boek dat ze had geschreven.
In de Openbare Leeszaal in Amstelveen waar ik in 1955 een blauwe maandag stage liep, hadden we De grote zaal niet mogen uitlenen aan oudere mensen, want daar zouden ze maar verdrietig van worden. Nu wist ik van het ‘daar ben jij nog te jong voor’ alles af, dat was the story of my life, in alle opzichten. Maar dat je voor een boek ook te oud kon zijn? Ik nam het meteen mee naar huis om het de volgende dag ietwat teleurgesteld weer op z'n plaats te zetten. Ik had gehoopt dat het over de verdorvenheid van de hedendaagse jeugd zou gaan, een onderwerp waar mijn ouders erg verdrietig van konden worden. Maar het ging hier over zulk klein leed, vond ik toentertijd. Zo'n oude mevrouw die wakker wordt en niet weet waar ze is. In elk geval niet in haar eigen huis; daar zou ze ook nooit meer terugkomen en dat vond ze heel erg. Terwijl ze het toch tamelijk goed had, vond ik. Lekker in bed lag en genoeg te eten kreeg, mijn oorlog was erger geweest. En dan die gortdroge Helena met haar zo voor de hand liggende schuldgevoelens ten opzichte van haar moeder. Lijdende onder herinneringen aan een gemeen vriendinnetje, aan vermaningen op zondagschool. Een geliefd en dan ook afgekloven thema wanneer het om kinderherinneringen gaat in ons welvarende Westen. Het enige herkenbare ongemak dat ik, al lezende, ondervond was voor mij niet leeftijdgebonden: het besef dat je met zoveel mensen, zo dicht om je heen, toch heel eenzaam kon zijn. Dat er weinig hoop was dat het leven ooit nog leuker zou worden, want aan het eind ging je dood, daar hielp geen moedertje lief aan. 'Geen beter leven dan een rotleven’, dat was mijn motto in die tijd.
Wat mij nu, bij herlezing, vooral treft is de waardigheid van alle betrokkenen en een soort wellevendheid waar je gerust naar mag terugverlangen. Het gebruik van korte zinnetjes, toen nog niet in de mode, maakt dat het boek hedendaags aandoet, maar zoals de mensen met elkaar omgaan is echt niet meer van deze tijd. Na de anti-autoritaire jaren zestig zou de directrice van het rusthuis als een wrede feeks zijn neergezet, de man van Sociale Zaken als een onbarmhartig stuk onbenul. Maar beiden tonen zich in dit boek juist zachtzinnig en betrokken en ook de vrouwen in de zalen die op zo'n akelige manier op elkaar zijn aangewezen zeggen u tegen elkaar tot de dood erop volgt. Terwijl hun onvermijdelijke kibbelarijtjes zo droogkomisch worden beschreven dat je ze als lezer niet zou willen missen.
Zelf had ik, vanaf het moment dat ik kon lezen - vier was ik toen - schrijfster willen worden. Ik was het ook al toen ik, nog geen 22 jaar oud, in staat werd gesteld om twee weken door te brengen in de Pauwhof in Wassenaar. Ik wist niet wat me overkwam: wat was het een weelde daar! Een wit landhuis met rondlopende oprijlaan, gelegen in een parkachtig aangelegde groene tuin. Hier en daar een zitje of een tuinbankje. Traag bewegende oudere mensen die me minzaam toeknikten; deftig zagen ze eruit en ze hielden zich bezig met boeken, kranten of ze spraken zacht fluisterend met elkaar. Dat ze voornamelijk over elkaar praatten kon ik nog niet weten. Ging er een gong of een bel? Vanuit alle hoeken kwamen ze aangestrompeld of juist met kwieke pas. Een voorbeeldig gedekte tafel met linnen kleed en servetten. Met z'n hoevelen we waren zou ik niet kunnen zeggen: ruim twintig personen, denk ik. Er was een lange, bleke, bedeesde Deen bij en een witharig echtpaar waarvan de vrouw schrijfster was en Elizabeth de Jong-Keesing heette en de man heette Henk van Tricht. Dat eerstgenoemde net als ik in een Japans interneringskamp had gezeten zou ik pas later aan de weet komen. Ze behoorde tot de generatie van mijn ouders en die spraken daar liever niet over. En of de schilder Jaap Nanninga die eerste avond aanzat herinner ik me niet meer; het was een grote, slordige man met een bril op die me, als hij me aan het ontbijt trof, op een eitje trakteerde en dat kostte hem dan een kwartje. Hij maakte de prachtigste schilderijen en zou in 1962 omkomen bij een verkeersongeluk.
Aan het hoofd van de tafel zat de kleine, ook al witharige, mevrouw Musaph. Volgens mij was zij de directrice van de Pauwhof en - heel belangrijk - ze ging over het eten. Mevrouw Musaph beschikte over een toen nog zeldzame keukenmachine en daarmee leefde ze zich uit op haar toetjes, die romig waren, zoet en schuimig. En dat elke dag!
Als laatste was er een groepje van vier personen aangeschoven, twee mannen en twee vrouwen. We hadden op hen moeten wachten en ze deden alsof ze zich daarvoor schaamden. Ik kon aan de rest van het gezelschap zien dat het niet de eerste keer was dat ze te laat waren en dat men zich aan hen ergerde. Ik niet, ik werd meteen verliefd op het hele stel. Wat charisma was wist ik toen nog niet. Nu wel: iemand die charisma heeft, daar wil je bij horen. En dat lukte eigenlijk direct, diezelfde avond nog namen ze me op in hun midden. Het begon al meteen toen aan tafel. Een redelijk jonge man met krullend haar, volle lippen en een rood aangelopen gezicht schonk me wijn in uit de fles die hij had meegebracht. Hij heette Frits maar werd geloof ik ook wel Freddy genoemd. De vriendelijk lachende Indischman met het ronde, kalende hoofd heette ook Frits of Fred. Frits Klein en Frits Kuipers. De een was de vader van Yves Klein, de ander was de man van Jacoba van Velde.
Nog voor ik wist dat zij was wie ze was ging mijn aandacht al naar haar uit. Naar haar ogen vooral, die waren licht en vol spot keek ze me aan, zoals ze me altijd is blijven aankijken. Haar gezicht zat vol groeven en rimpels, maar haar haren waren nog niet grijs en in haar bewegingen leek ze heel lenig. Ze hield haar hoofd meestal scheef, hetgeen een kokette indruk maakte. Ze was klein en kwiek en ze liep kaarsrecht, haar bekken ietwat naar voren gekanteld, leunend tegen een onzichtbare wind. Sproetige, welgevormde armen, kleine handen met kieskeurige vingers. Sierlijke voeten met een hoge wreef. Ze was eenvoudig maar chic gekleed en al met al een on-Hollandse verschijning.
Overdag werden we verondersteld aan het werk te zijn. Lezen, schrijven, studeren; ik had een klein kamertje helemaal bovenin aan de voorkant. Wat Jacoba en haar gezelschap overdag deden weet ik niet meer. We troffen elkaar rond etenstijd en gingen dan meestal gezamenlijk de avond in. Soms was er een concert, soms hield iemand een spreekbeurt en daar werden zij en ik dan erg melig van. De Fritsen drukten zich meestal; de Engelse vrouw van Frits Klein liet zich ook overdag weinig zien. En nu, achteraf bekeken, ga ik het heel verwonderlijk vinden dat er in zo korte tijd een band heeft kunnen groeien tussen twee zo verschillende mensen als Jacoba en ik. Zij was vijf jaar ouder dan mijn moeder, maar op de Pauwhof zat ik met haar te giechelen alsof we schoolmeisjes waren. Ik nam aan dat haar boek De grote zaal over haarzelf en haar eigen moeder ging en die vrouw was dan ook stokoud in mijn ogen. Nog steeds, ook nu ik zelf zo langzamerhand aan een grote zaal toe ben, vind ik de mensen in het boek erg oud. '74, een mooie leeftijd’, zeggen ze dan. Mij maakt het niks uit; veertien jaar was ik ook niet graag. En nog beter dan toen ik De grote zaal voor het eerst las weet ik dat het gevoel van eenzaamheid en uitzichtloosheid er een van alle leeftijden is. Het leven daarentegen hoeft van mij niet meer zo erg rot te zijn; ik geniet ervan, elke dag. Living well is the best revenge, zo luidt mijn huidige motto.
Waarover spraken wij, de lange lichte zomeravonden in die groene tuin? Frits Kuipers zorgde voor de wijn en Frits Klein kon begeesterend over zijn schilderen vertellen. Met Jacoba en haar Frits besprak hij graag de mogelijkheid dat ik met zijn zoon zou trouwen. Daar hoorden fascinerende verhalen bij die over judo gingen - zwarte band?! - en over de kleur blauw. Yves had dat jaar net een vernissage gehad, in Parijs, waarbij de muren wit waren, de galerie leeg, en verder was alles blauw en er gingen honderden blauwe ballonnen de lucht in; de bezoekers kregen een blauw drankje te drinken en toen ze weer thuis waren deden ze een blauwe plas. Interessant allemaal, maar volgens vader Frits was het tijd dat hij zich settelde en waarom dan niet met mij? Ik lachte maar wat. Yves Klein zou in de zomer van 1962 sterven aan een hartaanval.
Jacoba sprak meer over ene Sam, met wie zij nauw bevriend was, dan over zichzelf. Later bleek dat het om Samuel Beckett ging, van wie zij de toneelstukken vertaalde en, samen met Frits, de roman Molloy. Ze had twee veel oudere broers, Bram en Geer, die beiden beroemd waren als schilder en die al heel lang in Parijs woonden. Toen ook zij zich in die stad wilde vestigen hadden ze haar opgevangen en met van alles geholpen, maar nu zag ze hen minder want ze waren met lastige vrouwen getrouwd, begreep ik.
Eerlijk gezegd waren het voor mij toch allemaal grote-mensentoestanden waar de anderen zich mee bezighielden, en als ik zelf eens wat zei keken ze me aan of ik de twaalfjarige Jezus in de tempel was. Ik besefte pas dat ze met grote problemen te kampen hadden toen het mij zo welgevallige gezelschap na een dag of tien uit elkaar spatte en ik alleen achterbleef. Frits Kuipers moest - of ging uit vrije wil - weg vanwege zijn alcoholgebruik en Frits Klein ging zijn poezel-porseleinen vrouw naar haar thuisland brengen omdat ze aan een zware depressie leed.
De Deen zou ook vertrekken en op onze laatste samen door te brengen avond wilde hij per se voor Jacoba en mij een concertje geven. Jacoba had er niet veel zin in en terwijl we in naast elkaar geschoven fauteuils zaten te wachten tot hij zich achter de piano had geïnstalleerd, fluisterde ze me in dat ze de indruk had dat hij er in bed weinig van terecht zou brengen. 'Die is er meteen klaar mee en zegt dan sorry!’ Ik voelde me echt volwassen vanwege het feit dat zo'n ervaren vrouw me over zo'n intiem onderwerp in vertrouwen nam, al was het maar door middel van een grapje.
Met Jacoba ben ik bevriend gebleven. Terug in Amsterdam ging ik geregeld bij haar op bezoek. Ze woonde op zolder, in een listig door de bevriende architect Merkelbach in elkaar gestoken appartementje. Het licht was er koud. Alles was er wit of grijs en er hingen schilderijen van haar broers aan de wand. Op de begane grond was een boekhandel en vlakbij, aan het Rembrandtplein, lag de Schiller-bar waar Frits veel tijd doorbracht. Van de drukke straat hoorde je niet veel, ze had nooit een radio aan of een pick-up. Ze zei dat ik Effi Briest moest lezen. Dat deed ik en ik vond het mooi.

Van vrijdag 22 oktober t/m vrijdag 19 november krijgen leden De grote zaal gratis van de bibliotheek. Een luxe editie is vanaf 22 oktober te koop in de boekwinkel