Een onooglijk lichtstipje aan de sterrenhemel

De wetenschap is voorzichtig als het gaat om aliens en ufo’s, maar Harvard-astronoom Avi Loeb schrijft onomwonden over het bestaan van buitenaards leven. Houdt zijn hypothese steek?

De Interplanetary Spacecraft Convention UFO Conferentie in de woestijn bij Giant Rock. Californië, 1957 © Ralph Crane/The LIFE Picture Collection / Getty Images

Eén keer in mijn leven heb ik een ufo gezien , inmiddels bijna een halve eeuw geleden. Op een kraakheldere, aardedonkere nacht zag ik een gigantische, zwak oplichtende, wazige boemerang langs de sterrenhemel trekken. Een halve minuut later was hij uit het zicht verdwenen. Te snel voor een wolk, te traag voor een meteoor, te groot en te stil voor een vliegtuig – hier was echt sprake van een unidentified flying object of, in hedendaags jargon, van een unidentified aerial phenomenon (uap). Ik had in elk geval geen flauw idee wat het kon zijn.

In de wetenschap stikt het van de raadsels en onopgeloste problemen. Dat is nou net het leuke en het uitdagende aan de hele onderneming. Betere metingen, gevoeligere experimenten, testen, checken, controleren – met een beetje geluk en doorzettingsvermogen lost een wetenschapper de meeste puzzels uiteindelijk wel op. Maar als er sprake is van een eenmalig verschijnsel waar je nooit meer nieuwe waarnemingen aan kunt verrichten, zoals bij mijn ufo, kom je op die manier natuurlijk geen steek verder.

Mij lijkt het dan een nogal grote stap om in zo’n geval te concluderen dat er mogelijk een buitenaards ruimteschip langs vloog boven mijn hoofd, maar theoretisch astrofysicus Avi Loeb van Harvard University – niet de eerste de beste – ziet daar geen been in. Althans, dat beeld rijst op uit zijn nu net verschenen boek Buitenaards. Loeb, die zijn sporen verdiende met publicaties over zwarte gaten en de oorsprong van het heelal, schrijft over het mysterieuze object ‘Oumuamua, dat in het najaar van 2017 korte tijd zichtbaar was.

‘Oumuamua (een Hawaïaanse naam, die zoveel betekent als ‘verkenner’) stelt astronomen voor een raadsel vanwege zijn merkwaardige en deels onverklaarde eigenschappen – waarover later meer. Een sluitende oplossing is er niet (of in ieder geval nóg niet) en volgens Loeb moeten we daarom serieus openstaan voor de hypothese dat het hier om een stukje alien technology gaat. Wie dat niet doet, stelt hij, is kortzichtig en conservatief, en neemt het mogelijke bestaan van buitenaards leven niet serieus.

Het controversiële boek doet veel stof opwaaien, vooral onder Loebs collega-astronomen. Die zijn heus nog wel onder de indruk van zijn creativiteit als theoreticus, maar beschuldigen hem er nu van voeding te geven aan pseudowetenschappelijke ideeën van ufo-gelovigen, en aan complottheorieën over gecrashte vliegende schotels en lijken van aliens die door de cia verborgen zouden worden gehouden op de geheime militaire basis Area 51 in Nevada. Bovendien, zeggen ze, nemen ze buitenaards leven wel degelijk serieus, alleen dan wel op een wetenschappelijk verantwoorde wijze, door te zoeken naar concreet bewijsmateriaal.

Afgelopen najaar werd bijvoorbeeld nog de ontdekking gepubliceerd van fosfine in de dampkring van Venus – een molecuul dat zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van micro-organismen (inmiddels liggen deze metingen trouwens onder vuur). DeMarswagen Perseverance van nasaspeurt op de Rode Planeet naar fossiele Marsbacteriën. En toekomstige reuzentelescopen gaan in de atmosferen van verre exoplaneten – planeten in andere zonnestelsels – op zoek naar ‘biomarkers’: stoffen die wijzen op biologische activiteit op het planeetoppervlak.

De zoektocht naar buitenaards leven is heel begrijpelijk als je weet dat de bouwstenen van het leven – van simpele koolwaterstoffen tot complexere organische moleculen – overal in de kosmos worden aangetroffen, en dat sterrenkundigen in de afgelopen kwart eeuw ontdekt hebben dat er alleen in ons eigen Melkwegstelsel al vele miljarden planeten moeten zijn die in grote lijnen op de aarde lijken. Dat er maar op één plaats in het onmetelijke heelal en op één moment in de bijna veertien miljard jaar durende geschiedenis van het universum leven zou zijn ontstaan, lijkt puur op basis van simpele statistiek al zo goed als uitgesloten.

Maar waar het gaat om buitenaardse beschavingen – intelligente ruimtewezens – heeft Loeb een punt. Volgens verreweg de meeste beroepsastronomen horen die vooralsnog thuis in de speeltuin van de speculatie, op de pagina’s van sciencefictionboeken, of in Hollywood-kaskrakers als Independence Day en Arrival. Over aliens wordt doorgaans wat lacherig gedaan, en je leest er zelden over in The Astrophysical Journal.

Christiaan Huygens schreef eind zeventiende eeuw uitgebreid over de eventuele bewoners van andere planeten – ‘die ook met Reden en Verstand begaafd zullen zijn’, aldus de briljante natuurwetenschapper – en ook tweehonderd jaar later werd nog vrijmoedig gespeculeerd over mogelijke bewoners van de maan en buurplaneten Venus en Mars. Aardse ontdekkingsreizigers waren overal nieuwe diersoorten en onbekende volkeren tegen het lijf gelopen; er leek weinig reden om te veronderstellen dat de veelvuldigheid van het leven zich op andere werelden niet ook zou doen gelden.

De ontdekking van kaarsrechte, donkere lijnen op het oppervlak van Mars, door de Italiaan Giovanni Schiaparelli (mooi beschreven door Frank Westerman in zijn nieuwe boek De kosmische komedie), leek dat idee te ondersteunen. In Amerika was het Percival Lowell die deze ‘Marskanalen’ eind negentiende eeuw daadwerkelijk interpreteerde als kunstmatig aangelegde irrigatienetwerken – een onmiskenbaar bewijs dat er op Mars sprake moest zijn van een hoogontwikkelde, technologisch vergevorderde beschaving.

Het is zo goed als uitgesloten dat er maar op één plaats en op één moment in het universum leven ontstond

De populair-wetenschappelijke boeken en lezingen van Lowell gaven op hun beurt weer aanleiding tot een hausse van huiveringwekkende sciencefiction, van serieuze romans als The War of the Worlds van H.G. Wells tot de populaire pulp magazines over slijmerige monsters met uitpuilende ogen die het voorzien hadden op hulpeloze, vaak schaars geklede homo sapiens-vrouwtjes. Zo lagen astronomische waarnemingen uiteindelijk aan de basis van de fantasieverhalen over groene mannetjes en E.T. Dat die waarnemingen later op gezichtsbedrog bleken te berusten (Marskanalen bestaan niet, weten we nu), deed daar natuurlijk niets meer aan af – de geest was uit de fles.

Dankzij het ruimteonderzoek werd in de loop van de jaren zestig echter duidelijk dat Venus en Mars bepaald geen gastvrije werelden zijn. Onbemande ruimtesondes ontdekten dat het op Venus zo’n 460 graden Celsius heet is, en dat er een luchtdruk heerst die negentig maal zo groot is als die op aarde. Mars bleek juist een extreem ijle dampkring te hebben, voornamelijk bestaande uit giftig koolzuurgas, terwijl de gemiddelde temperatuur zo’n vijftig graden Celsius onder nul bedraagt, en de planeet continu gebombardeerd wordt door dodelijke kosmische straling.

Geen omgeving waar je hoogontwikkelde (en daardoor kwetsbare) levensvormen verwacht in ieder geval. Eencellige organismen misschien; wie weet wat schimmels en korstmossen, maar zeker geen kanalengravers of moordzuchtige monsters met giftanden en zuignapjes. Nee, de aliens leken voorgoed verhuisd van het domein van de wetenschap naar de wereld van sciencefiction, ufo-meldingen en pseudowetenschappelijke auteurs als Immanuel Velikovsky en Erich von Däniken. Zonder tastbare en controleerbare feiten bleven alleen fabels, fictie en fake news over.

En setinatuurlijk. De Search for Extra-Terrestrial Intelligence – een nichegebied in de academische wereld – maakt gebruik van grote, gevoelige radioschotels om jacht te maken op mogelijke signalen en boodschappen van buitenaardse intelligenties. De ontvangers zijn in de afgelopen zestig jaar vele miljoenen malen gevoeliger geworden, maar tot nu toe is er nog nooit iets gevonden. Nou ja, behalve dan het zogeheten Wow!-signaal in 1977, waarvan de herkomst nooit met zekerheid is achterhaald. Maar goed, daar kun je dus ook geen vervolgonderzoek meer aan verrichten – net als bij de boemerang-ufo die ik een paar jaar eerder zag overvliegen. Onopgeloste raadsels in de wetenschap zullen er altijd blijven.

Een marsmannetje door Anton Brzezinski © Anton Brzezinski / Forrest J. Ackerman Collection / Getty Images

Ik geloof niet dat Abraham (Avi) Loeb (59) ooit over het Wow!-signaal heeft gepubliceerd, maar misschien komt dat nog. Feit is dat de eminente Harvard-theoreticus sinds een paar jaar vrijwel geen gelegenheid onbenut laat om aliens naar voren te schuiven als mogelijke verklaring voor astronomische raadsels. Dat deden sterrenkundigen in het verleden hooguit met een knipoog, of en petit comité, zoals in 1967, toen er voor het eerst een knipperende radiobron in het heelal werd ontdekt. Die kreeg intern de codenaam lgm-1, voor ‘Little Green Men’, maar al snel bleek dat het om een rondtollende neutronenster ging – inmiddels zijn er meer dan tweeduizend van die ‘pulsars’ bekend.

Wat aliens wetenschappelijk gezien zo onaantrekkelijk maakt, is dat je er werkelijk alle kanten mee op kunt, vanwege het simpele feit dat er niets over ze bekend is. Zo werd er in 2015 een ster ontdekt die op een heel uitzonderlijke wijze van helderheid veranderde. Astrofysici konden het gedrag van ‘Tabby’s Star’ op geen enkele manier duiden, maar Jason Wright van de Pennsylvania State University wist er – als een Avi Loeb avant la lettre – wel raad mee. Het licht van de ster zou af en toe deels worden verduisterd door een in aanbouw zijnde ‘megastructuur’, geconstrueerd door een technologisch hoogontwikkelde beschaving om te voorzien in de groeiende energiebehoefte.

Loeb deed een paar jaar geleden hetzelfde met de raadselachtige fast radio bursts (snelle radioflitsen) die sinds 2007 regelmatig worden geregistreerd: krachtige uitbarstingen van radiostraling in het heelal die slechts een milliseconde duren. Die zouden het bijproduct kunnen zijn van een futuristisch soort voortstuwing van buitenaardse ruimteschepen, zo opperde hij. (Inmiddels weten we dat Tabby’s Star vermoedelijk omgeven wordt door absorberende stofwolken, en dat snelle radioflitsen afkomstig zijn van sterk gemagnetiseerde neutronensterren.)

Het is precies dezelfde benadering die een halve eeuw geleden al werd gevolgd door cultauteur Erich von Däniken: je kiest een onderwerp waar (nog) weinig over bekend is (fast radio bursts, of in het geval van Von Däniken de piramiden in Egypte of de Nazcalijnen in Peru), je tovert een hypothese uit de hoge hoed waar je alle kanten mee op kunt (in zijn boek Waren de goden kosmonauten? stelde Von Däniken dat de aarde lang geleden bezoek had gehad van buitenaardse ruimtereizigers) en met een beetje creativiteit en een vlotte pen valt vervolgens elk mysterie te verklaren.

Zo komen we bij ‘Oumuamua, de zielloze protagonist van Loebs boek Buitenaards. Een klein object – naar schatting hooguit een paar honderd meter groot – dat in oktober 2017 op kleine afstand langs de zon scheerde, en pas ontdekt werd toen het zich alweer van ons verwijderde, als een onooglijk lichtstipje aan de sterrenhemel. Uit de hoge snelheid bleek dat het afkomstig was van buiten het zonnestelsel. Het bestaan van zulke intrigerende ‘interstellaire planetoïden’ was op theoretische gronden al voorspeld – ‘Oumuamua leek gewoon het eerst ontdekte exemplaar.

Het mysterieuze object ‘Oumuamua is, volgens Avi Loeb, een gigantisch lichtzeil gebouwd door een buitenaardse beschaving

Maar zo gewoon bleek het hemellichaam niet te zijn. De sterke, regelmatige helderheidsvariaties van het lichtstipje wezen op een zeer uitzonderlijke vorm: heel langwerpig, als een soort ruimtekomkommer, of sterk afgeplat, als een kosmisch beschuit. Bovendien leek ‘Oumuamua zich niet aan de wetten van de zwaartekracht te houden: terwijl hij weer langzaam maar zeker uit het zicht verdween, was zijn snelheid net iets hoger dan je zou verwachten op basis van de aantrekkingskracht van de zon, alsof hij een extra zetje kreeg. IJzige kometen vertonen ook weleens zulke ‘niet-gravitationele krachten’, doordat er oppervlaktemateriaal verdampt met een soort raketeffect als gevolg, maar bij ‘Oumuamua werden geen weggeblazen gas- of stofdeeltjes gevonden.

Een kolfje naar de hand van creatieve natuurwetenschappers, die de afgelopen jaren allerlei mogelijke verklaringen hebben geopperd (de meest recente is dat ‘Oumuamua voornamelijk uit bevroren stikstof bestaat, net als het oppervlak van de dwergplaneet Pluto; verdampend stikstof is moeilijk waarneembaar). Maar Avi Loeb gaat een stap verder: het is veel waarschijnlijker, stelt hij zonder blikken of blozen, dat het mysterieuze object een gigantisch lichtzeil is, gebouwd door een buitenaardse beschaving.

Al enkele jaren is Loeb nauw betrokken bij het Breakthrough Starshot-project van de Russische miljardair Yuri Milner. Breakthrough Starshot onderzoekt of het mogelijk is om minuscule ruimtescheepjes met hoge snelheid op pad te sturen naar andere sterren, door gebruik te maken van krachtige lasers en lichtzeilen. Door zo’n superlicht, flinterdun zeil te beschijnen met laserlicht, kun je het vastgekoppelde microsatellietje een enorme versnelling geven, en moet het in principe mogelijk zijn om in twintig jaar tijd naar Proxima Centauri te reizen – na de zon de dichtstbijzijnde ster in het heelal.

Als wij zo’n slimme voortstuwingstechnologie kunnen bedenken, zo redeneert Loeb, zullen intelligente aliens ook wel op dat idee zijn gekomen. ‘Oumuamua zou dan een kolossaal buitenaards lichtzeil kunnen zijn dat min of meer bij toeval (of misschien wel expres?) ons zonnestelsel aandeed. (Overigens is het mysterieuze hemellichaam ook in detail bestudeerd met radiotelescopen; er werd geen enkele vorm van radiocommunicatie of elektronische ruis geregistreerd.)

Deze redenering is bovenal antropocentrisch: wij zijn nu eenmaal geneigd te zien wat we kennen. Ooit zag ik een cartoon waarin holenmensen elkaar verbaasd wezen op een merkwaardig vliegend vaartuig dat bestond uit aan elkaar gebonden boomstammen. Eind negentiende eeuw zagen ufo’s eruit als zeppelins (die lagen toen net op de aardse tekentafels); pas tien jaar voor de lancering van de eerste Spoetnik begonnen ze op ruimteschepen te lijken. De aliens zijn ons technologisch gezien altijd nét iets voor, maar gek genoeg nooit zo ver dat er geen relatie meer is met onze eigen mogelijkheden – dat geeft te denken.

Bij de speurtocht naar buitenaards leven is het al niet anders. Lowells ideeën over de Marskanalen werden mede ingegeven door de recente voltooiing van het Suezkanaal en de bouw van het Panamakanaal. Zijn hyperintelligente Marsbewoners groeven natuurlijk óók kanalen, alleen op een veel grotere schaal dan wij. En omdat wij onderling communiceren op radiogolflengten, zocht het seti-project begin jaren zestig aanvankelijk ook uitsluitend naar mogelijke buitenaardse radiosignalen. Pas nadat op aarde de glasvezeltechnologie en de lasercommunicatie waren ontwikkeld, kwam ook ‘optische seti’ in de belangstelling te staan: de aliens moeten immers vast óók ontdekt hebben dat dat in veel gevallen sneller en energiezuiniger is.

Zo beschouwd is die hele Search for Extra-Terrestrial Intelligence een enigszins naïeve aangelegenheid. Ooit verzuchtte ik een keer hardop dat de ‘setizens’, zoals ze zichzelf soms noemen, in feite op zoek zijn naar een vrij exacte kopie van Homo sapiens, en dat je je dan net zo goed kunt afvragen of de aliens de cd-speler al hebben uitgevonden, en of ze liever whisky drinken of appelsap – dat werd me door de aanwezige E.T.-hunters niet in dank afgenomen. Maar bij Avi Loebs ongeremd gespeculeer over buitenaardse zonnezeilen zie ik toch weer precies hetzelfde mechanisme aan het werk: wat wij hier op aarde verzinnen, is elders in het heelal vast ook bedacht.

Ons heelal is 13,8 miljard jaar oud; Homo sapiens verscheen minder dan een half miljoen jaar geleden ten tonele. In de theatervoorstelling Starry, Starry Night waarmee ik twee jaar geleden samen met zangeres Leoni Jansen door het land toerde, vergeleek ik de geschiedenis van de kosmos met een encyclopedie van veertien delen, elk duizend pagina’s dik. Als de oerknal plaatsvond op pagina één van het eerste deel, ontstonden zon en aarde pas halverwege deel tien, en de eerste eencellige organismen in de eerste helft van deel elf. Maar het leven op aarde bleef drie miljard jaar lang eencellig, tot halverwege deel veertien; de dino’s stierven pas uit op pagina 934 van dat laatste deel en als je de onderste helft van bladzij 1000 eruit scheurt, is er van de mens niets meer terug te vinden.

Er zal heus elders in het uitgestrekte heelal leven kunnen zijn ontstaan, maar ook dat moet op microscopische schaal zijn begonnen. En aangezien de biologische evolutie geen doel of vooropgezet plan kent – wij zijn echt het resultaat van een grillige reeks toevalligheden – lijkt het vrijwel ondenkbaar dat er op een andere planeet na een paar miljard jaar evolutie organismen ontstaan die qua eigenschappen en gedrag een verbluffende gelijkenis vertonen met de mens. Je verwacht per slot van rekening ook niet dat er ergens in het heelal een perfecte kopie van de aarde rondzweeft, met exact dezelfde kustlijnen, bergketens en rivieren als onze planeet, of dat de evolutie van taal op een verre exoplaneet net als bij ons Cockney English en Algemeen Beschaafd Nederlands heeft opgeleverd.

Ja, Avi Loeb heeft gelijk als hij zijn collega’s oproept om de wereld met open vizier tegemoet te treden, en niet op voorhand bepaalde theorieën en hypothesen uit te sluiten. Maar zeker waar het om het bestaan van intelligent buitenaards leven gaat, doen wetenschappers er mijns inziens goed aan om het adagium van de Amerikaanse astronoom en publicist Carl Sagan voor ogen te houden: ‘Extraordinary claims require extraordinary evidence.’ Dat ‘uitzonderlijke bewijsmateriaal’ is er eenvoudigweg niet.

Eén ding staat buiten kijf: door na te denken over het mogelijke bestaan van intelligent buitenaards leven houden we onszelf een spiegel voor, en ontwikkelen we mogelijk een meer kosmische visie op ons eigen bestaan. De Britse sciencefictionauteur en futuroloog Arthur C. Clarke zei ooit: ‘Two possibilities exist: either we are alone in the universe or we are not. Both are equally terrifying.’ En zo is het precies. Of we nu ontdekken dat het heelal wemelt van de intelligente beschavingen, of dat wij een uiterst zeldzaam product zijn van de kosmische evolutie, het zal uiteindelijk van grote invloed zijn op de manier waarop we nadenken over onze plaats in ruimte en tijd.

Buitenaards biedt voldoende aanknopingspunten voor zo’n kosmisch zelfonderzoek, maar dat had ook heel goed gekund – of misschien wel beter – zónder een vergezochte en onweerlegbare hypothese te propageren over een op zich fascinerend en wetenschappelijk interessant hemellichaam. De ontdekking van buitenaards leven lijkt me fantastisch, en zou zonder meer een van de belangrijkste mijlpalen in de geschiedenis van de mensheid zijn. Zoals gezegd wordt er op tal van manieren naar gezocht, en ik kijk uit naar de eerste overtuigende bewijzen. Maar ‘Oumuamua verdient dat predicaat niet.

En die ufo van mij? Jaren later werd ook dat raadsel opgelost, toen iemand me vertelde dat ik zo goed als zeker een V-vormige zwerm vogels over had zien vliegen, zwak van onderen verlicht door lantaarns. Nee, sluitend bewijs heb ik niet en zal ik ook nooit meer krijgen, maar die verklaring sloot zó mooi aan bij wat ik had gezien, en vereiste zó weinig vergezochte aannames, dat ik overtuigd ben.