© over.eo.nl/pers

Maandag was het tachtig jaar geleden dat in een villa aan de Wannsee onder leiding van Heydrich de ‘Endlösung der Judenfrage’ werd beklonken. ZDF zond die avond een nieuw tv-drama erover uit (in 1984 was ook al een speelfilm gemaakt), gevolgd door een documentaire. Donderdag is het ‘Internationale Herdenkingsdag voor de holocaust’, door de VN in 2005 bepaald op 27 januari, de dag waarop het Sovjetleger de overlevenden van Auschwitz bevrijdde. (Lees de openingsbladzijden van ooggetuige Primo Levi in Het respijt, waarin hij de komst van vier jonge Russische soldaten te paard beschrijft: ‘Ze groetten niet, ze glimlachten niet: behalve door medelijden leken ze bezwaard door een verward gevoel van schroom, dat hun lippen verzegelde en hun ogen gekluisterd hield aan het schouwspel van dood en verwoesting. Dat was de schaamte die wijzelf ook zo goed kenden, de schaamte die ons na selecties overmande en alle keren dat we een schanddaad moesten bijwonen of ondergaan; (…) de schaamte die de gerechte voelt om het door een ander begane kwaad, omdat dat nu bestaat en zijn goede wil nietig of ontoereikend is geweest en het niet heeft kunnen verhinderen.’)

De Duitse televisie besteedt tot mijn verbazing donderdag geen aparte aandacht aan die Herdenkingsdag, maar misschien is dat vanwege die waardige maandagprogrammering. Verbazing omdat herdenken daar vaker en nadrukkelijker gedaan wordt dan waar ook – zelfs dan in Israël, begrijp ik uit het indrukwekkende stuk van Simone Korkus in De Groene. ‘Er was geen plaats voor het verleden. Niemand sprak over de shoah.’ Zeker niet de eerste jaren.

Bij ons zendt de EO donderdag Wieder gut? uit, ‘over omgaan met de holocaust in heden en verleden’. Dat is nogal wat aan gewicht, en dat de makers, een Duitse en een Nederlandse journalist, en de EO het ‘een roadtrip’ noemen die deels in een vrolijk rode deux-chevaux met open dak ondernomen wordt, zou je toch wel curieus kunnen noemen. Het is ook meer een ketting van reportages dan documentaire, de een sterker dan de ander, maar de inzet – de noodzaak te blijven herdenken en onderzoeken – maakt het toch van belang. En urgent nu bruine walmen, zeker in Saksen en Thüringen, steeds dichter opstijgen en ze bij ons zelfs in de Tweede Kamer verspreid worden door geblondeerde demagogen en beschaving predikend tribunalengeteisem dat, o ironie, tegenstanders als NSB’ers wegzet. De Chopin spelende leider en zijn aanhang laten dog whistles los als stinkende scheten om dan ‘verbaasd’ te vragen: ‘Moi?

‘Nooit meer, nie wieder’ waren lang de gemeende en breed gedragen leuzen, maar pessimisten blijken steeds meer realisten.

De ‘trip’ van Ruben Gischler (Nederlands journalist en filmer) en Tobias Müller (Duits correspondent in de Benelux) voert langs prijzenswaardige initiatieven (onderwijsprojecten, Stolpersteine), getuigen, monumenten. En brengt ons ten slotte ook bij de Wannsee. Eerst in de tuin achter de ‘schuldige’ Villa Marlier, waar Tswi Herschel, in 1942 geboren in Zwolle, aan aanwezige Duitsers zijn levensverhaal vertelt. Als baby is hij in onderduik gegeven door ouders die net als de andere familieleden vermoord zijn. Alleen oma overleefde, die hem, tweede trauma, na de oorlog weghaalde bij zijn gereformeerde onderduikgezin en hem een joodse opvoeding gaf.

Hij is na een succesvol Hollands leven uiteindelijk naar Israël geëmigreerd maar blijft in Europa, ook of juist in Duitsland, actief als verteller, waarschuwer, verdraagzaamheidsprediker. Vaak samen met dochter en kleindochter. En nee, vindt hij, de Duitse aanwezigen zijn niet schuldig aan wat ouders en grootouders deden of lieten gebeuren. Akkoord, zegt een van hen, maar we worden wel schuldig als we deze geschiedenis niet erkennen door te zwijgen. Maar doorbreken daarvan blijkt vaak een zware opgave. Het bevragen van generaties boven hen bleek en blijkt moeilijk en pijnlijk en kan zelfs leiden tot uitstoting vanwege ‘nestbevuiling’.

Historicus Johannes Spohr, kleinzoon van een apert foute generaal, houdt net als Tswi lezingen. Hij hield van zijn grootouders maar begon zich als tiener vragen te stellen die slechts zwijgen opleverden, plus een sfeer waarin überhaupt geen vragen konden worden gesteld. Alleen zijn moeder steunde hem in latere onderzoekingen. De familie keerde zich van hen af. Moeder wijst de gedachte aan eigen schuld en schaamte inzake de genocide inderdaad van de hand, maar schaamt zich wel voor het feit dat ze er niet in is geslaagd ‘liefdevol’ vragen te stellen, waardoor vader zich had kunnen openstellen. Wat ook weer tragisch is, want ik hoor mezelf ‘hoe dan?’ roepen.

In dit verband: wie het prachtige familie-epos De Effingers van Gabriele Tergit (1894-1982) las over joodse families in Berlijn, zie de recensie van Xandra Schutte, raad ik ook haar herinneringen aan: Etwas Seltenes überhaupt. Tergit vluchtte in 1933 via Tsjecho-Slowakije naar Palestina, om in 1938 uit onvrede (‘ik kan geen enkele vorm van nationalisme uitstaan’) voorgoed naar Engeland te verhuizen. Vanuit daar bezocht ze Duitsland meermaals, de eerste keer al in 1948. Vooral om vrienden te bezoeken, want mensen zijn iets anders dan land of staat. Haar ervaringen met onversneden antisemitisme, drie jaar na de Arische Götterdämmerung, zijn onthutsend.

Of lees het voortreffelijke Wolfstijd van Harald Jähner. Hoofdstuk 10 heet ‘De klank van de verdringing’ en constateert dat in alle breedsprakige betogen waarin Duitsers in het eerste naoorlogs decennium uitblonken het centrale thema hardnekkig buiten beschouwing bleef: ‘de moord op de Europese joden.’ Hannah Arendt stelde vast dat er een ongemakkelijke stilte viel als ze liet blijken dat ze jodin was. Daarop volgde geen enkele vraag over haar lot of dat van haar familie, ‘maar een stortvloed van verhalen over hoe erg de Duitsers hebben geleden’.

Jähner laat zien hoezeer Duitsers ‘het Duitse lot’ als uniek van zwaarte presenteerden, maar vermoedt ook dat achter die kwetsende botheid in plaats van louter harteloosheid ook schaamte zat. En ja, we weten dat de Duitse cultuur en politiek later een enorme omslag hebben gemaakt. Tergit kon in de jaren zeventig verheugd vaststellen dat er een waarlijk andere generatie was opgestaan. Al rept Johannes Spohr van de ‘mythe van een succesvolle verwerking’. Want het gaat niet om kransen leggen of toespraken van de overheid, maar om het verleden in persoonlijke gesprekken werkelijk onder ogen zien, met de kans op pijnlijke en onoplosbare situaties.

© over.eo.nl/pers

In de benadering van Spohr lijkt het nog vooral te gaan om het Duitse gesprek tussen generaties, wat voortkomt uit zijn traumatische familiegeschiedenis, maar wat door het verstrijken van de tijd minder relevant wordt: er zijn bijna geen daders meer. Maar de dynamiek van het debat is door de tijd veranderd. DDR-trauma’s spelen mee in de dubieuze ontwikkelingen in het Oosten. En de massale komst van moslimmigranten geeft een nog weer complexere dimensie aan woorden en daden, waarbij tussen ‘joden’ en ‘Israël’ geen onderscheid meer gemaakt wordt. Oud en nieuw antisemitisme opgeteld en ineen.

Vandaar in Wieder gut? ook een bezoek aan radicaliseringsexpert Ahmad Mansour, die als jonge Arabische Israëli zelf door haat tegen joden werd gedreven, maar die daar op de universiteit door persoonlijke ontmoetingen ‘genas’. En nu, als psycholoog en Duitser, gelooft dat antisemitisme altijd zal bestaan, maar dat individuen zich ‘van die ziekte kunnen bevrijden’. Waarbij de persoonlijke ontmoeting, net als voor Spohr, van essentieel belang is. Hij zet zich daarvoor in, wat prijzenswaardig is maar in het licht van de ontwikkelingen toch maar weinig hoop geeft. Getuige ook het direct volgende bezoek aan Raphael Evers, die na vijf jaar rabbinaat in Düsseldorf tussen de verhuisdozen zit. Bestemming Israël. Vanuit zionsliefde, vanwege de bijbel, maar vooral toch ook om toenemend antisemitisme: ‘Er is geen plaats meer voor ons in West-Europa.’ De overheden in Duitsland en Nederland zijn ‘pro-joods’, maar het lukt ze niet de tegenkrachten onder de duim te houden, zegt hij. Zijn conclusie, wegwezen, mag (te) radicaal zijn, een slecht teken is het wel.

We zien mooie, aandoenlijke en ontroerende initiatieven, hier en over de Oostgrens. In buurten, in onderwijs. Waarbij weer opvalt hoe voortreffelijk Duitse scholieren kunnen formuleren, al is dat uiteraard onverantwoorde generalisatie. En al is de conclusie dat de holocaust en antisemitisme daar noch hier voldoende prominent aanwezig zijn in het curriculum. (Dat docenten het onderwerp soms niet meer aan durven snijden komt niet aan de orde.)

Opvallend is wel de bewering dat jongeren weinig tot niets van antisemitisme weten doordat ze niet meer christelijk zijn opgegroeid. Lijkt me een fijne conclusie voor de EO maar religieus antisemitisme was er volop, ook in hun kringen, en ik herinner me al te goed dat dat hand in hand kon gaan met liefde voor Israël. De hoogste baas, dominee Glashouwer, verwierp staand voor waaiend geboomte de Arabische aanval in de Zesdaagse Oorlog (1967, de omroep bestond net) maar zag die wel als straf voor een volk dat nog altijd Jezus niet omarmd had. Tja. Ouwe koeien, zeker, maar als we toch bezig zijn met ‘de geschiedenis onder ogen zien’, dan is het gemak waarmee christelijke opvoeding gelijkgesteld wordt aan anti-antisemitisme me net iets te groot. Overigens beweert de EO dit niet zelf, en de makers evenmin. Het is de uitspraak van een docent.

‘Zijn Duitsers meer wieder gut dan Nederlanders?’ vraagt het persbericht. Bizar. Hoe valt de meest systematische genocide ooit goed te maken? Of de harteloze reactie erop bij ons die niet daders maar wel medeburgers waren? Rutte heeft precies twee jaar geleden excuses aangeboden voor het overheidshandelen in de oorlog. Kok had dat in 2000 gedaan voor ‘de kille ontvangst na de oorlog’. Het moest gebeuren, en het had eerder moeten gebeuren, maar ‘wieder gut’? Enfin, zie zelf. Of niet. Maar lees vooral Abram de Swaans essay over het Namenmonument – dat in de film ook nog aan bod komt.

Ruben Gischler en Tobias Müller, Wieder gut?, EO, donderdag 27 januari, NPO 2, 22.20 uur.