Film

Een ondertoon van optimisme

FILM Ernst Lubitsch

Romantiek, humor en scherpe sociale satire zijn de hoofdingrediënten van de films van Ernst Lubitsch (1892 -1947). Zijn stijl was synoniem met verfijning; hij speelde op subtiele wijze met tekst en visuele symboliek om politieke en psychologische betekenissen te creëren. Een mooi voorbeeld van de Lubitsch-stijl komt uit de film die hem beroemd heeft gemaakt, Ninotchka (1939) met Greta Garbo, en wordt verteld door niemand minder dan de legendarische Billy Wilder, scenarist van Ninotchka en een van de jonge Duitse cineasten voor wie Lubitsch, geboren in Berlijn en in 1922 naar Amerika vertrokken, begin jaren dertig in Hollywood een mentor was. Billy Wilder: ‘Wekenlang werkten we aan een manier om te laten zien hoe Garbo in Ninotchka bezig was bourgeois te worden. Toen zei Lubitsch: “We doen een scène met die hoed.”’ Wilder verwijst hiermee naar een scène waarin Garbo in de film voorbij een etalage loopt, er een extravagante hoed in ziet en vervolgens iets zegt in de trant van: zo’n uitspatting betekent maar één ding, en dat is het einde van het kapitalisme. Wilder: ‘Later, wanneer Garbo alleen is, opent ze een pakje, met erin dezelfde hoed als in de etalage. Ze doet de hoed op haar hoofd en kijkt naar zichzelf in de spiegel. En dat is pure Lubitsch: totale eenvoud.’
Juist in die eenvoud vond Lubitsch, misschien paradoxaal, het raffinement dat de rode draad in z’n oeuvre vormt. Maar er is nog iets bij Lubitsch, iets unieks dat later ook nadrukkelijk in het werk van Wilder aanwezig zou zijn, en dat is een ondertoon van optimisme over de mens en zijn wereld. Zo is de hel technicolor en de duivel een gentleman in Heaven Can Wait (1943), een van Lubitsch’ laatste films en z’n eerste in kleur. Het verhaal is eenvoudig, maar onder de oppervlakte borrelen allerlei complexe seksuele en maatschappijkritische motieven: de beeldschone Gene Tierney speelt de rol van Martha uit Kansas die als een blok valt voor Henry van Cleve (Don Ameche), een playboy uit Manhattan. Ondanks de humor is het thematisch een donkere film, waarin de dood als een schaduw in al het technicolorgeweld aanwezig is. Henry van Cleve zegt tegen de duivel, als een stout jongetje: ‘My whole life has been one big misdemeanor.’ Maar bij Lubitsch is het ergste aan de hel dat je er geen Beethoven, Bach of Mozart kunt luisteren. Hoewel, dat is erg!
Heaven Can Wait is naast Ninotchka (gerestaureerd) een van de grote genietingen van het Ernst Lubitsch-programma van het Filmmuseum. Nog een hoogtepunt is het vertonen van Trouble in Paradise (1932), een vroege gietvorm van de screwball comedy die een grote invloed had op het werk van Howard Hawks en Preston Sturgess en, in de moderne tijd, op makers van sitcoms als Will and Grace en het tamelijk briljante King of Queens. In Trouble in Paradise vormen de hoofdrolspelers – de charmante dief Gaston Monescu (Herbert Marshall), de mooie zakkenroller Lily (Miriam Hopkins) en de beeldschone parfummagnaat Mariette Colet (Kay Francis) – een voor die tijd schokkende liefdesdriehoek, waarbij Gaston net als Henry in Heaven Can Wait seksuele vrijheid ziet als iets wat moet worden gekoesterd.
Een heerlijke metafoor in Trouble in Paradise, en nog een voorbeeld van Lubitsch’ geraffineerde stijl, komt voor in de verhaallijn waarin Madame Colet haar handtas tijdens een avond bij de opera kwijtraakt. Ze looft vervolgens een beloning uit voor het terugvinden ervan, waarop rijen in smoking gestoken mannen zich melden. De connotaties van het tasje, symbool van Colets vrouwelijkheid en seksuele identiteit, zijn vandaag nog verrukkelijk amoreel, en wel zonder een zweem van beklemming. Trouble in Paradise is een van Lubitsch’ beste films en naar verluidt was het zijn persoonlijke favoriet.

Ninotchka, Filmmuseum Amsterdam, Filmhuis Den Haag, Lantaren/Venster Rotterdam, vanaf 24 mei. Ernst Lubitsch-programma, 31 mei t/m 27 juni in het Filmmuseum Amsterdam