Henk Badings

Een ongemakkelijk componist

Dit weekeinde wordt tijdens de muziekdriedaagse Licht op Badings in de Rotterdamse Doelen werk van Henk Badings uitgevoerd. Terug uit de vergetelheid.

Voor me ligt de bescheiden uitgevallen partituur van een symfonie voor strijkers. Jaar van publicatie: 1960. Het jaar waarin Berio Momenti componeerde, Peter Schat werkte aan zijn Entelechie I en de malle Karlheinz Stockhausen aan Carré. In abstract historische zin is dit nieuwe muziek.

Dat is aan de partituur niet te zien. De notatie is volstrekt conventioneel. Er zijn drie delen volgens het reguliere stramien snel-langzaam-snel, met een stemmige langzame inleiding voor het openingsdeel. Ouderwets vakmanschap is het wel. Je ziet het aan de vlakverdeling van de noten, de factuur. Sobermans regeert. Geen woord van toelichting. Geen ruimtelijke orkestopstelling. Geen pretentieuze motto’s. Hier is een componist aan het woord die de muziek voor zichzelf durft te laten spreken, wat in beginsel een goed teken is.

Ik heb een foto van hem. Hij oogt intelligent en serieus. Een man in pak, uit een andere tijd. Op de gok zou je zeggen: hoge post bij een trots vaderlands bedrijf. Directeur Groot Materieel bij de Spoorwegen, chef Gloeilampen bij Philips. Als onze koningin zo’n kop ziet, grijpt ze ter nagedachtenis van Wilhelmina subiet in haar bak lintjes.

Goed stuk. Compact: de componist perst een complete symfonie in de tijdspanne die componisten van Echte Negenden aan een Eerste Deel spenderen: binnen een kwartier ben je klaar. Zelfs op divertimentoschaal is deze componist geen lachebek. Al deinst hij niet terug voor een dansritme in wat programmatoelichters anno 1960 waarschijnlijk een ‘uitbundige finale’ zouden noemen, de toon blijft streng, met een floers van grauwheid. In het middendeel, in toelichtersjargon te duiden als ‘intens’ of ‘hymnisch’, wordt de geest van Mahler aangeroepen en de noten maken duidelijk waarom die geest ten slotte voor de eer bedankt; zo heeft hij vaak genoeg gezongen met die boze bassen en dan wél met reden, in het ongelukkige besef dat men zijn leven op het spel moet zetten om dit spel met de vereiste pathetiek te kunnen spelen. Tegenover dit gebrek aan diepte plaatst de anonieme componist geen grootse lichtheid. Wat blijft hangen is koele bewondering voor een muziek van een wetenschappelijke geest die nooit stilvalt, omdat je proeft dat hij op zijn strategische vernuft kan blijven bouwen.

Niettemin: van niveau.

Dit is de Negende Symfonie van Henk Badings. Zelden maakte een Negende zich zo klein. Voor Badings’ oeuvre geldt het tegenovergestelde. Badings (1907-1987) componeerde en gros: vijftien symfonieën, tientallen concerten, tien balletten, kamermuziek, elektronische muziek en zes opera’s (ook elektronische).

Een ongemakkelijk componist, door het ondefinieerbare van zijn historische positie. Enerzijds voortzetter van de klassiek-romantische traditie, anderzijds pionier op het terrein van de elektronische muziek. Lastig is verder dat zijn eerste stigma – veelschrijver – sinds 1945 vergezeld gaat van een tweede: dat van collaborateur. In 1941 werd hij benoemd tot directeur van het Haags Conservatorium, nadat zijn joodse voorganger Sem Dresden door de Duitsers van zijn post ontheven was. Ook zat hij enige tijd de vakgroep Componisten voor van het onder auspiciën van de bezetter opgerichte Muziekgilde. Daarnaast componeerde hij in opdracht van de Nederlandse Kameropera, opererend onder de vleugels van de Nederlands-Duitse Kultuurgemeenschap, in 1942-1943 de opera De Nachtwacht.

Voor zijn opstelling in oorlogstijd zou hij boeten. Eerst strafte een Ereraad hem in 1945 met tien jaar uitsluiting van het Nederlandse muziekleven. Die strafmaat werd kort na dat vonnis weliswaar bekort tot 2,5 jaar, Badings was voorgoed ‘besmet’, hoewel zijn muzikale en wetenschappelijke loopbaan in binnen- en buitenland daar niet noemenswaardig onder heeft geleden. Hij bekleedde docentschappen in Utrecht en Stuttgart, was gasthoogleraar in Australië en de Verenigde Staten en incasseerde de ene compositieopdracht na de andere. De ergste straf kwam na zijn dood: totale vergetelheid.

Zijn marginale plaats in het Nederlandse muziekleven contrasteert schril met de roem van zijn jonge jaren, toen het Concertgebouworkest onder Van Beinum en Mengelberg zijn symfonieën uitvoerde en zijn werk werd uitgegeven door Schott en Universal; in 1942 componeerde hij in opdracht van de Wiener Philharmoniker zelfs een Symfonische Proloog voor het eeuwfeest van dat ook toen al wereldberoemde orkest. Dan was je iemand. En dat terwijl Badings als componist, afgezien van een paar instrumentatielessen bij Willem Pijper, grotendeels autodidact was. Zijn Eerste Symfonie en zijn Eerste Celloconcert (1930) componeerde hij tijdens zijn studie geologie aan de Technische Hogeschool in Delft, die hij in 1931 overigens summa cum laude voltooide, om, tot hij drie jaar later definitief voor de muziek koos, te beginnen aan wat waarschijnlijk ook een grote wetenschappelijke loopbaan had kunnen worden.

Dit weekeinde is Badings’ Negende in de Rotterdamse Doelen onderdeel van de muziekdriedaagse Licht op Badings, een initiatief van een aantal Rotterdamse muziekpodia en het Nederlands Muziek Instituut. Naast de Negende klinken onder meer een Altvioolconcert, de Symfonische Triptiek en een handvol kamermuziekwerken. Ga luisteren. Hij is fascinerend. Een meeloper wellicht, maar niet in zijn muziek.

www.badings.nl, www.doelen.nl