Een ongericht beschavingsoffensief

Wie de meeste bespiegelingen over de toestand van de moraal en over normen en waarden goed tot zich laat doordringen, kan maar één conclusie trekken: er mankeert van alles aan de mentale gezondheid van de moderne burger.

Door de individualisering verblind laat hij zich steeds minder gelegen liggen aan zaken als gemeenschapszin, solidariteit, burgerschap en andere leerstukken uit het handboek van de Publieke Moraal. In één vloeiende beweging gaat het gesprek dan over het falen van de moderne opvoeding, het gezin en het onderwijs, de televisie, de consumptiemaatschappij. Immers, van mensen die klappen van deze molens hebben gekregen, valt weinig mentale ruggegraat te verwachten. Waarna anekdote op anekdote wordt gestapeld om de treurige staat van onze cultuur aan te tonen.
Aan feitelijke gegevens hebben moraalsomberaars een broertje dood. Als het in hun straatje te pas komt, smijten ze er wat cijfers tegenaan - ‘dertig procent van de Groningse jongeren tussen de twaalf en veertien heeft wel eens soft drugs gebruikt’, riep CDA'er De Hoop Scheffer vorige week, alsof daarmee het ultieme bewijs van de onvermijdelijke ondergang van het land geleverd werd. Van het systematisch cijferwerk van het Sociaal en Cultureel Planbureau tonen de moraalsomberaars zich echter geen liefhebber. Geen wonder, want wie de moeite neemt om elke twee jaar het Sociaal en Cultureel Rapport goed te lezen, zet het somberen verder wel uit zijn hoofd. Steeds opnieuw laat het SCP zien dat wij - in doorsnee en met wat ups and downs - een aardig, welwillend, goedbedoelend en redelijk met elkaar meelevend volkje zijn. Niks verloedering, niks normvervaging, gewoon - uitzonderingen daargelaten - nette mensen, brave burgers.
Juist dit merkwaardige dualisme tussen feitelijkheid en anekdotiek maakt de meeste discussies over normen en waarden zo onnavolgbaar. Het gaat om voorvallen, pseudo-concrete beweringen, het rondzingende gevoel dat er wat moet gebeuren, waarbij niemand zo vriendelijk is om duidelijk te verwoorden wat dat 'wat’ dan precies is. Men vermijdt het angstvallig om het beestje bij de naam te noemen. Normen-en-waardendebatten zijn wat dat betreft fraaie voorbeelden van hedendaags cultureel correct denken. Omdat de spraakmakende elite in overheids- en welzijnsland niet meer hardop durft te zeggen dat bepaalde groepen er een potje van maken (zoals tot in de jaren vijftig gebruikelijk) of door het kapitalisme structureel in de knel zitten (zoals in de jaren zeventig gebruikelijk), brengt deze elite haar zorgen onder in algemene bewoordingen (de calculerende burger, normvervaging). Het debat over normen en waarden is daarmee oeverloos geworden, het is een beschavingsoffensief zonder object, een programma zonder doelgroep. Niemand voelt zich aangesproken. Zeker niet die tien procent van de bevolking die zich in de ogen van de elite niet gedraagt zoals het hoort. Zij hebben niet eens in de gaten dat er over hen wordt gediscussieerd. Misschien moeten ze, zoals dat in het verleden het geval was, gewoon weer een naam krijgen. Dan weten we tenminste over wie het in het moraaldebat eigenlijk gaat en kunnen ze zich verweren.