Hans Warren, Geheim Dagboek: Zeventiende deel 1987-1990

Een onthecht mensch

Hans Warren

Geheim Dagboek: Zeventiende deel 1987-1990

Balans, 384 blz., € 19,95

Opeens is daar die vraag, te midden van alle mijmeringen, wanhoopsaanvallen, vrij- en rukpartijen. Die vraag die je met een schok doet beseffen hoe lang geleden 1989 is. Het zeventiende deel van het Geheim Dagboek van Hans Warren, onlangs gepubliceerd, stamt uit onschuldiger tijden. Eerst een andere vraag, van mijzelf: wat is het échte geheim van deze zogenaamd geheime dagboekreeks? Een groter compliment dan dat de man/schrijver/dichter/recensent/vertaler me niet a priori interesseert, dat zijn verschijning me ook niet onmiddellijk voor hem inneemt, en dat ik tóch zijn dagboeknotities tot de laatste druppel opslurp, kan niet worden gemaakt. Het moet allereerst met het genre van het dagboek te maken hebben, en de daaraan verbonden suggestie van eerlijkheid en schaamteloosheid. Hier krijgen we een kijkje in iemands bestaan. In dat van een echt mensch. Warren is goed in die suggestie van grenzeloze intimiteit. Geen lichamelijk taboe blijft ons bespaard, de hele cyclus van innemen en uitscheiden krijgen we keer op keer voorgezet, de borstharen die hij ’s ochtends tussen zijn tanden vindt na een heftige vrijage worden ons niet onthouden. Meteen al met de openingszin zijn we weer thuis: «Gisteren aten we de eerste Zeeuwse lamoren, even in boter gesmoord, heerlijk.» Twee dagen verder: «Tweemaal klaargekomen, toch wordt m’n libido minder en is de hoeveelheid semen gering.» Dezelfde dag: «Ik wiedde brand netels in de tuin en hoorde de bostortel.»

Drie fascinaties van Warren zijn hiermee al gegeven: eten, seks en natuur. Voeg daarbij kunst, literatuur en spleen, en de reikwijdte van dit leven komt in zicht. Vooral die aandacht voor eten en seks, in wat voor de buitenwacht een vergeestelijkt bestaan lijkt, maakt het lezen van Warrens dagboeken zo’n vreemd voyeuristisch avontuur. Dat in de praktijk de publicatie van zijn dagboeken met een hoop gecomponeer en gecensureer gepaard gaat, komt in dit deel openlijk ter sprake. Ik ben nog niet klaar, roept Warren als toenmalig uitgever Mai Spijkers aan zijn deur komt aankloppen om te vragen waar de kopij blijft. Er moet nog geschaafd worden, en gestructureerd, en geschrapt. Daarnaast is het de vraag in hoeverre erfgenaam en tekstbezorger Mario Molegraaf na Warrens dood is gaan ingrijpen in het postume materiaal. De veel jongere minnaar die dan weer woest en dan weer helemaal níet wil seksen, wordt niet altijd even vleiend beschreven. Is de inmiddels een totaal ander leven leidende Molegraaf nog masochistisch genoeg, of – positiever geformuleerd – zijn broodheer nog voldoende toegedaan om alle schimpscheuten aan het eigen adres te laten staan? Op grond van wat er staat zou je zeggen van wel, maar het is natuurlijk onbekend of het eigenlijk allemaal nog erger beschreven stond.

Hoe het ook zij, en hoe «echt» echt het ook is, dit deel van Warrens dagboeken is wederom een hoogtepunt in het Nederlandse ego-genre. Behalve met zijn schrijfstijl, die bondig is, adequaat en droogjes, heeft dat te maken met schrijvers vileine, rancuneuze en roddelzuchtige inborst. Deze vindt net voldoende tegenwicht in een trouwe, melancholieke en zelfhaterige kant om leuk te blijven. Niets is immers vervelender dan de afrekeningen van een verongelijkte, zelfingenomen schrijver. Lees het dit jaar verschenen Party tijdens de blitz: De Engelse jaren van Elias Canetti er maar op na. Voldoende reden om nooit meer iets van deze man te willen lezen. Nee, dan Warren. Spaart hij zichzelf al geenszins («Ik zie mijzelf: lelijke oude kaalkop»), zijn schimpscheuten jegens anderen brengt hij ook met oprechte hartstocht. Over Koos van Zomeren: «Bah! Het vreselijke smoel van die vent, een soort zelfvoldane patjepeeër, grijnst je overal tegemoet.» Over «het verschijnsel» Charlotte Mutsaers, wier «onstuitbare opmars» hij bij wijze van burgerplicht voor de krant heeft geprobeerd te stuiten: «Hoe een speels randverschijnsel in een onwrikbaar instituut kan veranderen.» De loslippigheid over de besluitvorming in de AKO-jury, waarin Warren met grote twijfel is gaan zitten in 1988, valt dan wel weer mee, of tegen. Het pleit voor zijn persoonlijke ontvankelijkheid dat hij na de prijsuitreiking bevriend raakt met degene van wie hij van meet af aan wist dat zij de prijs moest gaan winnen: de Vlaamse schrijfster Brigitte Raskin.

Vooral innemend aan Warrens dagboeken is het onvermoeibare zelfonderzoek dat eraan ten grondslag ligt en dat er blijkbaar met de jaren niet minder op wordt. Wat is de daad waarvoor ik mij het allermeest heb geschaamd? Hoe moet het verder met M. en mij? Waarom moet ik altijd onder schuld gebukt gaan? Ben ik in een nieuwe fase van mijn leven gekomen? Hoe oud hij ook is: «Er is toch elke dag wel iets waarvan je zegt: dat wist ik niet.» Warren kan zichzelf bevragen als was hij nog immer een jongeling. Maar weet dan zelf ook weer hoe dat komt: «Er zijn, meen ik, gevaarlijke periodes in het bestaan. De jaren rond je veertigste, de overgang van jeugd naar vervulling, ja of nee. En de jaren rond je vijfenzestigste, de overgang naar de ouderdom, ja of nee.»

Warrens levensvragen komen niet voort uit een lidmaatschap, ideologie of geloof. Eerder uit een gevoel van onthechting. Vandaar ook dat de vraag waarmee hij het jaar 1989 uitluidt in al zijn eenvoud zo veel indruk maakt. Nog bijkomend van het jaar waarin Gorbatsjov dé man werd en de Muur viel, vraagt Warren zich angstig af: «Wie wordt de nieuwe duivel als er straks geen communisme meer bestaat?» Zo «echt» is dit dagboek in ieder geval dat het je met een schok doet beseffen dat de wereld in vijftien jaar tijd totaal veranderd is.