Fotografie: Vivian Maier

Een onbetrouwbare toverheks?

De foto’s van Vivian Maier werden bij toeval ontdekt door makelaar en gesjeesd student John Maloof. In Foam wil hij Maiers ‘bijzondere werk’ laten zien, maar zonder context blijft er weinig van over.

Vivian Maier, Location Unknown, 1956 © Estate of Vivian Maier, Courtesy Maloof Collection and Howard Greenberg Gallery, New York

Prachtige platen zijn het, de kleurenfoto’s van Vivian Maier. Straatscènes uit Chicago in de jaren zestig en zeventig. Fijne volle kleuren. Details die de gemiddelde voorbijganger ontgaan. Een jurk, rood met witte stipjes, de draagster vlecht haar eigen vingers onnadenkend in elkaar op haar rug. Rustende kousenvoeten op een bankje, een stapeltje kranten eronder – ontdaan van de krappe schoenen, die buiten beeld zijn gehouden, lijken de voeten op houten stompjes. Een man staat met een grote verzameling gekleurde ballonnen tegen de achtergrond van een kantoorgebouw, zijn blik elders. Margrieten als passagiers op de achterbank van een geparkeerde Amerikaanse slee, het dak opengeschoven.

Opeens was Vivian Maier er, tien jaar geleden. Dat wil zeggen: haar werk, zij was in 2009 in stilte overleden. Eerst ging het wonderlijke verhaal viral online, met een paar kiekjes erbij: het sprookje van een kindermeisje met fotograferen als geheime hobby. Ze was geboren in 1926 in New York, met Franse wortels, paste op kinderen in New York en Chicago. Tijdens dat babysitten fotografeerde ze. Later, in de documentaire Finding Vivian Maier, kwamen meer details over de fotograaf naar voren, of beter gezegd over Maier de rare babysitter: haar oppaskinderen, inmiddels volwassen, herinnerden zich haar als zonderling. Ze was een loner. Ze noemden haar de wicked witch from the west. Als ze liep zwaaide ze met haar armen als een nazi.

In 2014 kwam een tentoonstelling van haar zwart-witfoto’s naar Amsterdam. Foam omschreef haar als toen als iemand die ‘vrijwel haar hele leven lang een nanny’ was, ‘een onopvallende Mary Poppins-achtige verschijning, met een lange wollen jas, herenschoenen en vaak een hoedje’. Nu, zes jaar later, hangen 65 van Maiers kleurenfoto’s aan de muren van Foam. Pas in de derde alinea van de introductie valt het woord ‘nanny’, nu vertaald als ‘gouvernante’. Deze tentoonstelling is gemaakt door de keurige Howard Greenberg Gallery uit New York, Maier lijkt een serieuze fotograaf geworden.

De kleurenfoto’s zijn grappig, treurig, schattig en soms hard. Ze vertellen over het Amerikaanse straatbeeld van vijftig, zestig jaar geleden, en doen tegelijk universele uitspraken over de eigenaardigheden en grillen van de mens. Volwassen foto’s die moeiteloos in de traditionele canon passen, alsof een algoritme een combinatie heeft gemaakt van alle grote fotografen van de periode tussen 1950 en 1980. De perspectieven van William Eggleston, de beweeglijkheid van Lisette Model, de buitenbeentjes van Diane Arbus. Daarbij nog het moderne oog voor detail van Stephen Shore en de absurditeit van de geënsceneerde zelfportretten van Cindy Sherman.

Schijn bedriegt. Wie bekend is met de voetnoten bij de foto’s, met de haken en ogen die achter de fraaie prints zijn weggestopt, wie iets van de geschiedenis van de fotografie begrijpt, herkent schimmige mechanismes die op dergelijke mooie beelden wel vaker inwerken, maar nu, door het ontbreken van interviews met de maker, dagboeken en publicaties, zijn uitvergroot. Het maakt het onbevangen kijken naar de foto’s vrijwel onmogelijk.

Het mysterie begint in 2007, als John Maloof, een dan 26-jarige makelaar en gesjeesde kunstacademiestudent uit Chicago, nieuwsgierig is naar een doos negatieven bij het veilinghuis bij hem om de hoek. Ze zijn daar terechtgekomen omdat Maier de huur van de opslagruimte waar ze lagen niet heeft betaald, wellicht vanwege een misverstand – de opslag was van naam veranderd. Maloof is op zoek naar oude foto’s van de stad, en waagt een gokje op basis van de vage omschrijving, hij betaalt er 380 dollar voor. De naam Vivian Maier staat in de veilingcatalogus als auteur, online kan Maloof geen spoor van haar vinden. Maloof scant wat negatieven en ontdekt een paar mooie beelden. Hij zet er een op Flickr. Hij snijdt het vierkante formaat bij tot langwerpig, en schrijft: ‘1950s – Vivian Maier. This is my favorite picture of vintage Chicago. I have tons of vintage negatives from Chicago in the 50’s and 60’s from Vivian and this one really inspires me as a street photographer. The original negative scan has way more detail, as you imagine.’

Maloof mag meteen Vivian zeggen, vindt hij, en hij maakt duidelijk dat dit slechts het topje van de ijsberg is. Fotokenners reageren enthousiast, Maloof post meer foto’s, het verhaal verspreidt zich. Maloof schrijft online wat hij denkt te weten: dat Maier aan het begin van de jaren dertig vanuit Frankrijk naar de VS kwam en Engels leerde door naar het theater te gaan. ‘Ik heb nog meer informatie over haar, maar die bewaar ik voor een boek’, schrijft hij, en sluit zijn bericht af met een zelfportret van Maier, de eerste keer dat haar gezicht online te zien is. ‘En daarmee had hij een eerste teaser voor zijn boek’, analyseert Pamela Bannos, universitair docent fotogeschiedenis aan de Northwestern University bij Chicago, die in 2017 een kritische studie schreef over het verhaal achter de foto’s van Maier en vooral vraagtekens zet bij de manier waarop Maloof Maiers copyright claimt.

In Foam is de tentoonstelling min of meer thematisch ingedeeld. De titels bestaan uit plaatsnamen – Chicago, New York, Miami – soms ook het artistiek-suggestieve Untitled, meestal gevolgd door een jaartal. Korte teksten geven tussendoor informatie over ‘De Maloof-Collectie’ (ongeveer 120.000 negatieven) en over Maiers gebruik van kleurenfotografie in een tijd dat die vanuit kunstfotografen met minachting werd bekeken. Bij het kopje ‘Geheimzinnig’ staat dat Maier terughoudend was in het delen van haar werk. In de jaren vijftig vroeg ze het fotolaboratorium in het Franse geboortedorp van haar moeder, waar ze tussen haar zesde en haar twaalfde met haar moeder had gewoond en in 1950 ook even was teruggekeerd, afdrukken te maken van haar films, ‘er zitten mooie beelden tussen’, schreef ze. Later was ze, zo meldt het bordje, ‘bang dat mensen haar beelden zouden stelen of misbruiken: bij diverse families waar ze werkte stond ze erop dat de deur naar haar vertrek een slot zou hebben en tegen een werknemer verklaarde ze dat mensen haar met een verrekijker bespioneerden’.

Vivian Maier was ‘bang dat mensen haar beelden zouden stelen of misbruiken’. Terecht

Maloof en de Greenberg Gallery blijven vasthouden aan het verhaal over Maier als persoon, gaan in op haar vermeende karaktertrekken. Had Maier een of meer actieve erfgenamen gehad, zoals bijvoorbeeld Diane Arbus, dan was het vast anders gelopen. In 2012 toonde Foam het werk van deze tijdgenoot van Maier. Arbus werd bekend met haar zwart-witfoto’s van opvallende personages op de straten van New York. Ze zette ‘assorted monsters and borderline cases’ bij elkaar, schreef Susan Sontag ooit. Een omschrijving die de erven van Arbus stoorde, ze zaten bovenop de presentatie: haar zelfmoord werd niet vermeld, ook de omschrijving ‘freaks’ werd nadrukkelijk gemeden. Na haar dood in 1971 had dochter Doon Arbus onderzoekers alle toegang tot haar correspondentie verboden, nog steeds staat ze publicatie van Arbus’ foto’s alleen toe wanneer de bijbehorende tekst haar goedkeuring krijgt. Arbus’ vroege, commerciële werk blijft zo noodgedwongen onderbelicht, een kritische benadering vrijwel onmogelijk.

Vivian Maier heeft sinds haar negatieven op de veiling kwamen geen slot meer op haar deur, Maloof en consorten zijn binnen gedenderd en pikken de krenten uit de pap. In zijn documentaire benadrukt Maloof dat hij wil dat mensen haar ‘bijzondere werk’ kunnen zien. Te zien krijgen ze het inderdaad, de mensen, maar waar ze naar kijken, weten ze niet. Maloof toont foto’s zonder oorspronkelijk bijschrift, zonder context, zonder geschiedenis.

Vivian Maier, Chicago, 1975 © Collection and Howard Greenberg Gallery, New York

Maloof had, zo schrijft Bannos, al in 2009 contact met fotograaf en fototheoreticus Alan Sekula. Die vroeg Maloof om details over Maiers manier van werken, het formaat van de foto’s, bijschriften, uitsnedes. Kortom: hij beschouwde Maier als een fotograaf die aan een oeuvre heeft gewerkt, die wellicht in series werkte. ‘Ze moet een hekel hebben gehad aan de donkere kamer, en daarom de onverwerkte filmrolletjes hebben gelaten voor wat ze waren: een vreemde kortsluiting die vaker voorkomt bij fotografen’, schreef Sekula.

In plaats van in te gaan op haar manier van werken, haar voorbeelden en inspiratiebronnen (het Stedelijk Museum in Amsterdam toont op dit moment foto’s van Bertien van Manen naast een aantal van haar voorbeelden, dat werkt prima), haar eigen bibliotheek die gelijktijdig met de negatieven op de veiling kwam en talloze fotoboeken bevatte, zoals Bannos wist te achterhalen, de inhoud van de krantenknipsels die Maier zo fanatiek verzamelde, de talloze notities en, last but not least, de thema’s en onderwerpen die de fotograaf in haar foto’s toont, komt Maloof niet verder dan het sappige verhaaltje over een gekke nanny die haar belangrijke werk veronachtzaamt voor een geheime hobby.

Het schraalst is de tentoonstelling in Foam in het deel waar de samenstellers proberen zelf een verhaal toe te voegen. Zoals veel fotografen legde Maier vaak haar eigen beeld vast. Als silhouet door een schaduw, of als spiegelbeeld in winkelruiten, spiegels. Vaak in combinatie met reclamepoppen, er is er ook eentje waarbij de fotograaf bij de kapper zit. Deze zelfportretten zijn volgens de samenstellers een ‘zoektocht naar haar verhouding tot de omringende wereld en hoe ze haar eigen rol daarin zag’. Hoe weten ze dat? Veel meer voor de hand liggend is dat ze haar filmrolletje nog even vol wilde maken.

Op het handjevol contactafdrukken van de negatiefstroken die Maloof online heeft gezet, op zijn website vivianmaier.com, is een glimp te zien van hoe Maier werkte. De foto’s waren geen toevalstreffers: ze maakte reportages, je ziet hoe ze één thema, één onderwerp uitdiept. Ze volgt een man die op krukken uit een politiebusje wordt gehaald. Ze volgt Kirk Douglas bij de première van zijn film Spartacus. Een serie mensen op straat die elkaar vasthouden. Bannos zocht verder. Ze bezoekt fototentoonstellingen, Maier was goed op de hoogte van de ontwikkelingen op fotogebied. Ze schiet zeven filmrollen vol tijdens een demonstratie in Chicago na de moord op Martin Luther King, in 1968. Als twee maanden later Robert Kennedy wordt vermoord, fotografeert ze de krantenkoppen.

Maiers werk biedt meer dan genoeg aanleiding om goede tentoonstellingen te maken, blijkt uit Bannos’ boek. In Foam is helaas vooral te zien hoe terecht Maiers argwaan was voor publicatie van haar werk. De tentoonstelling is een schoolvoorbeeld van hoe gebrek aan deugdelijk onderzoek en een uitgekiende mediastrategie een serieuze fotograaf in de 21ste eeuw kan transformeren tot een onbetrouwbare toverheks.


Vivian Maier: Works in Color is nog tot 13 september te zien in Foam, Amsterdam. Pamela Bannos, Vivian Maier: A Photographer’s Life and After Life (2017), The University of Chicago Press