Giuseppe Tomasi di Lampedusa

Een ondoorgrondelijke Siciliaanse ziel

Giuseppe Tomasi di Lampedusa, De tijgerkat

Vertaald door Anthonie Kee Uitg. Atheneum – Polak & Van Gennep 268 blz., ƒ59,90

Ergens in dat onverwoestbare prachtboek De tijgerkat (Il gattopardo, 1958), een kroonjuweel uit de Italiaanse literatuur, laat Giuseppe Tomasi di Lampedusa zijn hoofdpersoon Don Fabrizio, prins van Salina, dit over de Sicilianen zeggen: «Wij zijn oud, stokoud. Al minstens vijfentwintig eeuwen lang torsen wij op onze schouders het gewicht van allerlei prachtige beschavingen, alle reeds compleet en vervolmaakt van elders gekomen, geen enkele waarop wij ons stempel hebben gedrukt (…), wij vormen sinds vijfentwintig eeuwen een kolonie.»

Inderdaad is er waarschijnlijk geen andere plek in Europa die zozeer de invloed van vreemde overheersingen heeft ondergaan als Sicilië. De geschiedenis van het eiland ís er een van invasie en bezetting, van een komen en gaan van achtereenvolgens Grieken, Romeinen, Arabieren, Noormannen, Byzantijnen, Barbaren, Spanjaard en en Fransen. Scherven uit al die culturen zijn nog overal op het eiland terug te vinden, en op de bewoners lieten al deze passanten van allerlei slag al evenzeer hun sporen na. Wie zoveel wisseling van de macht heeft meegemaakt, doorziet de mechanismen ervan ten slotte met gemak.

Nadat Garibaldi op 11 mei 1860 met zijn legertje vrijwilligers Marsala was binnengetrokken en de Sicilianen zich per referendum aansloten bij het jonge Italië, dat vanuit de hoofdstad Turijn politiek vorm zou krijgen, kwam er een eind aan dit onophoudelijke koloniseren. Sindsdien is Sicilië het spreekwoordelijke blok aan het been van de Italiaan se republiek, een staat in de staat waar wetteloosheid heerst en de maffia regeert. Leonardo Sciascia, de Siciliaanse auteur van enkele intrigerende romans waarin voor die maffia een hoofdrol is weggelegd, noemde zijn eiland daarom ooit «een metafoor voor de perversies van de macht».

Met de gevolgen van die eeuwenlange versmelting van overheersing, protectie, intriges, oligarchie, onafhankelijkheidsdrang, verzet en georganiseerde misdaad, dat broeierige mengsel van deugden en ondeugden, weten Siciliaanse auteurs over het algemeen wel raad. Luigi Pirandello bijvoorbeeld creëert er een wereld mee vol groteske maar niettemin hardvochtige geboden en verboden waarin zijn protagonisten zich op de been houden met list, bedrog en scepsis, die van Sciascia wordt geregeerd door hemeltergende machts machinaties en volstrekte redeloosheid, en voor Elio Vittorini staat Sicilië symbool voor mythe, verdriet, verlies en dood.

Ook in De tijgerkat zijn verlies en dood allesoverheersend aanwezig in al hun schakeringen van wat weemoedig maakt, voorbijgaat, onherroepelijk verdwijnt maar paradoxaal genoeg juist daardoor zich opnieuw opdringt en onvergankelijk blijft. Beide zijn bindmiddel in wat de sicilianità heet, een gemoedsgesteldheid van indolentie en hartstochtelijk fatalisme die Lampedusa liever als een toestand van «wellustig dagdromen» en «doodsverlangen» karakteriseert en met behulp van zijn belangrijkste protagonisten de prins van Salina en de jonge neef, tevens zijn oogappel, Tancredi verbluffend navoelbaar maakt in zijn magistrale roman. Daarin veronderstelt hij dat de Siciliaanse aard overigens minder een gevolg is van de historische omstandigheden dan van de klimatologische omstandigheden en het landschap omdat dat «geen midden kent tussen zinnelijke weekheid en helse hardheid; dat in geen enkel opzicht klein of banaal is, ontspannen of menselijk, zoals je zou mogen verwachten van een land dat bestemd is voor redelijke wezens».

Elk menselijk handelen wordt in de onbeweeglijkheid van de Siciliaanse ziel weerspiegeld als volstrekt ijdel streven. In het Italiaans is dat gemoed naar de titel van deze roman gattopardismo gaan heten. Al direct in het begin van de roman geeft Tancredi daar deze dubbelzinnige omschrijving van: «Als we willen dat alles blijft zoals het is, moeten we alles veranderen.

Giuseppe Tomasi, hertog van Palma en prins van Lampedusa werd in 1896 in Palermo geboren als telg van een vooraan staan de aristocratische dynastie. De familie bezat veel landgoederen, enkele kastelen en buitenverblijven. Maar dat alles raakte in verval na de eenwording van Italië in 1861, toen de opkomende burgerij haar machtsinvloed eindelijk kon gaan uitbreiden en het laatste woord niet langer van de adel kwam. Die verwording van bezittingen, het interieur en de verzameling snuisterijen en relikwieën is op diverse plaatsen in het boek minutieus in beeld gebracht.

De roman is het resultaat van Lampedusa’s lang gekoesterde wens ooit nog eens te beschrijven hoe zijn overgrootvader de meidag waarop zijn eiland door Garibaldi onder de voet werd gelopen, onderging en verwerkte. Tot aan zijn dood in 1958 bleef hij aan deze hommage werken, schrijvend en herschrijvend, zo zal later blijken als de vele varianten uit zijn erfenis opduiken. Hij had het boek graag nog voor zijn dood gedrukt willen zien, maar bij uitgeverij Einaudi ziet directeur Elio Vittorini er niets in. De tijgerkat is naar zijn oordeel «te weinig constructief, te pessimistisch». Vittorini is op dat moment als auteur een van de invloedrijkste vertegenwoordigers van het neorealisme in Italië, een generatie schrijvers die met de ideeën van Antonio Gramsci in hun achterzak engagement in de literatuur bepleitten; boeken moesten een tendens van vooruitgang verbeelden.

Als Giorgio Basani het manuscript na Lampedusa’s dood in handen krijgt, begrijpt hij — zo blijkt uit zijn nawoord dat de eerste uitgave begeleidt — onmiddellijk dat hij goud in handen heeft. Niet alleen schat hij de literaire merites van dit onsterfelijke werkstuk op waarde, het boek blijkt daarbij al snel een doorslaand succes binnen en buiten Italië.

De tijgerkat is de enige roman die Lampedusa naast enkele korte verhalen schreef. De roman bevat de wederwaardigheden van de Salina’s, een familie die via eeuwenoude banden met het eiland is verbonden, en meer in het bijzonder die van Don Fabrizio. Het verhaal loopt vanaf de dag dat Garibaldi’s leger Sicilië betrekt bij inspanningen voor de eenwording van Italië tot ver na Don Fabrizio’s dood wanneer zijn dochters, inmiddels kwezelige bessen geworden, de laatste overblijfselen van wat ooit een glorierijk, dynastiek bolwerk was nog overeind proberen te houden

Hoewel de prins landgoederen en paleizen te verdedigen heeft, ondergaat hij de gebeurtenissen vanaf het eerste moment gelaten. Meer dan op de wanorde van de verwarde tijden richt hij zijn blik op de harmonie van de kosmos met daarin de enige soeverein die Sicilië wel klein heeft gekregen: «De onbeschaamde, weldadige zon, de verdovende zon ook, die de wil van de enkeling tenietdeed en die alles liet bestaan in een slaafse onbeweeglijkheid.»

Waar hij toeziet hoe de nieuwe rijken, hier in de persoon van burgemeester Calogero Sedara, de macht van de adel overnemen, kiest de al even cynische Tancredi voor het nieuwe elan en sluit zich uit zuiver opportunistische redenen aan bij het leger van Garibaldi. Zijn enige oogmerk is het behoud van de eigen positie. Vervolgens negeert hij de codes van de eigen stand en trouwt niet, zoals verwacht kon worden, Fabrizio’s dochter Concetta maar de beeldschone, zinnenprikkelende burgemeestersdochter Angelica. Uiteraard omdat er liefde in het spel is, maar ook vanwege het geld en de zekerheid van een invloedrijke toekomst. Om zijn wendbaarheid bewondert zijn oom Fabrizio hem zeer terwijl de ingekeerde Concetta hem erom zal hebben geminacht.

Anders dan door de politieke gebeurtenissen die hij op afstand blijft volgen, wordt de prins wel degelijk geraakt door deze veranderingen in de persoonlijke sfeer, en het blijft intrigerend hoe. Hij lijkt de Siciliaanse ziel beter te doorgronden dan die van hemzelf, een van de redenen waarom het boek ook bij herhaalde lezing blijft boeien.

Je kunt De tijgerkat lezen als een historische roman, maar het is er wel een die geraffi neerd met het genre aan de haal gaat en op allerlei onverwachte momenten de illusie van een imaginair verleden amusant ver stoort. Zo maakt Lampedusa nu eens een vergelijking met een supersonische straaljager, haalt hij er dan weer Freud of Eisenstein bij, en wanneer de prins in het hoofdstuk van de beroemde balscène de goden op het plafond bekijkt, laat hij zijn verteller met gevoel voor ironie zeggen: «Zij meenden het eeuwige leven te hebben, maar een bom, gefabriceerd in Pittsburgh, Pennsylvania, zou hun in 1943 het tegendeel bewijzen.»

Met deze verwijzing naar een voltreffer die Lampedusa’s eigen huis in Palermo zou verwoesten, verbindt hij lot en persoon uit de roman met dat van zichzelf, iets wat hij later nog eens deed in een brief die hij schreef vlak voor zijn dood: «De protagonist, Don Fabrizio, drukt volledig mijn ideeën uit, en Tancredi, zijn neef, is het evenbeeld van Giò (zijn stiefkind) wat betreft uiterlijk en gedragingen; maar wat de moraal betreft is Giò gelukkig veel beter dan hij.»

Dat is wat je lezende allang had vermoed: de verbeelding van het verleden is hier een em bleem voor het eigen leven en de eigen tijd. Lampedusa’s roman, waarvan de vertaling door Anthonie Kee al evenzeer een meesterstuk is geworden, is misschien meer nog een zelfportret dan een portret van zijn grootvader. En daarbij een even lyrische als zinstrelende roman en een weergaloos testament.