Een onfrustreerbare humanist

Van sommige schrijvers hoop je dat ze heel oud worden. Je verwacht nog wat van ze, je hoopt dat ze zichzelf nog een keer overtreffen en dat ze, zonder hun vorige werk te verloochenen, nog een keer van gedaante zullen veranderen. Van Elias Canetti hoopte ik dat meer dan van wie ook. En eerlijk gezgd hield ik er ook rekening mee: Canetti was al vaker na een lange onderduikperiode geheel nieuw te voorschijn gekomen.

Canetti had nog zoveel te zeggen, zijn werk hield nog zoveel beloften in (hield? over zijn werk moet nog haast alles worden gezegd): het vervolg op Masse und Macht, door de auteur zelf lang in het vooruitzicht gesteld (het zou gaan over het proces van het zich identificeren en - uiteindelijk - de metamorfose); een vierde deel van zijn herinneringen (het derde, Das Augenspiel, eindigt in 1937); misschien nog een nieuw toneelstuk of een nieuwe roman; in elk geval nieuwe essays en aforismen.
Maar mijn hoop dat Canetti een oudtestamentische ouderdom zou bereiken werd toch vooral ingegeven door het verlangen dat hij erin zou slagen de dood blijvend op afstand te houden. Van de niet- religieuze moderne denkers is er niemand die de dood zozeer als een onacceptabele schande heeft gezien, niemand ook die zich zozeer tegen die schande heeft verzet. Als er ooit iemand in zou slagen aan de dood te ontglippen, dan was het Canetti.
Het eerste wat ik van Canetti las was Die Blendung, zijn enige roman, in de vertaling van Jacques Hamelink (Het martyrium, 1967). Dat boek greep me, meer nog dan destijds het werk van Kafka, naar de strot. Op zo indringende, raadselachtige, grotesk-ontroerende wijze was er nooit eerder geschreven over moderne eenzaamheid, meer in het bijzonder de gevaarlijke eenzaamheid van het zuivere intellect (‘een hoofd zonder wereld’), over paranoia en mentale verharding, over de bedreiging door de massa in onszelf, over destructie en zelfdestructie, en nog zoveel meer. Ongelooflijk dat dit reusachtige boek was geschreven door iemand van vijfentwintig jaar, zelfs als je de bevoorrechte omstandigheden van zijn jeugd, die hijzelf in Die gerettete Zunge zo mooi heeft beschreven, in aanmerking neemt.
Na Die Blendung heeft Canetti zich meer dan twintig jaar op Massa en macht geconcentreerd, zijn onderzoek naar de wortels van het fascisme. Canetti is waarschijnlijk de enige twintigste-eeuwse schrijver die zowel op literair als op geesteswetenschappelijk gebied boeken van het hoogste niveau heeft geschreven. Massa en macht is een bevreemdend boek. Het lijkt de hele directe voorgeschiedenis van het fascisme te negeren, het sluit in geen enkel opzicht aan op moderne massapsychologische inzichten maar haalt zijn wijsheid vooral uit mythen.
Bij wijze van afleiding schreef Canetti in de jaren dat hij zich op de studie van de oudste mythen wierp om de nieuwste te helpen ontraadselen, dagelijks twee uur Aufzeichnungen op. Twee selecties daarvan zijn in het Nederlands vertaald. Uit de laatste, Vliegenpijn, citeer ik het laatste aforisme, een zin die illustratief is voor Canetti’s onbreekbare en onfrustreerbare humanisme: 'Wanneer hij zegt dat hij aan niets gelooft dan aan gedaanteverandering, betekent dit dat hij zich oefent in het ontglippen, wel wetend dat hij de dood nog niet ontglippen zal, maar anderen, ooit anderen.’