Een onsmakelijke stukje

Noodgedwongen eet ik vijf van de zeven dagen buitenshuis, hetgeen meestal geen straf is. Maar soms hangen de ossestaarten plus het bijbehorend personeel (‘Is alles naar genoegen, meneer?’) je zo de keel uit, dat je snakt naar een eerlijke, eigenhandig vervaardigde uitsmijter.

Natuurlijk klaag ik niet. Ik hoef maar de straat over te steken om de heerlijkste pizza’s, de sappigste biefstukken of de roomboterdoordesemdste gebakken tongen geserveerd te krijgen. Het enige probleem met eten is, wat mij betreft, eten. Ik doe het graag, maar de krankzinnige hoeveelheden slaan mij altijd weer met stomheid. Ober, mag het alstublieft een snijboon minder?
Hoe deed Tijl Uylenspiegel het eigenlijk? Die schoof aan in de eerste de beste taveerne en stortte zich met zijn hele gewicht op de hamelbout met bonen, de varkensoren, de hemelse soezen, zwemmend te midden van de nieren, de hanekammen, kalfszwezeriken, ossesteerten en schapepoten (met veel ajuin), de pannekoeken van zestig eieren, overgoten met een dobbele peterman, benevens de koekebakken met Anderlechtse boter, zingend in de pan, sappig, knapperig en hijgend naar het bier waarmee zij worden begoten.
Als men van tijd tot tijd van een smakelijk hapje houdt, kan men trouwens het boekenlezen beter staken. Lees George Orwells Parijse herinneringen. De chef-kok van het chique hotel X, waar de schrijver de vaten spoelde, keurde zijn etenswaren als volgt: ‘Hij neemt de biefstuk in zijn blote handen, haalt dan zijn duim door de schaal en likt deze af om de jus te proeven, haalt de duim vervolgens nog een keer door de schaal, likt hem opnieuw af, doet dan een stap terug en bekijkt het vlees zoals een artist die een schilderij bekijkt.’
Heeft het gesmaakt, mevrouw, meneer?
God moge je bewaren als er toevallig een klassestrijder boven de pannen staat. Zoals Orwells vooruitstrevende collega Jules, die 'soms een vuile vaatdoek boven de soep van een klant placht uit te wringen, enkel en alleen om zich op een lid van de bourgeoisie te wreken.’
Toen was eten in principe alleen maar onsmakelijk. Thans is eten, zoals elke krantelezer kan weten, levensgevaarlijk. Ieder die zijn leven lief is, zou zich met een broodje kaas overeind moeten houden, gechaperonneerd door een zorgvuldig gescreend blaadje sla, plus een glas bronwater.
Al het andere - vlees en vis, jam en fruit, melk en het matineuze zachtgekookte eitje - blijkt in toenemende mate levensbedreigend en in elk geval onhygiënisch te zijn. Jan Cremer getuigt hoe zijn collega’s in het abattoir ongegeneerd hun behoefte deden tussen de stuiptrekkende kadavers van koeien en paarden. 'Dat komt ook in uw knakworstjes, gehaktballen, rookworst, boterhamworst, zure zult etc.’
Ach, waarom bestaat er geen eenvoudige, zindelijke pil tegen dat hinderlijke geknor bezuiden de navel? Veertien dooie ratten in een koelvitrine te Rotterdam. Centimeters dikke lagen muizenkeutels in een restaurant te Utrecht. Rottende garnalen in een restaurant te Zutphen. Maar koken zal ik, eerzaam vergrijsd, niet meer leren… en de onbespoten middenstander is sowieso wat te ver uit de buurt… en dat restaurant aan de overkant heeft wellicht géén muizekeutels in zijn tournedos… en zo is de modale buitenshuiseter gedoemd aan zijn eigen gemakzucht ten onder te gaan.