De Vlinderhof, Utrecht. Ontwerp Piet Oudolf © Hans van Horssen

Het groenbeleid is in vele steden de afgelopen jaren danig veranderd: er wordt minder gemaaid en gesnoeid, stenen trottoirs worden door perken met grassen, zandpaden en onverwachts kleurende bloemen vervangen, en in bermen woekeren plantensoorten vaak zonder onderscheid over elkaar heen. De stedelijke natuur lijkt, met andere woorden, natuurlijker, wilder en authentieker dan voorheen, toen spaarzame plantjes met man en macht in bedwang moest worden gehouden, om vooral netjes en uniform te ogen.

Een dergelijke omslag is in de tuin- en landschapsarchitectuur al decennia geleden gemaakt, en een van de belangrijkste pioniers is Piet Oudolf (1944), die in 1982 begon met het kweken van vergeten planten en voordien geminachte grassen in Hummelo, even ten oosten van Arnhem. Tijdens reizen naar Noord-Amerika en Oost-Europa zag hij uitgestrekte landschappen en vrijgevochten vormen van vegetatie die onvoorstelbaar waren in Nederland, waar met een lichte overdrijving elke zandkorrel niet alleen door mensenhanden is gepasseerd, maar onderweg ook minstens één keer van functie is veranderd.

In 1990 verscheen het boek Droomplanten, met tekst van Henk Gerritsen en met foto’s van Oudolf, waarin de planten worden gegroepeerd aan de hand van de adjectieven branderig, weelderig, luchtig, rustig, heftig, zilverig, grazig, treurig, herfstig en prachtig. Zo kwam, letterlijk en figuurlijk, het vocabularium tot stand waarmee Oudolf een indrukwekkend oeuvre kon realiseren, in Europa maar ook in de Verenigde Staten, met ontwerpen variërend van bescheiden privétuinen tot openbare parken.

Voor het ontwikkelen van zijn aanpak liet Oudolf zich uiteraard door voorgangers inspireren. Mien Ruys (1904-1999) was bijvoorbeeld een bekende Nederlandse tuinarchitect wier vader in 1888 een plantenkwekerij oprichtte in Moerheim. Hoewel zij een voorkeur had voor modernistische, orthogonale vormen, durfde ze in goedgevulde borders toch ook een losbandiger natuurbeeld te creëren, vooral dankzij het gebruik van vaste en meerjarige planten (in het Engels perennials), die ook meer dan één keer tijdens hun levensduur bloeien. Nog vroeger, en in Duitsland, besloot Karl Foerster (1874-1970) met grassen te werken die ‘klonteren’ of trosjes vormen, eerder dan zich als sprieten te verzamelen. Het verhaal gaat dat Foerster op een dag aan de noodrem van een trein trok, omdat hij in de spoorwegberm pluimstruisriet had zien staan, een compact siergras met smalle en stijve, grijsgroen gepunte bladeren die lichtjes afhangen. Deze plant heet sindsdien de calamagrostis acutiflora Karl Foerster, en bloeit van juli tot augustus met roodbronzen bloemaren die in de herfst de kleur van stro of zelfs van goud krijgen.

Voortdurend voorspellen hoe een tuin doorheen de seizoenen zal evolueren, ook wanneer de planten zich, uitgebloeid, nog slechts als skeletten overeind houden – het is dat wat ook Oudolf doet als hij ontwerpt. Het is geen toeval dat de film die Thomas Piper in 2017 aan zijn werk wijdde de titel Five Seasons meekreeg, en beelden toont van de belangrijkste realisaties van Oudolf, die in elk jaargetijde op visueel vlak iets anders te bieden hebben. Dat komt ook doordat hij zowel inheemse als uitheemse soorten selecteert op basis van hun blijvende structuur of hun silhouet, en dus niet enkel omdat ze bijvoorbeeld groen blijven tijdens de winter. Het is de structuur die Oudolf toelaat om ruimtelijk te werken – om planten te combineren, zowel naast als voor en achter elkaar, waardoor er verschillende lagen ontstaan, en diepte. Iedere afzonderlijke plant is nog duidelijk zichtbaar, maar maakt toch ook deel uit van een groter geheel.

Op een tentoonstelling die deze zomer en herfst te zien is in Schunck in Heerlen wordt de methode van Oudolf omschreven met de term sharawadgi, een verbastering van het Japanse woord voor asymmetrie. Sharawadgi werd in de zeventiende eeuw voor het eerst gebruikt door de Britse diplomaat Sir William Temple, in een essay met als titel Over de tuinen van Epicurus. Hij probeerde met dit woord grip te krijgen op de als niet-westers ervaren Japanse tuinen en landschappen, die vooral uit noodzaak onregelmatig, provisorisch of fragmentarisch zijn: Japan is een verbrokkeld land van eilanden en vulkanen, geteisterd door aardbevingen, en omringd door zeeën en oceanen. ‘Een kind dat tot honderd kan tellen’, zo schreef Temple, ‘kan reeksen bomen planten in rechte lijnen, tegenover elkaar, en zo vaak en zo lang als het maar wil. Het vergt een breder bereik van de verbeelding om in gekunstelde figuren een grote schoonheid te bewerkstelligen die het oog treft, maar dan zonder enige orde of plaatsing die zich op een vanzelfsprekende of makkelijke wijze laat observeren.’ Oudolf heeft het woord sharawadgi nooit op zijn werk toegepast, en hij is allesbehalve een theoreticus. In Five Seasons heeft hij het nog het vaakst – onhandig of ontwapenend, al naargelang – over schoonheid, en de vele boeken die sinds de jaren negentig over zijn bezigheden verschenen, werden altijd door anderen geschreven.

De titel van de tentoonstelling in Heerlen, In Search of Sharawadgi, werd bedacht door landschapsarchitect Peter Veenstra van het Rotterdamse bureau lola, dat met Oudolf heeft samengewerkt. In Parkstad Limburg, waarvan onder meer de gemeenten Heerlen, Kerkrade, Landgraaf en Brunssum deel uitmaken, legden Oudolf en lola in 2020 de laatste hand aan een archeologische tuin voor een in de zeventiende eeuw verdwenen kasteel in Etzenrade. De voltooiing van de Leisure Lane, een fiets- en wandelpad van 33 kilometer lang dat in dezelfde regio tussen snelwegen, rivieren, huizen, heiden, velden, industriegebouwen en bossen kronkelt, is voorzien voor 2023. Beide projecten worden uitvoerig gedocumenteerd op de tentoonstelling, net als ander werk van lola en Oudolf. Bijdragen van kunstenaars suggereren verwantschappen, maar wijzen net zo goed, subtiel en misschien deels onbedoeld op verschillen, lacunes of onderbelichte aspecten. Anne Geene verzamelde in Eeuwig Herbarium/Oudolf foto’s van stekjes of afgesneden takken en bladeren uit de tuin van Oudolf in Hummelo. In een herbarium zet ze deze beelden achter glas naast het origineel, dat doorheen de tijd verandert – uitdroogt, verkleurt en een beetje inkrimpt. Natureally van Geert Mul is een lichtbak, vierenhalf op acht meter, met een afbeelding in hoge resolutie van een grote eik, in verzadigde kleuren die langzaam veranderen, in de loop van anderhalf uur. Voor het werk After Landscape extraheerde Sanne Vaassen de kleuren van de planten en de grassen in de tuin in Etzenrade. De gewassen werden in alcohol geweekt om de pigmenten in transparante, vierkante flessen te bewaren en zichtbaar te maken. Iedere maand worden er, als in een visueel parfum, nieuwe stalen genomen en kleuren gemaakt, zodat de flessen naast elkaar de evolutie van de tuin zichtbaar maken.

De werken van Geene, Mul en Vaassen weerspiegelen de werkwijze van Oudolf, die ook anticipeert op hoe de planten, en de tuinen in hun geheel, in de toekomst zullen variëren. Tegelijkertijd gaan deze en ook andere kunstbijdragen aan In Search of Sharawadgi altijd met een artificiële of culturele vertaalslag gepaard: dit zijn menselijke interventies op een stuk natuur – pogingen om de ervaring en zelfs de essenties van flora te vatten in wetenschappelijke modellen, indrukwekkende beelden of onveranderlijke kleuren. En dan is nog niet eens de vraag gesteld in hoeverre de tuinen van Oudolf en de landschappen van lola zelf natuurlijk te noemen zijn, en hoe ze zich – volgende stap – verhouden tot de grote, zware lakmoesproef van onze tijd: de bijdrage aan de verstoring en zelfs de destructie van het klimaat en de planeet.

detail van de ontwerpschets van Piet Oudolf voor de tuin bij Hauser & Wirth, Somerset © Piet Oudolf
Piet Oudolf strooit met het meest vreemde ‘groen’ in het rond, als een rederijker die met planten spreekt, of een stilistisch verbluffende schrijver

Uiteindelijk ontsnappen zelfs de meest groene vingers niet aan de altijd deels morele vraag hoe grijpgraag ze zich van de natuur bedienen, en wat ze echt bijdragen aan de strijd tegen klimaatverandering. Er is op dat vlak duidelijk een verschil tussen de generatie van lola, actief sinds de eeuwwisseling, en die van Oudolf. lola is een acroniem voor lost landscapes; zoals er steeds meer architecten zijn die in plaats van te bouwen enkel nog bestaande gebouwen willen renoveren en herorganiseren, zo gaan zij op zoek naar wat als nouveaux terroirs wordt omschreven: landschappen en territoria die grotendeels vergeten zijn, omdat ze meestal bij activiteiten horen die in de twintigste eeuw nog fantastisch leken, maar die ondertussen om verschillende redenen, en niet altijd terecht, als achterhaald worden beschouwd. lola besloot bijvoorbeeld om zich het lot aan te trekken van een reeks zoutvelden in Ulcinj, langs de kust van Montenegro. Tot 2012 werd hier zout water naar boven gepompt, wat resulteerde in een ecosysteem langs de Adriatische Zee, belangrijk vooral voor trekvogels – Ulcinj werd het Heathrow voor vogels genoemd, maar het is ondertussen in onbruik geraakt. In het onuitgevoerde plan van lola zou ieder zoutveld, afhankelijk van de diepte en de saliniteit, voor verschillende dier- en plantensoorten aantrekkelijk kunnen worden. Het resultaat, aldus de architecten, zou niet alleen ‘een nieuw hyper(bio)divers landschap met eindeloze variëteiten’ kunnen zijn, maar ook ‘een spectaculair landschap met het potentieel om meer bezoekers aan te trekken en tewerkstelling te creëren’.

Dergelijk uitgesproken en geëngageerde ambities, die voorbij lijken te gaan aan het feit dat de klimaatcrisis net het gevolg is van de eeuwige zoektocht naar economische mogelijkheden en financieel rendement, heeft Oudolf niet. Het neemt niet weg dat hij voor de rijken der aarde gewerkt heeft, en in 2014 bijvoorbeeld voor Hauser & Wirth, de machtigste commerciële kunstgalerie ter wereld, een tuin van meer dan zesduizend vierkante meter aanlegde in het Verenigd Koninkrijk. De publieke realisaties van Oudolf zijn in principe voor iedereen toegankelijk, maar dat blijkt soms tegen te vallen, ook in de meest grootstedelijke omgevingen in de VS die van sharawadgi werden voorzien. Beroemd zijn de Lurie Garden in het hart van Chicago (2004), de tuinen van Battery Park in New York (2005) en vooral, eveneens in Manhattan, de High Line, voltooid in 2014 en aangelegd op het traject van een vervallen goederenspoorlijn. De rails waren reeds gedeeltelijk onder wilde planten en voor een grootstad ongebruikelijke grassen verborgen, maar na een proces van stadsvernieuwing is alles toegankelijker gemaakt, met de ingrepen van Oudolf als een soort tweede, verbeterde natuur. Het is een proeve van wat sinds de eeuwwisseling landscape urbanism of landschapsstedenbouw wordt genoemd: de ontwikkeling van braakliggende, vaak postindustriële terreinen in de plooien van de stad, niet zozeer door middel van gebouwen of vastgoedoperaties, maar door meer zachte, geïntegreerde en duurzame wijzigingen, gebaseerd op openbaar vervoer, fietspaden, groenzones, waterlopen, infrastructuur en publieke voorzieningen. Nieuwe architectuur volgt daarna als vanzelf, in de handen van de vrije markt.

Ook de High Line is een toeristisch en economisch succes, hoewel voor een klein deel van de bevolking. Bovendien heeft het dure project een groot deel van het beperkte budget voor openbare ruimte van de stad New York opgeslokt, en is het er vooral door mecenaat en sponsoring gekomen. ‘Na voltooiing stegen de prijzen voor onroerend goed onmiddellijk’, schrijft Noel Kingsbury lovend in de meest recente editie van Oudolf: Hummelo, een boek dat als biografie van de tuinarchitect kan gelden. Het wijst opnieuw op de economische meerwaarde van ‘een Oudolf’, die waarschijnlijk hoger ligt dan de ecologische return on investment. ‘De High Line appreciëren’, zo schreef in 2010 een Amerikaanse architectuurcriticus, ‘betekent ook medeplichtig zijn aan de ongelooflijke rijkdom en privileges die erdoor geschraagd worden.’ De strengste manier om de ‘verbeterde natuur’ van Oudolf te bekijken is inderdaad als het resultaat van een praktijk die sociale en politieke omstandigheden letterlijk als ‘natuurlijk’, vanzelfsprekend en onveranderlijk presenteert. De artificiële natuur van de High Line dient vanuit die interpretatie vooral om de gentrificatie van New York aanvaardbaar, prachtig en feeëriek te maken – op iets dat op zulke manier begroeid is, kan toch niet anders dan de zegen van de natuur rusten?

Oudolf zelf maakt zich geen illusies over de economische implicaties van zijn bezigheden, en hetzelfde geldt voor de ecologische aspecten ervan. In Five Seasons komt de klimaatcrisis slechts één keer ter sprake, hoewel in de tuin in Hummelo de buxusstruiken en de karakteristiek golvende hagen uit de jaren negentig een paar jaar terug verwijderd werden na steeds drastischer overstromingen in de Achterhoek. Enkel wanneer curator Hans Ulrich Obrist het woord neemt in de documentaire – op zijn aangeven realiseerde Oudolf in 2011 een tuin in een tijdelijk, zwarthouten paviljoen van de Zwitserse architect Peter Zumthor, in Hyde Park in Londen – dient een ecologisch besef zich aan. De stadsparken van Oudolf worden door Obrist geprezen vanwege hun biodiversiteit: hij gebruikt planten, bloemen en grassen die grotendeels vergeten zijn, plaatst ze in een stedelijke context, en voorziet op die manier in de bestaansbehoeften van talloze, evenzeer bedreigde insecten.

Daar valt iets voor te zeggen, en niet eens om exclusief ecologische redenen. Een tuin zien van Oudolf confronteert je eerst en vooral, op een intellectuele manier, met de complexiteit van de wereld, als een antigif voor uniformiteit en herhaling. Zelfs wie er prat op gaat over een aanzienlijke woordenschat te beschikken, zal meteen moeite hebben om de begroeiing te beschrijven, laat staan precies te benoemen. De biodiversiteit heeft een onmiddellijke tegenhanger in de taalrijkdom die al deze flora kan opleveren. En de oorsprong daarvan bevindt zich ook op papier, in de tekeningen die aan de tuinen voorafgaan, waarin kinderlijk inkleurplezier met de precisie van een laborant wordt gecombineerd, en waarop Oudolf onderaan de lange Latijnse namen van alle planten in handgeschreven drukletters neerschrijft. Daar ligt zijn talent, en het maakt ook de kracht van zijn werk uit: de virtuositeit, de technische vaardigheid waarmee hij het meest vreemde en bontgekleurde ‘groen’ in het rond strooit, als een rederijker die met planten spreekt, of een romanschrijver die stilistisch verbluffende, ongeziene dingen doet. Het maakt zijn tuinen en parken, op een beperkte schaal, tot concentratiepunten van realiteit, die kunnen oproepen tot piëteit en ontzag, tot bescheidenheid en respect. Niet dat de wereld zo groot is, is het wonder, als wel dat er toch nog steeds zoveel is, hoe connected en goed geïnformeerd we ook menen te zijn, dat we kennen noch beheersen, en dat daarom aan ons begrip – en onze taal – ontsnapt.

Impressie van de ‘flamingo-ervaring’ bij de zoutvelden van Ulcinj, langs de kust van Montenegro. Ontwerp LOLA Landscape Architects © LOLA Landscape Architects

Het is wat dat betreft geen toeval dat de onvoltooide roman De bleke koning van David Foster Wallace uit 2011 opent met de lange beschrijving (vertaald door Daniël Rovers en Iannis Goerlandt) van een landschap dat van Oudolf zou kunnen zijn, omdat het gekenmerkt wordt door het contrast tussen de resten van menselijk ingrijpen, en een welige natuur vol mysterieus klinkende planten: ‘Langs de flanellen vlakten en asfaltgrafieken en skylines van hellend roest, en langs de tabaksbruine rivier met zijn overhangende treurbomen en munten zonlicht die er stroomafwaarts op het water doorheen flonkeren, naar de plek aan de andere kant van het windschut, waar braakliggende velden schril zengen in de vroege hitte: kafferkoren, ganzenvoet, rijstgras, sarsaparilla, aardamandel, doornappel, akkermunt, paardenbloem, vossenstaart, muskadel, rijnkool, guldenroede, hondsdraf, fluweelblad, nachtschade, ambrosia, oot, wikke, muizendoorn, ingestulpte wilde bonen, alle kopjes lijzig knikkend in een ochtendbries als een zachte moederhand op je wang.’

In werkelijkheid valt deze plek, net als De bleke koning in het geheel, ergens in de Amerikaanse Midwest te situeren, een gebied dat Oudolf geregeld bezocht, en waar het landschap nog relatief ongerept is gebleven, zeker in de ogen van een Europeaan. In Five Seasons zit een scène waarin hij door dat landschap rijdt, en zijn ogen niet kan geloven – zoveel felkleurige planten, zo’n golvende zee van vegetatie, zo’n combinatie ook van verschillende bloeiwijzen, op één moment, die in Europa over een heel jaar verspreid zijn! De uitspraak die hij geregeld over zijn tuinen en parken doet – ‘het is natuur, maar dan zoals je zou willen dat de natuur was’ – kan in dat licht begrepen worden. Er is uiteraard niks ‘natuurlijks’ aan het werk van Oudolf, en zijn tuinen zijn niet minder kunstmatig of gepland dan het langs kaarsrechte assen aangelegde park van Versailles of een kort gemaaid golfcourt. Het verschil is dat hij, op een moment in de wereldgeschiedenis waarin de laatste rest onversneden natuur hoogstwaarschijnlijk al een tijdje van de planeet is verdreven, toch tuinen en parken aanlegt waarin de natuur nog als idee overeind blijft, en in een soort geëxalteerde vorm wordt geëtaleerd. In vergelijking met het meer realistische, eerlijke en openlijk ‘onnatuurlijke’ werk van andere Nederlandse landschapsarchitecten als Petra Blaisse en Adriaan Geuze van West 8, serveert Oudolf romantische, softe en pastelkleurige ficties. Maar het is niet omdat iets niet waar is, dat het niet aantrekkelijk, fascinerend of revelerend kan zijn.

Het effect van dergelijke fictieve en ‘gewild wilde’ natuur doet denken aan een scène uit de film Dark Waters uit 2019, van regisseur Todd Haynes. Dark Waters is gebaseerd op een artikel uit The New York Times van Nathaniel Rich, van wie recent de bundel Second Nature: Scenes from a World Remade verscheen – een titel en ondertitel die ook bij het oeuvre van Oudolf zouden passen. Het gaat om het waargebeurde verhaal van advocaat Robert Bilott, die eind jaren negentig begon te procederen tegen het Amerikaanse chemiebedrijf DuPont, dat door het gebruik van perfluoroctaanzuur (onder meer in bakpannen met een antikleeflaag, maar ook in vast tapijt) wereldwijd onherroepelijke milieu- en gezondheidsschade heeft aangebracht. Bilott, vertolkt door Mark Ruffalo, heeft bewijzen gevonden in een ontzaglijke hoeveelheid bedrijfsdocumenten die hij met engelengeduld heeft doorgenomen. Vlak na z’n ontdekking, midden in de nacht, treft zijn vrouw hem in de keuken aan, terwijl hij potten en pannen aan het onderzoeken is, en de bekleding van de vloer heeft losgetrokken. Het zit overal, zegt hij na haar alles te hebben verteld – er is niks meer in deze wereld te vinden, mens, dier noch ding, dat niet met industriële en chemische producenten vermengd is geraakt. Een gelijkaardig besef kan ook een vurig bloeiende tuin van Oudolf oproepen, of andere plekken waarin goedbedoeld een vorm van natuurlijkheid wordt nagestreefd: wat we als het toppunt van oorspronkelijke begroeiing en pre-industriële diversiteit beschouwen – zelfs wat aan de gebruikelijke categorieën en vocabulaires ontsnapt – is uiteindelijk ook niets meer dan een gevolg van menselijk ingrijpen.

Vergeet het dus maar, dat de mens zich nog uit de wereld zou kunnen terugtrekken ten voordele van de natuur: als het menselijk ras wordt uitgewist, is alles wat overblijft tot het einde der tijden door onze aanwezigheid getekend. De tuinen van Oudolf, die in kleur, vorm en structuur geregeld aan vuurwerk of mooier nog, in het Frans, feu d’artifice doen denken, maken duidelijk dat de natuur unheimisch is geworden – en het tegendeel van wat natuurlijk of vertrouwd zou moeten zijn. We kunnen de natuur enkel nog als een onnatuurlijke uitzondering ervaren.

Piet Oudolf en LOLA, t/m 17 oktober bij Schunck in Heerlen, schunck.nl