‘Een ongemakkelijke eenmansbrigade’

Toen Donald Trump werd verkozen haalde 1984 weer de bestsellerlijsten. Ook de essays van George Orwell over het samenspel tussen taal en politiek inspireren tot verzet. Reden om in de Groene een special aan de schrijver te wijden.

Waarom we George Orwell moeten lezen

George Orwell in 1945 © Ullstein Bild/Getty Images

Het moment in zijn leven dat George Orwell zich het meest gehaat voelde, was op een dag ergens halverwege de jaren twintig, in Moulein, Beneden Birma. Een olifant was losgebroken en terroriseerde een bazaar. Orwell, een officier van de koloniale politie, moest ingrijpen.

Terwijl hij op zijn pony door de stad gaat, met zijn geweer onder zijn arm, beginnen de Birmezen al te joelen. Hij komt in een arme wijk, een labyrint van vieze bamboehutten, afgedekt met palmbladeren. Verschillende bewoners zeggen dat het om een tamme olifant gaat die een periodieke aanval van razernij heeft, hij heeft een vuilniswagen omgekieperd, een koe gedood, wat fruitstalletjes geplunderd en een bamboehut vertrappeld. Als Orwell ergens achter een hut geschreeuw hoort ziet hij een dode man met uitgestrekte armen en benen in de modder liggen, bijna naakt. De wrijving van de grote poot van de olifant heeft de huid van zijn rug gestroopt, ‘zo keurig als men een konijn afstroopt’.

Maar dan staat Orwell oog in oog met het dier en weet meteen: ik wil hem niet doodschieten. ‘Dat was altijd hetzelfde in het Oosten; op een afstand klinkt een verhaal altijd duidelijk genoeg, maar hoe dichter je het toneel van de gebeurtenissen nadert, hoe vager het wordt.’

Het beest is kalm, niet gevaarlijker dan een koe – zijn razernij is vast bekoeld. Hij staat daar gras te eten, ‘met dat bezige grootmoederlijke air dat olifanten kunnen hebben’. Het lijkt hem ‘een kleine moord’ om het beest dood te schieten.

Alleen: achter Orwell staan inmiddels zo’n tweeduizend Birmezen. Niet dat die het lef hebben om een opstand te beginnen, schrijft Orwell, maar de anti-Europese gevoelens zijn bitter. Overal waar hij komt worden beledigingen van een veilige afstand naar hem geroepen. Als een handige Birmees hem op het voetbalveld laat struikelen kijkt de scheidsrechter, ook een Birmees, altijd net de andere kant op. Hij snapt die minachting, want als politieagent zie je ‘het vuile werk van het Imperium van dichtbij’. Hij weet van de stinkende kooien waarin ongelukkige gevangenen hutjemutje zijn opgesloten, weet dat ze littekens op hun rug dragen van de hardhandige afranselingen met bamboe. Die dingen geven hem een ondraaglijk schuldgevoel, alleen zit hij in de val ‘tussen zijn haat voor het rijk dat hij diende’ en zijn woede ‘jegens de kwaadaardige kleine beesten’ die hem zijn werk onmogelijk maken.

Hun blik voelt hij in zijn rug. ‘Ze bekeken me zoals ik een goochelaar zou bekijken die op het punt stond een truc te vertonen.’ Het is hem volkomen duidelijk wat hem te doen staat: hij moet de olifant naderen tot 25 meter, en als hij rustig zal reageren, zal hij de olifantenhouder vragen het beest terug naar huis te escorteren. ‘Maar ik wist ook dat ik dat niet zou doen.’

De Birmezen willen dat hij schiet, dat hij de kwade macht uitoefent die hij belichaamt – en dat hij niet uit die rol kan breken. Het tekent voor hem de futiliteit van de witte overheersing van het Oosten: op het oog lijkt hij de hoofdrolspeler van het stuk, maar in werkelijkheid is hij de belachelijke marionet van de Birmezen achter hem. ‘Ik begreep op dit moment dat als de witte man een tiran wordt, het zijn eigen vrijheid is die hij vernietigt (…) Want het is de voorwaarde voor zijn macht dat hij zijn leven moet besteden aan het maken van “indruk” op de inheemse bevolking en dus moet hij in elke crisissituatie doen wat de “inlanders” van hem verwachten. Hij draagt een masker en zijn gezicht past zich daarbij aan. Ik moest de olifant doodschieten.’

Dus dat doet hij. Slecht. Hij schiet en de olifant gaat neer. De menigte juicht, maar de olifant is niet dood. Orwell moet nog eens schieten, en nog eens, en nog eens. De olifant sterft hartverscheurend langzaam, kreunend, lijdend.

Veel later, na zijn dood, toen Orwell door letterkundigen, historici en politicologen zo’n beetje de meest bestudeerde schrijver van zijn tijd was geworden, kreeg zijn weduwe, Sonia Orwell, een punthoofd van wetenschappers die wilden weten of hij echt op die olifant had geschoten. Ze schreeuwde het uit tegen een biograaf, door het chique restaurant waar ze lunchten: ‘Of course he shot the fucking elephant!’

Het naleven van George Orwell is altijd onvoorspelbaar geweest – al was het maar omdat zijn reputatie bij leven niet zo heel veel voorstelde. In de jaren dertig was hij een ‘minor novelist’, een beetje een curieuze figuur die nergens echt bij hoorde. Zijn columns voor de aan Labour gelieerde krant Tribune werden als lichtgewicht gezien, van de eerste druk van vijftienhonderd exemplaren van zijn verslag van zijn frontervaringen in de Spaanse Burgeroorlog, Homage to Catalonia (1938), bleven er zeshonderd onverkocht. Pas na zijn oorlogsjaren – waarin hij voor de bbc werkte – werd hij serieuzer genomen, met het commerciële succes van Animal Farm (1945) en met een serie essays over nationalisme en totalitarisme in het tijdschrift Polemic. Toen Nineteen Eighty-Four verscheen, in 1949, was hij al ziek – tuberculose.

Hij stierf in 1950 en werd begraven in het gehucht Sutton Courtenay, onder zijn echte naam: ‘Hier ligt Eric Arthur Blair, geboren op 25 juni 1903, gestorven op 21 januari 1950.’

Tot genoegen van links verwierp Orwell het Britse Rijk. Tot genoegen van rechts verwierp hij het communisme

Met andere woorden: hij maakte zelf niet mee hoe ‘orwelliaans’ een standaarduitdrukking werd, hoe het lexicon van 1984 gemeengoed werd, ‘Big Brother’, ‘double speak’, en ‘gedachtepolitie’ staande begrippen. Aan zijn jonge weduwe Sonia gaf hij nog mee dat hij postuum liever geen biografen over zich heen kreeg, maar die waren niet weg te houden. Vanaf de jaren zestig ontstond er wat een criticus noemde een ‘Orwelliaans Industrieel Complex’. In de jaren zeventig verkochten 1984 en Animal Farm gemiddeld zo’n half miljoen exemplaren in Engeland; in 1984 verkocht 1984 in de Verenigde Staten vijftigduizend exemplaren, per dag.

Na de val van de Muur en het wegvallen van acute dreigingen van totalitaire systemen voor de lezers in het Westen kregen zijn boeken weer andere betekenissen. Voor het postkoloniale denken is hij een bron, omdat hij – zie Een olifant omleggen – zo scherp had geschreven over de ontmenselijkende machtsdynamiek in het Britse Rijk. In tijden van fake news en alternatieve feiten zijn zijn essays over het samenspel tussen taal en politiek inspiratiebronnen voor verzet. In tijden van ‘surveillance-kapitalisme’ vindt zijn Big Brother een nieuwe gedaante in de vorm van Big Data. Met de verkiezing van Donald Trump schoot 1984 weer omhoog in de bestsellerlijsten van Amazon. Voor Brexiteers is zijn patriottisme essentieel, al was het maar omdat hij zo’n beetje de enige intellectueel is die ooit de moeite heeft genomen een heel essay te schrijven over waarom de Engelse keuken superieur is aan de Franse.

‘St. George’, noemde Julian Barnes hem al eens, meer dan tien jaar geleden in een essay in de New York Review of Books: hij is multi-interpretabel, kneedbaar, ambassadoriaal en patriottistisch. Tot genoegen van links verwierp hij het Britse Rijk. Tot genoegen van rechts verwierp hij het communisme. Tot plezier van bijna iedereen waarschuwde hij tegen de corrumperende werking en het misbruik van taal in de politiek en het publieke leven.

Hij houdt niet van luxe, van mode, sport, frivoliteit, schreef Barnes. Hij houdt van bomen en rozen en heeft het zelden over seks. ‘Hij is een ongemakkelijke, waarheid sprekende eenmansbrigade, en wat is er meer Engels dan dat? Toen hij zichzelf opnieuw doopte gaf hij zichzelf nota bene de naam van de beschermheilige van Engeland, George.’

Eton, 1921. George Orwell zittend op de tweede rij van onderen, rechts tegen het muurtje © John Johnston / flickr

Zijn overlijden was vorig jaar zeventig jaar geleden, wat betekent dat dit jaar, vanaf 1 januari, het Engelse copyright op zijn teksten is komen te vervallen. In het Verenigd Koninkrijk geeft zijn uitgever elk boek een nieuw kaftje en worden al zijn essays opnieuw gerangschikt. In Nederland heeft De Arbeiderspers dit najaar Waarom ik schrijf uitgebracht, zijn verhalende essays – waarschijnlijk zijn beste werk, want sterker, verrassender en ontroerender dan zijn romans, wat mij betreft. Later deze maand verschijnt bij Standaard Uitgeverijen Mijn land, rechts of links, in maart verschijnt bij Bijleveld Waarom ik schrijf, en andere literaire essays, en in mei verschijnt bij ISVW Uitgevers Tegen totalitarisme: Essays over politiek en literatuur. Kortom: zeventig jaar na zijn dood is hij meer omnipresent dan ooit.

Dat Orwell überhaupt ooit politieagent in Birma was, was een vreemde wending. Daarvoor had hij met een beurs op de exclusieve school Eton gezeten, de springplank voor de kinderen van de elite naar Oxford of Cambridge. Toen hij zijn diploma haalde lag die weg voor hem vrij, maar redelijk onbegrijpelijk koos hij voor een carrière in de Indian Imperial Police, niet direct een loopbaan met veel aanzien. Hij straalde als jongeman niet veel ambitie uit, had ook weinig op met het gezag, had sowieso weinig op met het Britse Rijk.

Waarom hij toch naar Birma trok is voor biografen een beetje een raadsel gebleven, zoals zo veel in zijn leven onverklaard is. Er moet een reden zijn geweest dat Eric Arthur Blair – geboren in Mothari, India, 1903 – ervoor koos onder een pseudoniem te schrijven, maar dat kan niet zijn geweest om zijn eigen privé-leven af te schermen. Dat was er namelijk nauwelijks. Zijn eerste huwelijk met Eileen O’Shaunessy blijft een enigma – hun correspondentie is grotendeels verloren gegaan en zijn reactie op haar vroege overlijden, tijdens een hysterectomie, was onverklaarbaar koel. Nu uitte hij die reactie in brieven aan mensen die hem niet goed kenden, maar daar staat tegenover dat niemand hem echt goed kende.

Over dat huwelijk schreef hij in een brief aan een kennis: ‘Ik heb weinig fysieke jaloezie. Het maakt me niet zo uit wie met wie naar bed gaat, het maakt me meer uit om trouw te zijn in de emotionele en intellectuele betekenis. Ik was soms ontrouw aan Eileen, en behandelde haar slecht, en ik denk dat ze mij ook soms slecht behandelde, maar we hadden een echt huwelijk in de zin dat we samen door moeilijke periodes waren gekomen, ze begreep mijn werk et cetera.’

Vooral dat ‘et cetera’ is echt een hartverwarmende manier om een huwelijk samen te vatten. Ook als je zijn oorlogsdagboeken leest (een paar jaar geleden nog uitgegeven in de Privé-domeinreeks) ontbreken alle persoonlijke reflecties. Biografen wijzen er graag op dat Orwell zelf zei dat hij uit de ‘lower-upper-middle-class’ kwam, maar dat het belangrijkste woordje in die opsomming ‘lower’ was. In de Engelse klassenmaatschappij zat hij permanent op de wip, was hij net nooit helemaal veilig in zijn sociale laag, altijd bang omlaag te vallen. Vandaar zijn afkeer van de privileges van de elite, van het Rijk, van politieke bazen, van het grootkapitaal. Veel van de verhalende essays in Waarom ik schrijf staan vol gênante anekdotes – dat hij een belabberde agent was, zich permanent schuldig voelde over zijn macht, dat hij in zijn bed plaste op zijn exclusieve kostschool, dat hij gruwde van de manieren van de arbeidersklasse, terwijl hij zich zo met hen wilde identificeren. Schrijven leek een manier om zijn klassenschaamte van zich af te werpen, een boetedoening. Wat hij wilde was verdwijnen in zijn schrijven.

In zijn essay Waarom ik schrijf, uit 1946, schreef Orwell dat er vier beweegredenen zijn om proza te schrijven – die alle vier in verschillende mate in elke schrijver aanwezig zijn:

  1. Puur egoïsme. Dat wil zeggen het verlangen ‘om een intelligente indruk te maken, een onderwerp van gesprek te vormen, voort te leven na je dood, je te wreken op volwassenen die je als kind de mond snoerden, enzovoorts’.

  2. Esthetische geestdrift. Daarmee bedoelde hij het talige van de literatuur, het verlangen ritmisch te schrijven, klanken te laten rijmen. Zelfs schrijvers van brochures hebben hun geliefkoosde woorden of zinswendingen. Niet bij iedereen heeft deze geestdrift voorrang, maar elke schrijver kent hem, want: ‘Boven het niveau van het spoorboekje is geen enkel boek helemaal vrij van esthetische overwegingen.’

    Orwell is de klassenbeschaamde snob, de niet-intellectuele denker, de niet-literaire schrijver van grote literatuur
  3. De historische prikkel. ‘Het verlangen om de dingen te zien zoals ze zijn, om de waarheid uit te zoeken en voor het nageslacht te bewaren.’

  4. Politieke doeleinden. Dit is schrijven vanuit de behoefte de wereld een bepaalde richting op te duwen, om de opvattingen van mensen te veranderen. Volgens Orwell is geen boek vrij van politieke vooringenomenheid, sterker nog: ‘De mening dat kunst niets te maken dient te hebben met politiek is op zichzelf een politieke denkwijze.’

Natuurlijk leidde dit tot wat je bij andere schrijvers een poëtica zou noemen, maar bij iemand die zo politiek was als Orwell was het eerder een beginselverklaring. Proza mocht niets verhullen, of ergens met fraaie zinswendingen omheen praten. Nee: ‘Goed proza is als een vensterruit.’ Voor Orwell was het duidelijk wat je door die ruit moest kunnen zien: ‘Iedere regel die ik sinds 1936 schreef, is direct of indirect geschreven tégen het totalitarisme en vóór het democratisch socialisme zoals ik het opvat.’

1936 dan. Het jaar waarin Orwell, kun je zeggen, Orwell werd, dankzij twee gebeurtenissen. De tweede was het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog, waar hij als vrijwilliger zou vechten aan de Republikeinse zijde. Maar de eerste was het schrijven van zijn The Road to Wigan Pier, het boek dat je het best een documentaire kunt noemen, over het mijnwerkersdorpje Wigan, in de verstikkende rook van Manchester. Hij schreef het in opdracht; eerder had hij geschreven over zijn verblijf tussen de zwervers, alcoholisten, werklozen en dagloners in Down and Out in Paris and London (1933), en op basis daarvan had een linkse uitgever hem benaderd om te schrijven over de miserabele arbeidsomstandigheden in industrieel Noord-Engeland.

Wigan Pier begint schitterend, in het tweede hoofdstuk, als Orwell uitgebreid beschrijft hoe de mijnwerkers diep ondergronds afdalen, het duister in, naar een plek waar menselijk leven feitelijk net zo vreemd is als op de maan. Heel scherp legt hij aan de hand van allerlei kleine details (bijvoorbeeld hoe lang de mijnwerkers in de rij moeten staan om hun loonstrookje te verzilveren) bloot wat het verschil is tussen de beloning van arbeid (een salaris) en de ervaring van arbeid, die in feite een hele manier van leven met zich meebrengt, een bepaalde huisvesting, een bepaalde opvoeding, dieet en gezondheid, mores en een manier van praten. Hier vindt Orwell zijn helden – de arbeiders met hun trots, hun gulheid, hun arbeidsethos en klassensolidariteit.

In het tweede deel van het boek keek Orwell naar zichzelf: hij beschreef zijn jeugd, zijn scholing op Eton, zijn jaren in Birma, zijn ervaringen onder de daklozen in Parijs en Londen. Met Wigan Pier ontwaakte zijn oog voor de misstanden van de Engelse klassenmaatschappij, de geschiedenis van zijn bekering tot het socialisme.

Het probleem was alleen dat zijn uitgever het niet zo zag. De bedoeling was dat The Road to Wigan Pier uitgegeven zou worden bij The Left Book Club, een instituut in socialistisch Engeland met zo’n zestigduizend leden. Maar Wigan Pier was een boek met eerder persoonlijke gevoelens dan politieke overtuigingen, en sommige van de gevoelens waren niet heel erg socialistisch. Ze waren bijvoorbeeld nationalistisch, uitgesproken anti-intellectueel, anti-technologie en er zat een niet te missen wantrouwen tegenover politieke partijen in. Orwell probeerde uit te leggen waarom het socialisme nooit was aangekomen bij de Engelse arbeidersklasse; hij beschreef het communisme in Rusland – toen nog bewonderd door links – als bevolkt door ‘kommissarissen’ die ‘half-grammofoonplaat, half-gangster’ waren. Niet waar linkse politici op zaten te wachten. Daarnaast was de arbeidersklasse zijn nieuwe held, maar zo beschreef hij ze niet; hij beschreef hoezeer ze stonken, hoe lelijk hun kleren en hun huizen waren, dat ze kaas met hun mes sneden (beesten!). De socialistische middenklasse kreeg nog een extra veeg uit de pan met de veelvuldig herhaalde opmerking dat ze bestond uit ‘that dreary tribe of high-minded women and sandal-wearers and bearded fruit-juice drinkers’.

Het boek werd alsnog gepubliceerd, maar met een voorwoord waarin uitgever Victor Gollancz stelde dat ‘als instrument voor socialistische instructie’ alleen het eerste deel nuttig was. Verder werd het boek geïllustreerd met lekker zielige foto’s van de stedelijke armoede van de arbeidersklasse in Wales, Newcastle en andere plekken. Gek genoeg werden er geen foto’s uit Wigan opgenomen.

Tegen de tijd dat het boek uitkwam, in maart 1937, zat Orwell al in Spanje. Klaar voor keerpunt nummer twee. Hij had familiezilver verpand om zijn reis te betalen, kwam aan in Barcelona, keek euforisch zijn ogen uit: een stad waar de stropdassen waren verdwenen, waarin iedereen elkaars gelijke was. Een proletarische droom, te mooi om waar te zijn. Hij vocht aan het republikeinse front tegen de fascisten van Franco, maar de werkelijkheid was dat de republikeinen vooral met elkaar vochten. Zijn anti-stalinistische splintergroep P.O.U.M. (Partido Obrero de Unificación Marxista) werd door andere socialistische groepen afgedaan als een groep verraders. Aan het front in Aragon stak hij een kop boven de andere soldaten uit, iets wat hem bijna zijn leven kostte zodra hij boven een loopgraaf uitstak.

De scène in Homage to Catalonia waarin hij wordt neergeschoten is kalm, geserreerd, heel precies. Hij voelt een schok – alsof je zelf het epicentrum van een explosie bent: je voelt geen pijn, maar het gevoel dat er ineens niets van je over is. Hij heeft geen idee waar hij is geraakt, een arts moet hem vertellen dat het zijn nek is. Hij denkt dat hij doodgaat en denkt, ‘heel conventioneel’, eerst aan zijn vrouw. Daarna denkt hij hoe jammer het is dat hij nu afscheid moet nemen van de wereld, ‘which, when all is said and done, suits me so well’.

De Amerikaan Ernest Hemingway vocht ook vrijwillig in Spanje, aan een ander front; in zijn roman over de burgeroorlog For Whom the Bell Tolls komt een Russische journalist aan het woord die Orwells P.O.U.M. typeert. Een stelletje gekken, zegt hij, misleide infantielen. ‘Heel rare mensen. Arme P.O.U.M. Ze hebben nooit iemand weten te doden. Niet aan het front of waar dan ook.’

George Orwell (de langste) en Eileen O’Shaughnessy Blair (zittend voor hem) met P.O.U.M.-soldaten aan het front bij Huesca, Spanje, 1937 © Gamma / ANP

Orwell overleefde en had het geluk die zomer Spanje levend te kunnen verlaten. Andere P.O.U.M.-leden werden door andere communistische partijen opgepakt en veroordeeld voor half-verzonnen beschuldigingen van verraad. Ook tegen hem liep een beschuldiging van spionage, maar hij kwam thuis en schreef in korte tijd Homage to Catalonia – in het Nederlands Saluut aan Catalonië. De toon van het boek is allesbehalve sensationalistisch, Orwell laat zien dat aan het front honger, kou, eenzaamheid en verveling grotere kwelgeesten zijn dan vijandelijk geschut. Maar als dat geweld dan komt is het explosief en overweldigend.

Orwell kon niet voorzien dat mensen in de 21ste eeuw vooral een slaaf van grote bedrijven zijn, waarbij ze hun data vrijwillig aan gezichtloze websites geven

Ook dit viel niet goed bij politiek links. Na tweederde van het boek verandert het frontverhaal in een politieke thriller, waarin Orwell twee punten maakt. Allereerst dat links niet moet denken dat ze het sovjetcommunisme kan vertrouwen, en daarnaast dat ze niet moet vergeten dat links net zozeer tot leugens en propaganda in staat is als rechts. In zijn essay Terugblikkend op de Spaanse Burgeroorlog schreef hij in 1942: ‘In Spanje zag ik voor het eerst krantenverslagen die geen enkele relatie hadden met de feiten, zelfs niet de relatie die een gewone leugen er nog mee heeft. Ik las verslagen over grote gevechten die nooit hadden plaatsgevonden, en merkte een volstrekt zwijgen op terwijl er honderden mannen om het leven waren gekomen.’ Fake news dus, ver avant la lettre.

Zijn eerdere uitgever Victor Gollancz weigerde het boek hierom. Toen het in 1938 toch verscheen, bij een andere uitgeverij, vielen socialistische kranten als The Daily Worker het hardhandig aan. Conservatieve kranten daarentegen prezen Orwells portret als bewijs dat Republikeins Spanje geen bestaansrecht had – en dat hij rechts munitie gaf, werd hem nog eens dubbel nagedragen door socialistisch Engeland. Het was een band die tijdens zijn leven nooit meer goed kwam.

In zekere zin was dat een geluk bij een ongeluk. Orwell werd nooit de partijpolitiek in getrokken, waardoor hij als schrijver zijn onafhankelijkheid behield. Dit gaf hem de ruimte toen de Tweede Wereldoorlog op de deur klopte om onvoorwaardelijk patriottistisch te zijn – iets waar veel socialisten aanvankelijk moeite mee hadden, omdat dat betekende dat ze de koers van de Conservatieve regering van Neville Chamberlain moesten steunen.

Orwell eindigde Homage to Catalonia met een ongewoon lyrische beschrijving van het Engeland van zijn jeugd – de door wilde bloemen overgroeide spoorwegen, de posters die het over cricketwedstrijden en koninklijke huwelijken hebben, de rode dubbeldekkers, de bolhoeden, de wilgen – ‘allemaal slapen ze de diepe, diepe slaap van Engeland, waarvan ik vrees dat we pas zullen ontwaken als we de brul van bommen horen’.

Het is die anglofiele Orwell die bewaard is gebleven. Toen de brullende bommen vielen, ging hij voor de bbc werken, de toon van zijn essays veranderde een slag, ze gingen minder over armoede en misstanden, en meer over de unieke kracht van de Britse maatschappij. In 1941 publiceerde hij het essay England Your England, met die geweldige openingszin: ‘Terwijl ik schrijf vliegen hoogst geciviliseerde menselijke wezens over en proberen mij te doden.’ De Engelse cultuur, schrijft hij, ‘heeft een eigen aroma. Bovendien heeft ze continuïteit, ze bestrijkt de toekomst en het verleden, ze heeft iets blijvends, als in een levend schepsel.’

In zekere zin verzoent Orwell zich met Engeland – dat is het verschil tussen de Orwell van de jaren dertig, die boos en vingerwijzend is, en die van de jaren veertig, die naar Engeland kijkt en vooral denkt dat het allemaal nog zoveel erger zou kunnen. Hij schrijft: ‘Het is jouw beschaving, jij bent het zelf. Hoe erg je haar ook verafschuwt of bespot, je bent niet gelukkig als je haar lang moet missen. De niervetpastei en de rode ronde brievenbus hebben zich genesteld in je ziel. Goed of slecht, ze zijn van jou, je hoort bij ze en zolang je leeft zul je je nooit ontdoen van het stempel dat ze op je hebben gezet.’

Er zit een gekke ironie in de Orwell van de jaren veertig. Een groot deel van zijn poëtica draaide erom dat taal zo helder mogelijk moest zijn – proza als een vensterruit. Moeilijke taal was verdacht, in nodeloos dure woorden werden dingen verhuld. 1984 is bovenal een talige exercitie in wat een totalitair bewind is, waarin woorden niet betekenen wat ze betekenen en logica niet optelt. Maar hoe zit dat dan met Orwell zelf? Want voor de bbc produceerde hij tijdens de oorlog propaganda, waarin hij de waarheid vanuit overheidswege compromitteerde – precies in die vensterruit-heldere taal die hij voorschreef.

Daarnaast: die biograaf die Sonia Orwell in het chique restaurant naar die olifant vroeg (Bernard Crick) vroeg dat niet voor niets. Naar alle waarschijnlijkheid had Orwell die wel doodgeschoten, maar waren de omstandigheden anders dan hoe hij ze beschreef. De eigenaar kwam zijn beklag doen: Orwell zou voor straf naar een andere provincie van India zijn gezonden. Ook zijn andere beroemde essay uit Birma, Een terechtstelling, is door historici in een ander licht komen te staan. Orwells detail van de veroordeelde, die op weg naar de galg nog de menselijkheid heeft om opzij te stappen om een plas te ontwijken – zo’n detail dat je in cursussen creative writing vaak tegenkomt – is prachtig, maar verzonnen. Hij heeft de terechtstelling nooit bijgewoond, concluderen onderzoekers.

Maakt dat uit? Het doet weinig af aan de kracht van het onrecht dat Orwell beschrijft, maar hij gebruikt wel een onwaarheid om zijn boodschap te onderstrepen. Dus, als je streng bent, zou het als propaganda moeten tellen.

Waarom kleeft dit niet aan het imago van Orwell? Omdat hij, volgens Julian Barnes, een National Treasure is geworden. En om een ‘NT’ te zijn is het niet genoeg om uitmuntend in je werk te zijn, ‘je moet op een bepaalde manier spiegelen hoe het land zichzelf wil voorstellen’. Orwell verenigt verschillende Britse paradoxen in zich – hij is de klassenbeschaamde snob, de niet-intellectuele denker, de niet-literaire schrijver van grote literatuur. Hij is vol van systeemkritiek en tegelijk vol liefde voor de Britse tradities. Die paradoxen veranderen niet, hoezeer de tijden ook veranderen.

Of misschien kleeft het niet aan zijn imago omdat hij met 1984 als geen ander liet zien hoe propaganda werkt, was het zijn manier van iets rechtzetten. Zoals gezegd: Orwell verdween niet alleen in zijn schrijven, zijn boeken waren een vorm van boetedoening.

Juist doordat hij nooit de terminologie of doctrines van socialistisch links omarmde, bleven zijn ideeën over vrijheid en onderdrukking tijdloos. Het is eerder dat de vormen van onderdrukking veranderden. Als je in de archieven van literaire bijlagen bladert kom je, zeker in de jaargangen van 1984, veelvuldig het spelletje tegen ‘wat zou Orwell vinden van…?’ De Vietnamoorlog? Margaret Thatcher? Brexit? Het identiteitsdebat, waarin taal zo’n essentieel slagveld is? Bij elk van zulke cases is een argument voor Orwell rechtsom of linksom te maken.

En nu? De 21ste eeuw was een andere dan Orwell ooit had kunnen vermoeden. In zijn werk vreesde hij dat mensen een slaaf van de staat zouden worden, of zoals hij het in 1984 laat zeggen: ‘If you want a picture of the future, imagine a boot stamping on a human face – forever.’ De staat zou dat met geweld afdwingen. Orwell begreep weinig van techniek, vond het eng, wilde zich er niet in verdiepen. Hij kon niet voorzien dat mensen in de 21ste eeuw vooral een slaaf van grote bedrijven zijn, waarbij ze vrijwillig meewerken en hun data en content opgeven aan gezichtloze websites. En toch: hét legendarische tv-programma dat van data en surveillance een spelshow maakte draagt zijn naam. Een nieuw seizoen komt er zelfs aan: Big Brother.

Nieuwe boeken van George Orwell in het Nederlands:

Waarom ik schrijf: Verhalende essays
Vertaald door Olaf Brenninkmeijer, Lore Coutinho, Martin Schouten en Arie Storm, De Arbeiderspers, 382 blz.
Mijn land, rechts of links
Standaard Uitgeverij, 160 blz. (verkrijgbaar vanaf 12 januari)
Waarom ik schrijf, en andere literaire essays,
Bijleveld, (8 maart)
Tegen totalitarisme: Essays over politiek en literatuur
ISVW Uitgevers, 208 blz. (11 mei)