Zomerserie: Vroegere vrienden

Een onbetaalbare vriend

Liever droomden mijn vriend en ik ons visioen dan het leven werkelijk te moeten doen. Twee schrijvers in spe, zich gereed makend voor de eeuwigheid. Een innige vriendschap, tot een heilloze tegenspraak er bezit van nam.

Medium thomese op maat

Hij kwam ‘van ver’, zoals mijn ouders het uitdrukten. Mijn grootmoeder zou gezegd hebben: uit de heffe des volks. Deze uitdrukking was hem overigens vreemd. Zijn kleren roken soms naar wasmiddel en avondeten: het parfum van de nette armoede. Maar standsverschillen deden er niet toe. Waar ik door werd aangetrokken, was zijn belezenheid.

‘Bezetenheid’ had ik bijna geschreven, want het bleken voor ons beiden inwisselbare begrippen. Nooit eerder had ik iemand ontmoet voor wie het belang van literatuur even onbevattelijk groot was als voor mij. Ook niet in mijn eigen omgeving, waar boeken net zo vanzelfsprekend waren als bij een ander kamerplanten.

Voor ons tweeën was het niet iets wat erbij hoorde, het was een ontsnappingsclausule, a ticket out of here. We lazen al die raadselachtige boeken niet om iets te vinden, laat staan iets te bevestigen. Het was het omgekeerde: we wilden onszelf verliezen, wegtuimelen in het rabbit-hole van het literaire verwonderland. De grote verdwijntruc.

De geschreven wereld was de ware. To See the World in a Grain of Sand. En wat de mensen in de tussentijd presenteerden als ‘het leven’ was voor ons een belachelijke poppenkast die wij geen moment serieus konden nemen. Om te weten hoe het leven in elkaar stak, lazen wij liever een roman of een gedicht dan naar het gezwets van willekeurige mensen te moeten luisteren.

Met de plichtmatigheden van het dagelijkse geploeter wensten wij niets te maken te hebben. Al lezend perfectioneerden wij onze onpraktische gesteldheid. We deden erg ons best om in de gewonemensenwereld niet thuis te zijn. Liever droomden we ons visioen dan het leven werkelijk te moeten doen.

Wel had ik een krantenwijk om mijn boekenhonger te kunnen bekostigen. De kasten vol in ons oude familiehuis volstonden niet meer, al wierp mijn vriend steevast een begerige blik op de eerste drukken en bijzondere uitgaven die op de eikenhouten planken stonden te verstoffen.

Zelf had Hans, want zo heette hij, behalve zijn krantenwijk op zondag ook een baantje bij een tankstation; hij bulkte van het geld en daarvan getuigden de indrukwekkende verzamelde werken en talloze gebonden edities die hij op zijn kamertje in rijen tegen de plinten had gezet en ook in stapels, want een boekenkast was bij hem thuis nergens te vinden en hij vond het zonde om geld waarmee hij de mooiste boeken kon kopen aan een paar stukken hout te verspillen. Meubels waren voor burgers, wij legden de lat liever iets hoger.

Met onze houding maakten we vooral indruk op elkaar, waardoor onze vriendschap alleen maar inniger werd.

Onze avonturen bestonden uit de uitzonderlijke teksten die we lazen en de schrijvers met de prachtigste namen die we op onze dwaalwegen ontdekten en als goedbewaarde geheimen voor onszelf probeerden te houden. Hun meesterwerken en hun biografieën waren voor ons werkelijker dan de mensen om ons heen. De fraaie zinnen van onze bewonderde auteurs werkten als toverformules waarmee zich de meest onvoorstelbare vergezichten voor ons openden. De literaire taal werd aldus voor ons een codetaal die wij ons moesten zien eigen te maken om de werkelijkheid te kunnen kraken.

Met medelijden bezagen we de mensen die hun gewone levens leidden, onwetend van de intieme en ontzaglijke onthullingen van het geschreven woord.

Het kon niet uitblijven dat wij een grootse toekomst tegemoet gingen. Hans begon zich alvast ‘dichter/essayist’ te noemen, ik hield het schrijven voorlopig liever geheim. We zouden een nieuw literair tijdschrift oprichten, dat was beter dan ons te voegen in de bestaande structuren. Hans achtte zichzelf avant-gardist en schreef een experimenteel verhaal waarvan ik me alleen nog het woord ‘immanent’ herinner. Ik was nog niet zo ver en probeerde onder pseudoniemen van alles in andermans trant, op zoek naar een ‘eigen stem’.

Schei toch uit met die maskerades, ried hij me aan. Bescheidenheid was voor klootzakken. Als we iemand wilden worden, moesten we meteen al iemand zijn, anders werd het nooit wat.

Ik wilde helemaal niet ‘iemand’ zijn, ik wilde juist niemand zijn, maar dat wist ik toen nog niet. En nog steeds lijd ik onder de belachelijke aanname dat een schrijver ‘iemand’ moet zijn, een bloemrijk personage uit een biografie die de anekdotes zo uit zijn mouw schudt, een type. Een kwibus met een levensloop: mij niet gezien. Voor mij betekent literatuur juist verzet tegen dergelijke folkloristische conventies; in de onnavolgbaarheid van je tekst kun je ongrijpbaar worden voor dergelijke voor de hand liggende formules.

Mijn vriend dacht daar anders over. Volgens hem moesten we jasjes dragen en pijp roken, net als de schrijvers die wij van foto’s kenden. Het mocht ook een sigaar zijn. Helemaal karaktervast ben ik nooit geweest, dus er waren in die tijd ongetwijfeld dagen dat ik met een sigaar tussen de vingers en een glas oude jenever voor m’n snufferd met hem over literatuur zat te oreren, bij ons thuis, voeten op tafel, as morsend op mijn broek – maar alleen als mijn ouders er niet waren. Twee schrijvers in spe, zich gereed makend voor de eeuwigheid. Het is dat we fotograferen ‘meer iets voor burgers en consumenten’ vonden, anders hadden we zeker even voor de foto geposeerd.

Voor Hans betekende de literatuur: ergens arriveren. Voor mij was het juist een manier om ergens aan te ontkomen. Het was geen doel, maar de ontkenning van alle doelen. Hans echter hoopte dat het hem dichterbij bracht, dichter bij maatschappelijke glorie, want dat is wat een jongen van ver kennelijk nu eenmaal wil. De literatuur als short cut naar de betere kringen, de macht, de beroemdheid, de glamour, het aanzien, het geld… of wat hem in godsnaam voor ogen stond. Mij kon dat allemaal niet boeien, daar voelde ik me nou net even te goed voor, zoals alleen een achttienjarige dat waarachtig kan denken. Er moest toch iets zijn dat niet bestond? Nou welaan, dat zocht ik: een witte plek op de kaart, die ik zelf helemaal mooi leeg mocht zien te houden. Een open plek in een verder ingevulde wereld.

Wat ik ook zo mooi vond van de literatuur: dat het onmogelijk was er te komen. Het was een feest waarvoor je niet was uitgenodigd. Dat was maar goed ook, want net als Groucho Marx zou ik nooit van mijn leven lid willen zijn van een club waar ik zelf lid van was.

Hans dacht daar anders over. Hij had niet veel talent voor dergelijke zelfverloochenende wereldvreemdheid. Pierre Bourdieu moest De regels van de kunst nog schrijven, maar mijn vriend had ze al in de vingers, die ongeschreven regels. Hij wist precies hoe het werkte. Je moest iemand kennen om er te komen. Voorspraak. Je laten introduceren. Et voilà. Het spel kende voor hem geen geheimen. Hij wist binnen de kortste keren binnen te komen bij critici, ­uitgevers, schrijvers en hun weduwes. Ik ging graag mee als het zo uitkwam, dat zeg ik er meteen bij, zo was ik dan ook wel weer. We vormden een mooi stelletje. ‘Ter Braak en Du Perron’ werden we achter onze rug gniffelend genoemd, naar de twee schrijvers die wel een erg grote mond ­hadden in vergelijking tot wat ze zelf ­lieten zien. Wel, Ter Braak en Du Perron schréven ­tenminste nog. Wij hadden niks. Ik had niks, laat ik voor mezelf blijven spreken. Hans had in elk geval zijn avant-garde-gedichten waarin het begrip ‘immanent’ zo’n prominente rol speelde.

Gelukkig werden we er niet van, van onze invasies in het literaire veld. We werden er kleiner van, merkten we, en ook de grote spelers zelf leken van dichtbij een stuk kleiner dan ze op papier toeschenen. Onbenullige mannetjes met merkwaardige spraakgebreken en lachwekkende lichamen. >

Afstand is een noodzakelijk onderdeel van de literaire ervaring, ontdekte ik. Onbereikbaarheid, oneindigheid: nog beter. Nabijheid in litteraribus is oké, maar dan de nabijheid als van een godheid. Ongenaakbare nabijheid. De afwezige god die je iets influistert, iets voor jou alleen.

Inmiddels was ik de enige die er zo over dacht. Of was ik altijd al de enige geweest? Hans studeerde cum laude af in de Nederlandse taal- en letterkunde, maar het kan ook summa cum laude zijn geweest. Hem maakten ze in elk geval niets meer wijs.

Met zijn diplomering was voor hem de ­betovering stilletjes aan verbroken geraakt. Met deernis bezag hij mij en mijn hardnekkige pogingen om mijzelf al schrijvend te slim af te zijn. Schrijven is geloven wat je zelf schrijft. Het vergt een heel bijzondere vorm van ­naïviteit. Het kan heel goed zijn dat je daar te verstandig, te intelligent, te geleerd voor bent. Bij mij werkt het zo: ik geloof het omdat ik het zelf niet ben. Degene die in mij schrijft, is dezelfde die ’s nachts mijn dromen arrangeert. Verbaasd onderwerp ik mij aan de onnavolgbare ordening die als vanzelf ontstaat.

Bedrog, beliefde hij dit te noemen. En met een medelijdende blik: zelfbedrog wat mij aanging.

Zijn verraad verbijsterde me. Maar hij zag dat anders. Hij begreep niet dat ik zo krampachtig wenste vast te houden aan de snel verblekende droom van de literaire roem.

Hoezo: roem? Waar had hij het over? Speak for yourself, zou ik zeggen. Wie ‘van ver’ kwam, zag de dingen ongetwijfeld anders, meer eh… van de buitenkant. Die hield de buitenkant als het ware voor de binnenkant. Ik had Hans nooit eerder als een ander gezien, meer als een uitbreiding van mijzelf, maar door zijn afvalligheid moest ik mij wel van hem distantiëren. Door zijn plotselinge nadruk op zoiets proleterigs als ‘roem’ in verband met literatuur liet hij een kant zien die hij voordien voor mij verborgen had weten te houden. Zijn banaliteit choqueerde mij.

Wat mij aantrok bij de schrijvers waar we van hielden, was juist de doodsverachting waarmee ze aan hun boeken waren begonnen. Roem was altijd toeval. Het viel af en toe iemand toe. Terecht, onterecht, wat maakte het uit? Met de waarde van het werk had het niets te maken, want die was, als het goed was, altijd oneindig veel groter. Die liet zich niet napraten of samenvatten in een reclameboodschap voor het hele volk. Zodra roem als wettig betaalmiddel werd beschouwd, werd alles vals en goedkoop. Roem was er voor blote meisjesborsten, voor miljonairs en zelfs, zoals Robert Musil aanstipte, voor renpaarden.

Hans geloofde mij maar half. Wat wilde ik dan? Volgens hem had ik een droom, een berg van een droom, waar de Parnassus precies in paste. Ik maakte hem niet wijs dat ik niks terugwilde voor mijn inspanningen. Ik wilde toch ook ‘gewoon succes hebben’?

Het was het begin van een heilloze tegenspraak die bezit nam van onze vriendschap. Waar wij elkaar eerst hadden bevestigd, waren we nu bezig elkaar te ontkennen. Een vriend is iemand die je de waarheid moet kunnen zeggen – en dat was juist de reden dat we elkaar gingen kwijtraken.

Hij de jongen die van ver kwam, wilde eindelijk wel eens land zien, ergens aankomen waar zijn ambitie hem in klinkende munt zou worden uitbetaald. En ik, ik moest hoognodig zien te ontkomen aan de bestemming die al op me lag te wachten: de verantwoordelijke positie, vooraanstaand zonder op te vallen, dienstbaar aan het grote geheel van de maatschappij. Waar hij ‘voor wilde tekenen’, daar moest ik niet aan denken. Terwijl hij mijn on- of anti-maatschappelijkheid een hypocriete farce vond, aangezien de waarde van geld overal gold, zelfs daar waar er met verachting op werd neergekeken.

Ik ontkende de waarde van geld helemaal niet, ik herinner me als de dag van gisteren dat ik op het postkantoortje aan de Albert Cuyp in de rij stond om de postwissel met mijn eerste verdiende honorarium te verzilveren. Honderd­éénentwintig gulden en zevenentwintig cent, maar het kan ook een ander raar bedrag zijn geweest, voor mijn verhaal Iemand van buiten in De Revisor, jaargang 1986, nummer 3.

Juist de uitgerekende precisie van het bedrag vond ik treffend, want in wezen viel de waarde van mijn unieke en ongekende verhaal natuurlijk niet in geld uit te drukken. Ik was ook toen al een aanhanger van Baudelaire, die de stelling verkondigt dat de betaling voor kunst per definitie exorbitant dient te zijn, aangezien er geen arbeid mee wordt uitgedrukt maar genie, een niet in uurloon terug te rekenen categorie die alleen met onvoorstelbaar grote bedragen bij benadering te honoreren valt. Je gaat toch niet voor een kunstwerk betalen omdat er zo lang op geploeterd is? Je betaalt voor de onachterhaalbaarheid van het raadsel, je betaalt voor een onbegrijpelijk voorrecht. En niet voor het bloed, het zweet en de tranen. Want zwoegen, lijden en janken zijn geen kunst.

Aan Hans was dit allemaal al niet meer besteed. Hij richtte een ‘tekstbureau’ op, later werd het een ‘adviesbureau’, en toen het geld echt met bakken binnen begon te stromen, heette het een ‘consultancy’, met ‘accounts’ in het hoogste segment van bestuurlijk Nederland. Boeken had hij toen al lang niet meer, wel auto’s, paarden, buitenhuizen, een tweede vrouw.

Met geamuseerd medelijden bezag de consultant vanuit de verte mijn krakkemikkige inkomensontwikkeling en het was warempel alsof hij in duizelingwekkend ronde bedragen voor zijn genie werd beloond – terwijl ik voor mijn werk de tot op de cent nauwkeurig berekende arbeidsvergoedingen kreeg toegestopt. In geld uitgedrukt was zijn bijdrage aan de mensheid onvergelijkbaar veel waardevoller dan het mijne.

Nee, voor erkenning hoefde ik het niet te doen. Maar zonder erkenning ging het ook niet goed. In die zin was het einde van onze vriendschap een ongelukkige zaak. In wiens ogen moest ik voortaan schitteren? Vrienden kijken tegen elkaar op, dat maakt ze samen zo moeilijk te verslaan: ze zijn, elkaar tot op het bot benijdend, elkaars vurigste bewonderaars.

Wat gemaakt is, moet gezien worden, anders bestaat het niet. Als er geen God bestaat, dan moet hij worden uitgevonden – om te kunnen gadeslaan wat er in eenzaamheid wordt ontworpen. Weten dat het gezien zal worden – dat is genoeg. Verder gaat het vanzelf, want ware kunst is transcendent. Die wordt aan de maker geopenbaard. Als het goed is tenminste. Het idee ontwikkelt zich buiten je bedoelingen om. Je hoeft je hand maar te volgen en het verhaal vormt zich vanzelf.

Ja, gooi er maar wat magie en wat religie tegenaan, hoor ik Hans honen. Aan ‘geloven’ deed hij niet, zelfs niet in zichzelf. Daarom verkocht hij zich steeds.

Ik wil best aannemen dat ik geen haar beter ben dan hij, dat ook mijn in een droom gedicteerde teksten doodordinaire investeringen zijn in mijn symbolische kapitaal en dat ik op zekere dag dit symbolische tegoed kan laten bijschrijven op mijn allerminst symbolische bankrekening. Het moet mogelijk zijn de waarde van mijn werk te verrekenen tot een bepaald geldbedrag, astronomisch veel hoger, maar niet minder precies dan het bedrag op de wissel waarmee ik na mijn ­verhaaldebuut in het postkantoortje aan de Albert Cuyp op mijn beurt had staan wachten. En toch zal zo’n bedrag altijd te weinig uitdrukken. (Het ontkent, beste graaiers, het ongrijpbare.)

Liever dan de hand die mijn facturen schrijft, volg ik de zinnen die in mij worden gedroomd door mijn inwonende afwezige god. Duizend maal liever verloochen ik mijn vrienden dan dat ik mijzelf moet verloochenen. Trouw blijven aan het eigen avontuur vereist op gezette tijden de vernietiging van verstikkende verbanden. Eenzaamheid is een voorrecht dat je je moet kunnen permitteren. Het geluk komt vanzelf.


P.F. Thomése (1958) won met zijn debuut­roman Zuidland (1990) de Ako Literatuurprijs en publiceerde daarna nog meer dan vijftien romans, essays, verhalenbundels en reportages – voor zijn recente reportage Grillroom Jeruzalem kreeg hij de Bob den Uyl-prijs (2012)


Vroegere vrienden

De Groene Amsterdammer vroeg vijf schrijvers terug te keren naar hun jongere jaren en te reflecteren op wie hun beste vrienden waren, en hoe ze die uit het oog hebben verloren. In reportage, memoir of essay gaan Gustaaf Peek, P.F. Thomése, Yannick Dangre, Shira Keller en Philip Huff op zoek naar hun vertrouweling van weleer.