Hans van der Klis, De elf Nederlandse Grand Prix-coureurs

Een onuitstaanbare sport

Hans van der Klis

Dwars door de Tarzanbocht: De elf Nederlandse Grand Prix-coureurs

L.J. Veen (Sportbiografieën), 240 blz., € 16,50

Menig serieus journalist of schrijver heeft wel eens een boek aan voetbal of wielrennen gewijd. Dat is anders bij de autosport, en in het bijzonder haar belangrijkste klasse, de Formule 1. Het onlangs verschenen Dwars door de Tarzanbocht van autosportjournalist en historicus Hans van der Klis vormt een uitzondering.

Het boek bestaat uit een reeks portretten van de elf Nederlandse coureurs die ooit aan de start van een officiële Grand Prix verschenen, van Jan Flinterman tot Jos Verstappen. Eén ding valt ogenblikkelijk op aan de wederwaardigheden van de Nederlandse coureurs: tegenslag. «De geschiedenis van de elf Nederlandse Formule 1-coureurs», schrijft Van der Klis, «lijkt op het eerste gezicht een litanie van in de knop gebroken carrières, van beloften die nooit konden worden ingelost.» Telkens liepen de ambities van de Nederlandse rijders stuk op geldgebrek, inferieur materiaal, gekonkel van teambazen of domweg pech. De carrière van de bekendste Nederlander uit de Formule 1, Jos Verstappen, is wat dat betreft een afspiegeling van de carrières van al zijn voorgangers. Ondanks zijn talent heeft hij het imago gekregen van een schlemiel die zijn bolide na tien ronden steevast in de grindbak parkeert.

Omdat het circuit van Zandvoort in 1952 voor het eerst meetelde voor het wereldkampioenschap Formule 1 doken in dat jaar de eerste twee Nederlanders op in een Grand Prix. Dries van der Lof, zoon van een rijke Twentse industrieel, en Jan Flinterman, een luchtmachtofficier die tijdens de oorlog voor de RAF had gevlogen. Beiden waren typische exponenten van die begin jaren, toen het deel nemersveld hoofdzakelijk werd bevolkt door amateurs en vrijbuiters die vaak per toeval in een chassis waren beland. Lieden van gegoede afkomst, die de tijd en het geld hadden om de dure hobby van de autosport te bedrijven. Zoals jonkheer Carel Godin de Beaufort, de heer van Maarn en Maarsbergen, wellicht de meest fascinerende van het rijtje Grand Prix-rijders in Van der Klis’ boek. Niet alleen vanwege zijn flamboyante levensstijl, maar ook omdat hij als enige van de elf coureurs de dood vond op het circuit.

In die dagen lag de dood voortdurend op de loer. Terwijl de huidige Formule 1 het sinds de crash van Ayrton Senna in 1994 zonder fatale ongelukken heeft gesteld, sneuvelde in de jaren zestig elk seizoen minimaal één coureur. Ook in de carrières van Ben Pon en Roelof Wunderink vormden zware ongelukken een breekpunt.

De autosport was een paradijs voor «vrije jongens». Toen in de jaren zeventig langzamerhand sponsors van buiten de autowereld hun intrede deden, grepen ook in Nederland allerhande kleurrijke types hun kans. Het Amsterdamse onroerendgoedbedrijf F & S Properties wierp zich op als sponsor van de coureurs Boy Hayje en Michael Bleekemolen. Terwijl de pandjesbazen van F & S aan het thuisfront een loopgravenoorlog voerden met de kraakbeweging pompten zij miljoenen guldens in het onzekere avontuur van de Formule 1. Met matig resultaat. Hayje en Bleekemolen haalden nimmer de einduitslag van een Grand Prix. De Larense coureur Huub Rothengatter bracht het er beter vanaf: hij compenseerde zijn beperkte rijders capaciteiten met een uitgekiend commer cieel talent en wurmde zich op die manier tussen het selecte clubje Formule 1-rijders.

Neerlands huidige hoop Jos Verstappen heeft vooralsnog het meest geprofiteerd van de professionalisering in de autosport. Zijn derde plaats bij de Grand Prix van Hongarije in 1994, waarmee hij volgens Van der Klis erin slaagde «het aangezicht van de Nederlandse autosport definitief te herschrijven», viel samen met de mondiale populariteitsgroei van het Formule 1-circus dankzij de commerciële aanpak van Bernie Ecclestone en de tragische dood van Ayrton Senna. Het «Verstappen-effect» was een feit: Verstappens fanclub barstte al gauw uit haar voegen en de kijkcijfers van de Grand Prix-verslagen op RTL-televisie namen een hoge vlucht.

Een vliegende start. Maar dat Verstappens carrière na dat gedenkwaardige eerste seizoen meer downs dan ups heeft gekend, is te danken aan dezelfde kwalen als waar zijn tien voorgangers onder leden. De meeste seizoenen werden gekenmerkt door een mismoedig stemmende opeenstapeling van geldgebrek, onbetrouwbare teambazen en, vooral, slecht materiaal. «In deze sport is te veel afhankelijk van de techniek en de financiën», zei Michael Bleekemolen, thans eigenaar van een keten van kartbanen, «eigenlijk is het een onuitstaanbare sport.»

De kwetsbare positie van Nederlanders in de Formule 1 heeft volgens Van der Klis een structurele oorzaak: het ontbreken van een echte auto-industrie. Zonder een infrastructuur als in Duitsland, Italië en Engeland blijven Nederlandse coureurs afhankelijk van incidentele geldschieters en buitenlandse teams en fabrieken. Het is jammer dat Van der Klis in zijn interessante, met flair geschreven boek niet uitvoeriger ingaat op deze kwestie, die zonder twijfel de rode draad vormt in de elf geportretteerde levens.

Een speeltje voor de intelligentsia zal de Formule 1 nooit worden. Maar Dwars door de Tarzanbocht is een bemoedigende eerste stap.