Een ongeneeslijke opstandeling

OP 17 MAART 1950 verscheen het laatste nummer van Jacques Gans’ eenmanstijdschrift Het Pamflet. Deze laatste aflevering van dit ‘weekblad tegen het publiek’ was voor het grootste deel gewijd aan de toen 85-jarige Alexander Cohen. Gans had kort tevoren een ingebonden jaargang van Cohens eenmanstijdschrift De Paradox in handen gekregen. Even had hij de pest in gehad toen hij merkte dat zijn publicitaire actie minder oorspronkelijk was dan hij had gedacht, maar toen hij deze teksten uit de jaren 1897-1898 was gaan lezen, gaf hij zich al snel gewonnen. Net als Gans stond Cohen voortdurend op voet van oorlog met ‘de macht en haar talrijke huurlingen zoals rechters, ministers, dienders, koningen, journalisten, dominees en andere domoren’.

Dat Gans na dit nummer stopte met Het Pamflet, zal wel te maken hebben gehad met de torenhoge schulden die hij bij hoofdstedelijke kroegbazen en slijters had, maar het is ook mogelijk dat hij na lezing van Cohen tot de conclusie kwam dat hij slechts herhaalde wat iemand anders reeds een halve eeuw eerder, en met veel meer talent, had gedaan.
In De Paradox propageerde Cohen het volmaakte scepticisme. ‘Mij hebben de vrijdenkers van de vrijdenkerij, de republikeinen van het republikanisme, de democraten van de democratie, de socialisten van het socialisme, en de anarchisten van het anarchisme genezen.’ Deze ideologieën waren in zijn ogen niets dan intolerante religies. De fanatieke aanhangers van deze heilsleren hadden het gemunt op het vrije individu, dat geen andere keus had dan volstrekt zijn eigen weg te gaan. Cohen huldigde Multatuli’s 'principes heb ik niet’, en citeerde Diderot: 'Een paradox is het omgekeerde van een vooroordeel’. Hij vertaalde uit Also sprach Zarathustra Nietzsches tirade tegen het canaille en voelde zich ver verheven boven zijn medemens. 'Als ik neigingen voel opkomen tot humanitarismen, solidariteiten, filantropieën en broederlijkheden - het gebeurt niet vaak! - dan loop ik maar even de straat op en kijk wat voorbijgangers aan. Dan ben ik weer voor drie maanden genezen’, aldus Cohen. Niets wekte zozeer zijn walging op als de massa: 'Hoe meer een ideaal begrepen en geapprecieerd wordt door de massa, hoe meer het verliest van zijn intellectuele en esthetische waarde.’
DE 33-JARIGE EGOTIST, die op deze wijze niet alleen tekeer ging tegen de ingeslapen kleinburgers, maar in zijn blad eveneens de vloer aanveegde met allerlei vormen van macht en machtsmisbruik, had al een vrij roerig leven achter zich. Cohen was op 24 september 1864 geboren ('uit zonnegloren noch uit een zucht van de ziedende zee’) te Leeuwarden, alwaar hij naar eigen zeggen een zeer naargeestige jeugd heeft doorgebracht. Zijn vader, een geestloze handelaar in 'galanterieën’, had de handen vol aan de eigenwijze en recalcitrante jongen. Zijn moeder stierf toen Alexander negen was. Op school wilde het niet vlotten en na een mislukte opleiding tot leerlooier in Duitsland - de vermoedelijke oorzaak van zijn levenslange en virulente Germanofobie - vertrok Cohen op z'n achttiende als 'soldaat-schrijver’ naar Nederlands Indië. Van de vijf jaren die hij daar verbleef, bracht hij er ruim drie door in het cachot. Uit het eerste deel van Cohens memoires, 'In opstand’, krijgt men de indruk dat reeds de aanwezigheid van de neuswijze en met vrij losse handen uitgeruste Fries door zijn meerderen werd opgevat als insubordinatie.
Na zijn terugkeer in Nederland debuteerde Cohen in 1887 als journalist in het radicale Groninger Weekblad. Dit blad was hem echter te tam, te weinig socialistisch. 'Bij de socialisten moest ik wezen! Daar was mijn plaats! Niet om hun doctrine, waarvan ik nog niets afwist, en die mij weldra, voornamelijk door haar grof materialisme, met een onoverkomelijke en blijvende afkeer zou vervullen, maar om hun rebellie.’ Met Domela Nieuwenhuis, een toch weinig gemakkelijk heer, kon de temperamentvolle Cohen altijd uitstekend opschieten. Politiek waren ze het meestal oneens. Cohen was anarchist toen Domela nog sociaal-democraat was, en toen de laatste uiteindelijk ook het libertaire socialisme omarmde was Cohen inmiddels een hartstochtelijke antidemocraat en massaverachter. Wel deelden ze een enorme afkeer van wat Cohen steevast omschreef als de 'panbismarxistische, reichsdeutsche Sozialdemokratie’.
EEN BAANTJE ALS corrector bij Domela’s Recht voor Allen kon hij niet lang houden, aangezien justitie hem op de hielen zat wegens 'majesteitsschennis’. Hij werd tot een half jaar gevangenisstraf veroordeeld en vluchtte naar België. Hij kon daar niet blijven, maar hij mocht wél zelf kiezen naar welk land hij zou worden uitgewezen. Een keuze die Cohen, als hopeloze francofiel, niet moeilijk viel. Op 12 mei 1888 kwam hij aan in Parijs. Het was Hemelvaartsdag, en Cohen had misschien niet het gevoel in de hemel aan te komen, maar wel in het paradijs.
Hoewel hij straatarm was, voelde hij zich in de Franse hoofdstad als een vis in het water, hetgeen ook bleek uit de 'Parijsche brieven’ die hij vanaf augustus 1888 voor Recht voor Allen schreef. Zijn toenmalige pseudoniem 'Souvarine’ ontleende hij aan de nihilist uit Zola’s Germinal. In een brief aan de door hem bewonderde en vertaalde Franse schrijver lezen we dat dit boek hem had gemaakt tot 'de zelfbewuste en ongeneeslijke opstandeling die ik nu ben’. Cohen genoot met volle teugen van het opwindende en ongebonden leven van de artistieke en politieke bohème. Hij ontmoette tal van anarchistische coryfeeën en oud-communards als Jean Grave, Elisee Reclus, Louise Michel, en toekomstige beroemdheden als Aristide Briand. Hij woonde om de hoek bij Toulouse-Lautrec, wiens later zeer kostbare affiches hij van de reclamezuilen gapte zodra de plakker uit het zicht verdwenen was.
Het in onze ogen zo kleurrijke anarchistische milieu van het fin de siècle kreeg echter begin jaren negentig een grimmig karakter. Het was de tijd van het 'anarchisme van de daad’: er werden bomaanslagen gepleegd, onder meer op het Franse parlement. Cohen vond deze aanslagen 'alleruitstekendst’, en in Recht voor Allen schreef hij vergenoegd dat de 'uitzuigers- en moordenaarsklasse’ in Frankrijk doodsbang was: 'Ja, het is gedaan met de rust der voldanen; met de kalme gemoedelijke spijsvertering is het uit.’
In een brief aan zijn vrouw, enkele jaren later, vergeleek hij de bommengooiende anarchisten met Jezus, die de wisselaars uit de tempel had verdreven. 'Als Christus chemicus zou zijn geweest, had hij een bom gemaakt, denk je niet?’ Hoewel Cohens enthousiasme beperkt bleef tot woorden, en hij niets met de aanslagen te maken had, werd hij in deze periode van massahysterie en angstpsychosen - de politie zag een uitschuifbare wandelstok die Cohen van Domela had gekregen aan voor een 'helse machine’ - opgepakt en over de grens gezet. Een demonstratie haalde niets uit, net zomin als protesten van Octave Mirbeau en Emile Zola.
OP KERSTMORGEN 1893 kwam hij - 'in druilregen, in mist, in alles doorsijpelende neergeestigheid’ - in Londen aan. Zijn ballingschap zou ruim twee, zeer lange, jaren duren. Klagend schreef hij aan zijn vrouw: 'Ik heb zon, kleur en leven nodig, drie zaken die hier totaal ontbreken. En verder wemelt het hier van de Engelsen! Dat maakt dit oord onbewoonbaar.’
Hoe treurig zijn lot ook was, de vuistdikke en door Ronald Spoor voorbeeldig bezorgde editie van de brieven die Cohen tussen 1888 en 1961 schreef, komt vanaf dat moment pas goed op gang. Ver weg van zijn vrouw Kaya en zijn Franse en Nederlandse geestverwanten zijn brieven de enige manier om contact te houden met de beschaafde wereld. Hij haatte Engeland zo intens dat hij besloot terug te keren naar Nederland, met het risico alsnog het halfjaar celstraf te moeten uitzitten. Na enige tijd werd hij inderdaad gearresteerd. Vanuit de gevangenis schreef hij talloze, ellenlange brieven aan Kaya, die in Westzaan bij de anarchistische molenaar en latere fabrikant van het bekende kindermeel Piet Molenaar logeerde. Hij stond doodsangsten uit toen de frêle Française van plan was te gaan schaatsen, en lag overhoop met de gevangenisarts. Tevens trof de gekerkerde opstandeling voorbereidingen voor de uitgave van De Paradox. Na zijn vrijlating woonde hij ruim een jaar in Den Haag, waarvandaan hij zijn papieren guerrilla tegen alles en iedereen voerde.
TOEN JACQUES Gans in 1950 Cohen 'ontdekte’, woonde de inmiddels hoogbejaarde polemist al weer meer dan een halve eeuw in Frankrijk. In 1907 had hij de Franse nationaliteit aangenomen, en omdat genaturaliseerde Fransen tien jaar langer oproepbaar bleven voor militaire dienst, had de bijna vijftigjarige ex-anarchist, tot zijn onuitsprekelijke vreugde, in 1914 enkele maanden de blauwe jas en rode broek van het Franse leger mogen dragen. Politiek was hij nog verder opgeschoven naar 'rechts’. Het scepticisme was hem toch te negatief geweest, zodat hij op zoek naar positieve idealen het monarchisme had omarmd. Als correspondent en later freelance medewerker van De Telegraaf had hij tussen 1906 en 1922 zijn ultra-reactionaire en rabiaat anti-Duitse denkbeelden geventileerd. In de jaren dertig werd hij aanhanger van de proto-fascistische Action française, al mocht hij als allochtone Fransman geen lid worden. Tijdens de oorlog ging de sympathie van deze jood en voormalige dreyfusard uit naar maarschalk Pétain, terwijl hij na de bevrijding aanvankelijk wel wat zag in De Gaulle, die immers heel anders leek dan 'de schunnige, schubbige, wormstekige, voor een deel corrupte en alles om hen heen corrumperende heeren en meesters van de Derde Republiek’. Al spoedig zou de generaal, die het bestond om communisten op te nemen in de regering, hem teleurstellen. Alleen het erfelijke koningschap kon Frankrijk nog redden!
EEN BETROUWBARE politieke gids kon Cohen onmogelijk worden genoemd, en wie in 1929 zijn journalistieke werk bundelde onder de titel Uitingen van een reactionair hoefde niet te rekenen op een groot publiek. Cohen gold lange tijd als een Geheimtip für Kenner. Zijn twee delen memoires, In opstand (1932) en Van anarchist tot monarchist (1937), werden slechts door enkelen geapprecieerd. Menno ter Braak, Jan Engelman en de voormalige communistenleider Van Ravesteijn waren erg enthousiast, terwijl Victor van Vriesland geen goed woord over had voor deze 'ophakker’. Nu was Cohen zeker een praatjesmaker, en bescheidenheid behoorde niet tot zijn meest in het oog lopende karaktertrekken, maar zijn memoires bieden heerlijke lectuur. Zijn tintelende en bruisende beschrijvingen van het koloniale leger, het vroege socialisme, het anarchistische en artistieke Parijs van het fin de siècle zijn onovertroffen. Maar was Cohen ook een groot schrijver? De begin jaren tachtig uitgegeven selecties van zijn journalistieke werk (Uiterst links en Uiterst rechts, De Engelbewaarder) bevatten veel curieuze, historisch interessante, maar ook grotendeels 'onleesbare’ en hopeloos gedateerde stukken. Erg succesvol waren deze uitgaven dan ook niet.
Wat het journalistieke werk van Cohen zo ouderwets maakt, is dat we niet meer gewend zijn aan dagbladcorrespondenten die artikelen in de vorm van brieven schrijven. Wij verwachten korte, heldere stukjes over specifieke onderwerpen en geen lappen tekst waarin allerhande nieuwtjes en wetenswaardigheden aan elkaar worden geknoopt. Bovendien zien we graag een scheiding aangebracht tussen feit en mening, en ook daar was Cohen geen meester in. Cohen was een typische, onvermoeibare en uiterst onderhoudende brievenschrijver, zodat we hem als journalist misschien niet meer kunnen waarderen, maar wel kunnen genieten van de vaak zeer uitvoerige brieven die hij schreef aan zijn vrouw, Domela Nieuwenhuis, Willem van Ravesteijn en Henri Wiessing.
DEZE UITGAVE is om te beginnen al zeer boeiend omdat ze een zeldzaam lange periode omvat. De eerste brieven dateren uit de jaren waarin anarchisten in zwarte capes door de met gaslantaarns verlichte straten van Parijs slopen, de laatste gaan onder meer over de Algerijnse oorlog. Op bladzijde 39 is Cohen net het Nederland van koning Willem III ontvlucht, terwijl aan het eind van het boek ons land zucht onder het bewind van Jan de Quay. Maar behalve dit decor is ook Cohens verhaal interessant. En dan gaat het minder om hetgeen hij te vertellen heeft dan om de manier waarop hij dat doet. Ook in zijn brieven bleef Cohen namelijk een onverbeterlijke polemist. Nimmer ging hij de confrontatie uit de weg, de betekenis van het woord 'compromis’ leek hij niet te kennen, en met een spervuur van argumenten bestookte hij zijn correspondenten. 'Niets is mij liever dan het hanteren van de hondenzweep’, schreef hij ooit over zijn polemieken, maar als het in zijn ogen nodig was kastijdde hij ook zijn vrienden.
Zo spaarde hij ook Domela Nieuwenhuis niet. Eigenlijk was hun vriendschap, die duurde tot aan Domela’s dood in 1919, al zeer opmerkelijk. De charismatische socialistenleider werd immers doorgaans omringd door mensen die hem slaafs vereerden als een door God gezonden profeet. Met eigenzinnige typen en dwarsliggers kwam Domela meestal snel in conflict. Zo niet met de al spoedig ultrarechtse Cohen, die echter beslist geen blad voor de mond nam. Toen in de kring rond Domela werd gefluisterd dat Cohen en zijn vrouw Kaya erg lui en vies waren, veegde Cohen 'us verlosser’ de mantel uit wegens het luisteren naar dergelijke burgerlijke en kleingeestige kletspraatjes. Als je die brieven aan Domela leest, denk je onwillekeurig: dat komt nooit meer goed. Maar het kwam wel goed, en toen er later een fonds werd opgericht om Domela, die zijn hele fortuin aan de beweging had gespendeerd, financieel te ondersteunen, werd Cohen de eerste donateur.
Ook met een notoire fellow traveller als Henri Wiessing bleef Cohen meer dan een halve eeuw bevriend. Politiek hadden ze altijd bonje, maar ze vonden elkaar in een recalcitrante, antiburgerlijke houding. Pas toen de glibberige Wiessing hem voor de zoveelste maal een streek leverde, zette Cohen een punt achter de vriendschap.
ONTROEREND ZIJN de brieven soms ook. De brieven uit de gevangenis aan Kaya, die 66 jaar lief en leed met hem zou delen, zijn af en toe wat paternalistisch, maar altijd teder. Aangrijpend zijn enkele brieven van na de bevrijding. De bejaarde Cohens leden toen vaak honger en waren dolblij met voedselpakketten, boeken en Lola-afwasborstels. Het is schrijnend om te lezen hoe een man van over de tachtig smeekt om in onverschillig welk Nederlands blad een stukje te mogen schrijven, omdat hij het geld zo hard nodig heeft. En in zestig jaar tijd had hij zoveel vijanden gemaakt, dat de meeste deuren voor hem dicht bleven. Toch lukte het af en toe, en zo verschenen er in de jaren vijftig enkele stukken van Cohen in Het Parool en De Groene. Er leek weer wat waardering voor zijn werk te komen, en ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag wijdde De Groene een feestelijke pagina aan deze getuige van lang vervlogen tijden.
Maar zelfs toen de geldzorgen achter de rug waren bleef Cohen naar publicatiemogelijkheden zoeken. Zonder schrijven leek het leven zo leeg, zo zinloos. Hij was dan ook zeer verguld toen hij in 1960 door E.M. Janssen Perio werd gevraagd een bijdrage aan de Cartons voor Letterkunde te leveren. Daar kwam het niet meer van, wel van een brochure tegen zijn oude vijand Victor van Vriesland, wiens proza volgens Cohen was 'om je te bepissen’. Na de dood van Kaya, eind 1959, begon Cohen steeds meer te sukkelen en het schrijven viel hem steeds zwaarder. Op 30 oktober 1961 overleed hij, 97 jaar oud.