Een onbegonnen werk

Robert Menasse, Zalige tijden, breekbare wereld. Uit het Duits vertaald door Paul Beers, De Arbeiderspers, 293 blz., 339,90
Als Zalige tijden, breekbare wereld een roman over een ongelukkige liefde is, zal de lezer van de Duitse uitgave, die op de flaptekst afging, bedrogen uitkomen. Een Weense filosoof, die een voortzetting van Hegels Phänomenologie des Geistes wil schrijven, wordt verliefd en ziet in het meisje de muze voor zijn poging de wereld ten laatsten male in een systeem te vatten. Beide verhalen maken in elk geval deel uit van één grote mislukking.

Leo Singer weet wel wat hij wil, maar komt nooit toe aan de uitvoering ervan. Achttien jaar lang werkt hij aan zijn proefschrift, soms zelfs hard, druk bezig met literatuuronderzoek, aantekeningen en het scheppen van de ideale werkcondities. ‘Mettertijd werd Leo duidelijk dat dat ene, dat heel andere boek dat hij zocht, niet bestond, het was namelijk het boek dat hij zelf wilde schrijven.’ Omdat hij het niet geschreven had, kon hij het niet vinden.’ Zo geformuleerd is Singers mislukking een ingecalculeerde en zijn werk onbegonnen - en het verslag van die mislukking een realistische karikatuur van de halsbrekende toeren die er op de rand van menig schrijftafel in de wereld worden uitgehaald.
Op het moment dat Singer tot het inzicht komt dat hij maar beter met het Hegelboek kan kappen, is het 1968 en zit hij in Saÿo Paulo. Drie jaar daarvoor had de dertigjarige Singer in de kantine van de universiteit de eenentwintigjarige Judith Katz ontmoet. Ze waren voor elkaar geschapen. Beiden kinderen van Weense joden die in 1938 naar Brazilië gevlucht waren, beiden studerend in Wenen: Leo omdat zijn ouders in 1959 waren teruggekeerd, Judith omdat ze per se in haar vaderstad wilde studeren. Vanaf dat moment is alles wat Leo schrijft een verkapte discussie met Judith, maar helaas, de filosofische boodschappen worden door haar even zuinig beantwoord als zijn amoureuze gevoelens.
Als zijn vader sterft, wordt Leo door zijn bazige moeder naar Brazilië gestuurd om er orde op zaken te stellen. Daar denkt Leo zijn boek wel te kunnen schrijven, en als hij verneemt dat Judith gestorven is, heeft hij voortaan, omdat het werk uiteraard aan haar geadresseerd blijft, inspiratie tot in het oneindige. Wanneer Judith opeens in Brazilië opduikt, zij is immers voor hem 'het gepersonifieerde levenstoeval’, is dat precies de dag waarop hij met schrijven had willen beginnen.
Ondertussen is hij even heel beroemd geweest in Brazilië, omdat juist toen hij Hegel aan de kapstok hing, een krant berichtte dat Singer aan de hand van de Phänomenologie de toekomst kon voorspellen. Onder zijn 'Oblomov-boom’ liggend, krijgt hij vervolgens zelf een visioen in die richting: je hoeft Hegels ontwikkeling van het eenvoudige bewustzijn tot de Absolute Geest maar van achteren naar voren te lezen en je hebt de geschiedenis van Hegel tot op heden.
Dank zij Judith schrijft Leo zijn boek uiteindelijk toch, wanneer hij haar aantekeningen vindt van zijn cafégesprekken. Voor een boek gaat hem zelfs een moord niet te ver, temeer daar hij met Judith nooit verder is gekomen dan een 'gevoelloze vriendschap’. Van zijn op eigen kosten uitgegeven boek blijken er na een jaar vijf exemplaren verkocht. Menasse (1954) heeft vervolgens zelf Singers plan ten uitvoer gebracht door een 'Phänomenologie der Entgeisterung. Geschichte des verschwindenden Wissens’ te schrijven.
Dat ik niet zo nieuwsgierig ben naar dat vervolg heeft met Zalige tijden te maken. Er valt een smakelijke samenvatting van te maken, daarvoor bevat het boek voldoende ingrediënten, maar het is me allemaal te veel een invulling. Menasse laat weinig aan de verbeelding van de lezer over, en zo is ook zijn stijl: wat er ook beschreven wordt, de interpretatie krijg je erbij geleverd - zoals bijvoorbeeld de vergelijkingen met Oblomov en Tristam Shandy.