70 jaar Holland Festival: Het lot van Matthijs Vermeulen

‘Een onverteerbaar brok’

Matthijs Vermeulen werd dusdanig miskend dat hij veel van zijn eigen composities niet eens heeft kunnen horen. Jammer, want anders had hij waarschijnlijk nog heel wat ‘modderigheid’ kunnen wegwerken. Een rondgang langs zijn hedendaagse collega’s. ‘Vermeulen is de grootste Nederlandse componist uit de eerste helft van deze eeuw’, stelt Klaas de Vries, ‘maar tegelijkertijd de grootste gemankeerde componist die we gekend hebben.’

Het lot van Matthijs Vermeulen (1888-1967) is zonder enig voorbehoud tragisch te noemen. Hij werd keer op keer afgewezen, hij verhuisde demonstratief naar Frankrijk maar daar kraaide geen haan naar en zijn muziek werd nauwelijks uitgevoerd. Het gevolg was dat deze niet alleen bij het publiek onbekend bleef, maar ook door de maker zelf niet gehoord kon worden.

Nog steeds is het oeuvre van Vermeulen - zeven symfonieën en een flinke stapel kamermuziek - terra incognita. Weliswaar bracht Donemus enkele jaren geleden het verzameld werk op cd uit, maar in de concertzaal klinkt zijn muziek zelden. Het Holland Festival brengt daar nu verandering in. Met een veelomvattend portret van deze in 1967 overleden componist wordt een poging tot eerherstel gedaan.

Wat is de muzikale betekenis van Matthijs Vermeulen? Is hij de Van Gogh onder de Nederlandse componisten? Symboliseert hij zo'n typisch staaltje Nederlandse zelfonderschatting? Of is het eigenlijk terecht dat zijn muziek nooit grote populariteit heeft gekregen? Worden we volgende week geconfronteerd met een stel opgewarmde lijken?

Small hf 05

Wie de naam van Vermeulen opzoekt in het standaardwerk dat Leo Samama over de Nederlandse muziek in deze eeuw schreef, zal onmiddellijk een passe-partout voor de hele concertreeks bestellen. Niet alleen brengt Samama een hommage aan Vermeulen door zowel zijn boek als alle afzonderlijke hoofdstukken te vernoemen naar de titels van Vermeulens symfonieën, in lyrische bewoordingen beschrijft hij de muziek zelf: ‘Vermeulens muziek heeft het effect van een hoge-drukpan: van de eerste tot de laatste maat borrelt de componist over van vitaliteit, van inventiviteit, van levenslust. Geen moment laat hij de teugels vieren. Zelfs de minder heftige, ja, betoverend ingetogen, bijna magische momenten, waar de droom de fakkel van de daad overneemt, zijn nooit zonder spanning, zonder innerlijke druk.’

Hoe denken Nederlandse componisten over hun miskende voorganger? Is zijn muziek bijzonder? Wat heeft hij betekend voor de Nederlandse muziek? Een voorzetje gaf Otto Ketting, die vorige week op bezoek was bij Han Reiziger in diens programma Reiziger in muziek. Hij noemde het initiatief van festivaldirecteur Jan van Vlijmen ‘fantastisch’ en ‘baanbrekend’. Zelf leerde hij de muziek van Vermeulen ooit kennen via de radio, waarop het Brusselse Elisabeth Concours werd uitgezonden. Vijf orkestwerken werden anoniem uitgevoerd en één werk ‘sprong boven alles uit’. Het bleek Vermeulens Tweede Symfonie, die de geschiedenis is ingegaan als de Nederlandse Sacre du printemps. Dat Vermeulen met dit werk de vijfde prijs in de wacht sleepte, is exemplarisch voor zijn loopbaan.

Een rondgang langs een tiental Nederlandse componisten levert een tamelijk eenduidig beeld op: de figuur van Vermeulen is buitengewoon sympathiek, maar helaas kent zijn oeuvre maar enkele hoogtepunten. ‘Hij is een uitermate belangrijk figuur in het Nederlands muziekleven’, zegt Theo Loevendie. ‘Je zou kunnen zeggen dat zijn symfonieën in hun geëxalteerdheid on-Nederlands zijn. Zijn Tweede en in iets mindere mate zijn Vierde zijn zo goed dat ze regelmatig uitgevoerd zouden moeten worden. De latere symfonieën zijn problematisch omdat ze helemaal dichtslibben. Ik geloof dat je niet klakkeloos alles moet uitvoeren. Je kunt beter selectief te werk gaan. In een paar stukken komt dat unieke van hem goed tot uitdrukking. Die kracht. Als je dat geëxalteerde goed vorm weet te geven, heb je werkelijk iets unieks. Als dat mislukt, gaat de muziek zichzelf al gauw overschreeuwen. Een onverteerbaar brok.’

‘Ik heb niet zoveel met zijn muziek’, bekent Maarten Altena. ‘Ik heb die Donemus-box met zijn complete oeuvre in de kast staan, maar ik luister er haast nooit naar. Het is zeker heel gepassioneerde muziek, maar ook ongelooflijk modderig. In tegenstelling tot de muziek van Ives die ook zo overdadig is, raak je het zicht op de heldere lijn kwijt. Ik vind hem een interessante figuur. Hij was een onbegrepen mens. In hoeverre dat aan de buitenwereld lag of aan hemzelf, weet ik niet. Maar ik heb er bewondering voor hoe hij, ondanks alle teleurstellingen, altijd is doorgegaan en is blijven geloven in zijn idealen.’

Huib Emmer vindt al die aandacht voor Vermeulen ‘een beetje overdreven’: ‘Ik ben niet zo dol op zijn muziek. Qua vorm zijn die stukken vaak oeverloos: het gaat maar door. Polyfonie vind ik een mooi muzikaal gegeven, maar dan met weinig stemmen. Bij hem klinken zoveel stemmen door elkaar dat het helemaal troebel wordt. Niet te vergelijken met de muziek van Sjostakovitsj waarin elke stem kristalhelder en noodzakelijk is. Jammer genoeg kan ik nauwelijks iets positiefs over zijn muziek zeggen.’

Dat geldt niet voor Paul Termos, die recentelijk bekeerd is tot Vermeulen: ‘Omdat iedereen altijd zo met Vermeulen wegliep, heb ik hem heel lang genegeerd. Ik ergerde me daaraan. Pas de laatste jaren ben ik zijn muziek gaan beluisteren en heb ik hem zelf eigenlijk herontdekt. Ik vind zijn muziek héél goed mits ze héél goed wordt uitgevoerd. Als ze matig gespeeld wordt, krijg je een verkeerde indruk van de noten. Die spanning moet van begin tot eind vastgehouden worden, eigenlijk is het één uitgecomponeerde extase. Ik geef de voorkeur aan zijn kamermuziek, maar die ken ik ook beter dan zijn orkestwerken. In de kamermuziek brengt hij het idee van die eindeloos voortgaande polyfonie er beter af. De viool- en cellosonates vind ik meesterlijk.’

De balans opmakend luidt het oordeel dat Vermeulen een uitzonderlijk vitaal en temperamentvol componist was, maar ook iemand die moeite had zijn ideeën in goede banen te leiden. Het gevaar van vormloosheid ligt op de loer en de gecompliceerde meerstemmigheid in zijn muziek wordt niet goed in bedwang gehouden. Die dualiteit bracht Otto Ketting goed onder woorden in de cd-toelichtingen die hij bij het werk van Vermeulen schreef. Hij spreekt over ‘onspeelbare partijen’ voor de strijkers, over het zware koper dat de strijkers, die toch al zo'n moeite hebben het hoofd boven water te houden, doet verzuipen, over de houtblazers die met ‘aanzienlijke intonatieproblemen’ hebben te kampen en over de lengte van de werken. Ketting: ‘Zonder al te veel overdrijving zou je kunnen zeggen dat in een werk als Vermeulens Vijfde Symfonie een honderdtal musici drie kwartier lang non-stop allemaal zo hard mogelijk en zo veel mogelijk noten spelen.’ En hij voegt eraan toe: ‘Niet zelden vervalt een uitvoering van Vermeulen tot een totale chaos, een ondoordringbare muur van orkestraal gegil en de enige gunstige indruk die overblijft is die van een onveranderlijke kracht die zelfs niet door de slechtste uitvoering tenietgedaan kan worden.’

In The Grove Dictionary (de toonaangevende encyclopedie over muziek) wordt Vermeulen een gebrek aan techniek en discipline verweten. Louis Andriessen herinnert zich dat zijn vader hetzelfde beweerde. ‘Vermeulen was goed bevriend met mijn vader. Ze waren zo'n beetje de enige twee componisten in Nederland die Frans georiënteerd waren in een volkomen op Duitsland gericht muziekleven. Bij ons thuis werd er met groot respect over hem gesproken. Mijn vader had ontzag voor zijn durf, hij had een avontuurlijk imago. Mijn vader vond hem een heel geïnspireerd figuur, maar tegelijkertijd een dilettant. Onhandig.’

Louis Andriessen: 'Ik denk dat er een discrepantie bestaat tussen wat Vermeulen wilde en wat het werd'

Uit de correspondentie blijkt dat Vermeulen geen vlotte schrijver was. Maar opmerkelijk genoeg schrijft hij over het orkestreren van zijn orkestwerken dat dit hem ‘zoo betrekkelijk licht valt’ dat hij het ‘bijna als een aangename tijdpasseering’ beschouwt. Dit in tegenstelling tot het componeren zelf: ‘Maar de noten! Daarover ben ik in geen enkel opzicht heer en meester (…) Ik kan ze niet maken naar believen en naar willekeur. Dat te probeeren is zelfs volslagen vruchteloos en brengt me altijd tot wanhoop, met een onverdraaglijk gevoel van verveling, lusteloosheid, overbodigheid. Ik struikel dan over de futielste hindernissen, of liever, het futielste lijkt een onoverkomelijke hinderpaal.’

Dat het voor Vermeulen van doorslaggevend belang zou zijn geweest als hij zijn eigen muziek had kunnen horen, staat buiten kijf. ‘Ik denk dat er een discrepantie bestaat tussen wat hij wilde en wat het daadwerkelijk is geworden’, zegt Andriessen. ‘Die symfonieën zijn vermoedelijk veel dikker dan hij zou willen. Hem stond wel een extatische, maar niet een modderige muziek voor ogen. Omdat de kamermuziek over het algemeen minder stemmen heeft is die beter dan de symfonieën.’

Klaas de Vries: ‘Je kunt je nauwelijks voorstellen dat iemand die zulke grote stukken schrijft waarin hij ook nog eens alles in de waagschaal stelt, zijn eigen muziek niet kon horen. Dat is totaal anders dan wanneer je brave navolgersstukjes schrijft. Hij was zo hemelbestormend. Ik hoorde de Tweede in 1967 en dat maakte een verpletterende indruk. Je kon nauwelijks geloven dat dat een stuk van een Nederlandse componist was. Bij alles wat ik daarna hoorde, heb ik altijd een lichte teleurstelling gevoeld omdat die Tweede het onbetwiste hoogtepunt in zijn oeuvre vormt. In bijna alle symfonieën zitten grandioze momenten, maar nooit heeft het meer die overrompelende werking van de Tweede. Het gaat maar door. Zo zie je dus ook in het werk zelf zijn tragiek weerspiegeld: als hij zijn eigen werk had kunnen horen, had hij zich als componist anders ontwikkeld.’

Toen Vermeulen na de oorlog weer in Nederland kwam wonen, werden een paar werken alsnog in première gebracht. Toch leidde dit niet tot een doorbraak. De première van de Vijfde op 13 oktober 1949 in een volgens Vermeulen ongeëvenaarde uitvoering door Van Beinum, leverde matige recensies op. Een ‘onpeilbaar raadsel’ voor de teleurgestelde Vermeulen: ‘De een verweet mij dat ik hem bekaf maakte en geen flauw benul had van melodie, hoewel ik melodisch beweerde te componeren. Een ander zei me dat ik onbegrijpelijk was, dat zijn oren niets hadden opgevangen dan dissonanten en een chaos. Een derde noemde mij geschift, een vierde waanzinnig. Een vijfde betitelde mij als barbaar. Verschillenden hadden niets gehoord dan een onontwarbare, afgrijselijke, beklemmende, fysiek onuitstaanbare klankenbrij in een eindeloos fortissimo.’

‘Critici zijn wat dat betreft niet maatgevend’, verdedigt Jan van Vlijmen zijn collega. ‘Maar op een bepaalde manier is zijn muziek ontoegankelijk. Dat komt ook doordat ze niet altijd even best werd uitgevoerd. Daarom’, vervolgt hij in zijn functie van Festivaldirecteur, ‘heb ik nu alle maatregelen getroffen om de uitvoeringen zo optimaal mogelijk te laten zijn. De uitgaven zijn verbeterd, partijen zijn gecorrigeerd, we hebben er alles aan gedaan om de partituren voor de musici gemakkelijker, toegankelijker en speelbaarder te maken. Zodat ze niet meer zo enorm tegen de materie hoeven te boksen. Alle voorwaarden voor een goede uitvoering zijn aanwezig, maar ik heb geen idee of dat ook tot een doorbraak van de muziek van Vermeulen zal leiden.’

Als slachtoffer van de loop der geschiedenis is Vermeulen wel een martelaar genoemd. En nog altijd is de bewondering voor zijn persoon groot. ‘Een bevlogen mens’, noemt Maarten Altena hem. ‘Een antiheld’, meent Paul Termos, ‘terwijl Pijper een beetje werd overschat, werd Vermeulen onderschat.’ ‘Een moedig componist’, vindt Diderik Wagenaar, ‘omdat hij altijd is blijven geloven in zichzelf.’ Theo Loevendie noemt hem ‘een grote onafhankelijk geest waar we trots op moeten zijn’. En dan hebben we het nog niet over Vermeulen de provocateur die in 1918, nadat de laatste noot van Doppers Zuiderzeesymfonie had geklonken, luidkeels door het volle Concertgebouw ‘Leve Sousa’, riep. Een kreet die vooral veel consternatie veroorzaakte omdat de aanwezigen ‘Leve Troelstra’ verstonden.

Maar was Vermeulen ook inderdaad een revolutionair, zoals onder anderen Van Vlijmen stelt? Zijn muziek lijkt niet op andere muziek uit zijn tijd en is daarmee uniek. Maar was hij ook een vernieuwer?

‘Hij was een extatische modernist’, antwoordt Louis Andriessen. ‘Maar zijn contrapuntische denken was diep geworteld in de negentiende eeuw. In die zin was hij een romanticus in hart en nieren. Ook in die chromatisch voortkronkelende melodieën herken je de laatromantiek. Niet bepaald mijn favoriete periode.’

Bewandelde Vermeulen tijdens zijn leven een eenzame weg, ook nadien heeft hij geen enkele invloed gehad. Hij verkeerde in een vicieuze cirkel: omdat zijn werk nauwelijks werd gespeeld kon het eenvoudigweg geen voorbeeld zijn voor anderen. Zelf kon hij niet eens lessen uit zijn muziek trekken. Laat staan dat een ander er iets aan had, aldus Van Vlijmen. Alle goede muziek heeft invloed, stelt Diderik Wagenaar. Maar tegen de tijd dat Vermeulen enige bekendheid kreeg, was het te laat. In die tijd klonk er ook al werk van Boulez en Stockhausen, dus Vermeulen kwam als mosterd na de maaltijd.

Ook Klaas de Vries stelt dat zijn invloed ‘nul komma nul’ is geweest: ‘In de tijd dat ik studeerde heerste er een anti-academische sfeer. The sky was the limit. Het ontdekken van Vermeulen paste daar goed in. Maar hij heeft geen invloed op mij gehad. In mijn vroegste stukjes - die je als jeugdzonden kunt beschouwen - zie je hoogstens de invloed van Milhaud en Pijper terug. Met name Pijper is heel makkelijk te imiteren. Een vleugje bitonaliteit en een kiemcel en je bent klaar.’

De Vries denkt dat in de eenzelvigheid van Vermeulen ook de verklaring ligt voor de abrupte manier waarop hij zich van de Notenkrakers distantieerde. Een daad die, volgens Andriessen, als ‘een grote verrassing’ kwam: ‘Toen wij begonnen met het organiseren van concerten in Amsterdam, werd er veel Vermeulen gespeeld. Reinbert de Leeuw speelde al zijn kamermuziek. En hij kwam ook vaak over de vloer bij Vermeulen. We vonden hem hartstikke goed. Dat was modernistische muziek.’

Klaas de Vries: ‘Vermeulen hoorde niet bij een beweging, terwijl de Notenkrakers in het actievoeren maar ook mentaal en muzikaal juist een heel hechte beweging vormden. Waarschijnlijk had hij daar intuïtief al moeite mee, individualist als hij was. Zoals hij op anderen geen invloed heeft gehad, zo kon hij zich ook niet aansluiten bij een beweging. Hij verzette zich tegen elke schoolvorming. Dat hij de muziek van de Notenkrakers niet begreep, is niet verwonderlijk. Hij heeft het vaak bij het verkeerde eind gehad. Neem bijvoorbeeld dat geraaskal tegen de Duitse muziek en zijn pleidooi voor de Franse muziek. Als beoordelaar van wat wel en niet de moeite waard was, was hij een lousy criticus. Stravinsky heeft hij ook totaal verkeerd beoordeeld. Hij velde een oordeel met de visie van een componist. Dat kun je hem niet kwalijk nemen, maar dat is te beperkt.’

Moet zijn oordeel als criticus niet al te serieus genomen worden, of dat voor zijn muziek ook geldt, zal nu blijken. Door alle ondervraagden wordt dit portret in het Holland Festival als de Dag des Oordeels beschouwd. Op dit ‘uur der waarheid’ (Altena) zullen we ‘de definitieve waarde’ (Van Vlijmen) kunnen vaststellen. Ik houd mijn hart vast, zegt Theo Loevendie, want het zou effectiever zijn om alleen zijn beste stukken te laten horen. Wel was het leuker geweest als Vermeulens muziek werd gecombineerd met hedendaagse Nederlandse muziek, vindt Maarten Altena, want in zekere zin wordt de tragedie van Vermeulen zo herhaald. Toch een prachtig initiatief, zo vinden alle componisten. Een daad. Alleen had het in 1950 moeten gebeuren, zegt Andriessen. Dit portret komt eigenlijk 45 jaar te laat. Maar beter laat dan nooit.