Een onvoldoende voor je wereldbeeld

Het niveau van maatschappelijke debatten is tegenwoordig bedroevend slecht. Een weloverwogen wereldbeeld met bijbehorende discussietechnieken ontbreekt. Een pleidooi voor het vak ‘Het scheppen van wereldbeelden’ op middelbare scholen.

IN DUITSLAND is de laatste maanden weer zo heftig gedebatteerd dat zelfs het kleine buurland in het westen, normaal gesproken geheel en al geabsorbeerd door zelfbankierende commissarissen en medicijnvergoedingen, er aandacht aan ging besteden.
Het was weer een echt Duits debat, een volwaardig onderdeel van een reeks met onder meer de Historikerstreit (over de eenmaligheid van Auschwitz), de eindeloze discussie over het oorlogsmonument in Berlijn en Martin Walsers protest tegen de gelijkstelling van ‘Duitsland’ met 'Tweede Wereldoorlog’. Peter Sloterdijk had afgelopen juli tijdens een lezing over een 'toekomstige antropotechniek’ zich hardop afgevraagd of de mensheid 'een verandering van geboortefatalisme naar prenatale selectie zal kunnen voltrekken’. Kennelijk kun je zulke dingen nog altijd niet zeggen in een land waar zestig jaar geleden de Lebensborn werd bedacht. De publicitaire opwinding in de Berlijnse republiek was enorm; provocaties en retorische overdrijvingen wonnen het van de kalmte, alsof in iedere zinswending nog een homeopathisch restant Hitler-experience aanwezig was. De furor teutonicus van het debat liet ook nu geen ruimte voor relativeringen en humor. En Habermas zweeg.
Glasheldere beledigingen kunnen hard aankomen, maar het zijn vooral de onduidelijkheden die de weg vrijmaken voor speculaties en roddel. Het lijkt erop dat Sloterdijk ditmaal te voorzichtig was, waardoor hij kwetsbaar werd voor kwaadwillige interpretaties. Wat bedoelde hij met dat vreemde nieuwe woord 'antropotechniek’? Het betekende vast iets verschrikkelijks - en de Zeitgeist was weer eens heerlijk uit de fles.
VAN EEN ZUIVER inhoudelijk debat was geen sprake. Sloterdijk betichtte Habermas - zonder bronvermelding - van agitatie en bespotte de verklaarde theoreticus van het communicatieve handelen omdat hij weigerde de dialoog aan te gaan, hoewel hij op een afstand van slechts tien telefooncijfers verbleef - 'inclusief netnummer’. Sloterdijk hekelt in Die Zeit het schandaalkarakter van de moderne openbaarheid. Hij formuleert een bittere diagnose over de 'tekenen des tijds’: de dood van de kritiek en haar 'transformatie tot opwindingsproduct op de krap geworden markt van de kijkcijfers’. Sloterdijk is terecht ontevreden over de stijl waarin de meningsverschillen worden uitgevochten, maar hij levert zelf ook een retorisch meesterstukje af. 'De kritische theorie is op deze tweede september gestorven’, schrijft hij. 'Ze was al langere tijd bedlegerig, maar nu is ze echt gestorven’ - een ietwat flauwe, maar zeer begrijpelijke metafoor. Sloterdijk nadert hier en daar het bombastische, maar het is vooral schokkend om te zien dat de intelligentsia van het wiederverteilte Duitsland er geen rationeel en inhoudelijk debat van weten te maken, terwijl het onderwerp, gentechnologie, toch smeekt om een zakelijk overzicht van de kansen en risico’s, in plaats van waarschuwende moraaltheologen en emotionele columnistenpraat.
Te vaak sneuvelen de feiten onder druk van emoties en onwrikbare mensbeelden. Niet alleen beginners maken zich aan deze verduisteringen schuldig. Toen de bioloog Edward O. Wilson in zijn Sociobiology: The New Synthesis - dat vrijwel uitsluitend over dieren gaat - filosofeerde over de mogelijke consequenties van zijn bevindingen voor de mensheid, stuitte hij op zware tegenstand van de groep Science for the People, met grootheden als Richard Lewontin en Stephen J. Gould. Zij waren al bij voorbaat bang dat Wilsons strikt biologische benadering racistische en imperialistische theorieën zou rechtvaardigen; in 1993 verscheen er zelfs een groot stuk in de New York Review, getiteld 'Against Sociobiology’, en geschreven uit naam van Wilsons verenigde tegenstanders. De aanvallen op Wilson waren letterlijk op de man gericht, uitmondend in een frontale aanval met een emmer ijswater, waarna ’s werelds grootste mierenkenner meteen besloot te stoppen met openbare optredens. Naar aanleiding van dit soort smalle maatschappelijke debatten vraag je je ontmoedigd af of er wel zoiets bestaat als een weloverwogen rationeel wereldbeeld en de bijbehorende 'sportieve’ discussietechnieken.
WE ZIJN, VOLGENS de bekende overdrijving, 'omhoog-gevallen chimpansees’, waarbij dan wordt gedoeld op onze emotionele en domme vooroordelen en overtuigingen, 'achterhaalde’ paleolithische brokstukken van het brein, xenofobische talenten, biologisch gestuurde partnerkeuze en meer van die fenomenen die sociobiologen onder de schuilnaam 'evolutionaire psychologie’ langzaam maar zeker ons wereldbeeld binnensmokkelen. Onze genen komen voor 99 procent overeen met die van chimpansees. Dit getal is nogal retorisch; een verschil van één procent kan in de wereld van levende organismen neerkomen op enorme verschillen in vaardigheden en gedrag. Levert onze dierlijkheid wel voldoende excuses voor de zwakheden van ons wereldbeeld?
Definiëren is natuurlijk vragen om problemen - behalve als je Heidegger heet en de omschrijving van je ongedefinieerde begrippen 'organisch’ mag voortvloeien uit het betoog. Toch moeten we bij benadering bepalen wat er wordt bedoeld met een wereldbeeld. Beweerd wordt dat sociale klassen, beroepsgroepen, godsdiensten, tijdperken, samenlevingen en misschien zelfs globale culturen over een min of meer coherent wereldbeeld kunnen beschikken, maar voor deze gelegenheid beperk ik me tot de mentale constructies waarmee het individu de wisselvalligheden van zijn bestaan te lijf gaat. Uit respect voor de complexiteit van het onderwerp moet worden aangetekend dat wereldbeelden zelden volledig 'boven de waterlijn’ kunnen worden getild en dat ze in de loop van de tijd ook kunnen veranderen. Laten we niettemin doen alsof we precies weten waar we het over hebben.
Een zichzelf respecterend wereldbeeld moet zich bezig-houden met in ieder geval twee algemene en meestal wijdvertakte kwesties: 1. Hoe zit de wereld in elkaar? en 2. Wat is juist en rechtvaardig? Er valt eindeloos veel te zeggen over de bronnen van het wereldbeeld, nochtans zal het vaak een collage zijn van eigen ervaringen, geruchten, vooroordelen, culturele omstandigheden en een niet volledig traceerbaar persoonlijk 'residu’, welk geheel vervolgens wordt omgevormd, aangestuurd en ingekleurd door temperament en karakter. Elias Canetti schreef in zijn aantekeningen dat hem de 'willekeurigheid der meningen’ steeds weer verbijsterde. Toch moet die willekeur hier niet worden opgevat als ongedetermineerd-heid - meningen vallen niet uit de lucht - maar als het resultaat van individuele toevalligheden. Onze kennis en ons perspectief zijn beperkt, we hebben het te druk of we zijn niet erg geneigd om daarvoor geëigende onderdelen van ons wereldbeeld aan de hand van de wetenschappelijk vastgestelde feiten aan een serieus onderzoek te onderwerpen. Wie ethiek op 'harde’ feiten wil baseren, stuit op weerstanden - we vinden al snel dat de privacy en de autonome heiligheid van de persoonlijke stellingname erdoor worden aangetast. En wanneer iemand ons tegenspreekt worden we boos, alsof het territoriale lucht-ruim is geschonden. Maar zou het ook anders kunnen zijn?
William Kingdon Clifford heeft eens gezegd dat niemand een wereldbeeld mag hebben op basis van 'te weinig evidentie’ - een prijzenswaardige oekaze. Helaas is een wereldbeeld mede gebaseerd op ongegronde overtuigingen en allerlei invasies van het irrationele; wereldbeelden zijn het product van ervaringen, van hoop en verlangen, of ze laboreren aan heimwee - ou sont les neiges d'antan. De doelen die een mens zich stelt zijn irrationeel (macht, liefde, veiligheid, versmelting met Elvis, de marathon lopen binnen twee uur en zes minuten) omdat hij niet kan leven zonder gevoel en emoties. De middelen daarentegen waarmee ze worden nagestreefd, kunnen zeer rationeel zijn. Het is redelijk om ook het irrationele toe te laten tot leven en wereldbeeld, maar het is uitzonderlijk lastig om te bepalen waar dat irrationele halt moet houden. Waar baseer ik mijn overtuigingen op? Wordt mijn afkeer van de doodstraf gedetermineerd door een (irrationeel) beeld van de onaantastbare heiligheid van het menselijk leven of door wetenschappelijke onderzoeksresultaten die erop wijzen dat ook de strengste straffen de misdaad niet kunnen verhinderen?
ER ZIJN VELE zelfbewuste pogingen ondernomen om zoiets als een rationeel en wetenschappelijk beredeneerd wereld- en maatschappijbeeld tot stand te brengen. De wetenschap kan, met enige goede wil, worden beschouwd als een vele eeuwen omspannend project om wereld-beelden op waarnemingen en feiten te baseren. Veel (voorlopige) waarheden dringen echter niet, of met grote vertraging of ernstig vervormd door tot de cultuur; de resultaten van de kwantumfysica bijvoorbeeld zijn zo tegendraads dat het twijfelachtig is of zij ooit een betekenisvolle bijdrage zullen leveren aan de alledaagse ervaringen van de mens. Keer op keer wordt ons verzekerd dat het wereldbeeld van de Europese mens diepgaand is beïnvloed door de in 1543 gepubliceerde ontdekking dat de aarde om de zon draait - 'de coper-nicaanse wending’ - maar of het leven van die ploeterende zestiende-eeuwse Franse boer op slag is veranderd door dit verpletterende inzicht valt te bezien. Vier eeuwen later blijken zijn Hollandse soortgenoten in een televisie-interview ook al niet in staat om het tweejaarlijks bezochte Spanje op een wereldkaart aan te wijzen.
David Deutsch onderneemt in The Fabric of Reality een fascinerende poging om op basis van kwantumtheorie, evolutietheorie, kennisleer en computertheorie tot een Theory of Everything te komen, die niet alleen uitgaat van 'reductionistische’ ingrediënten als tijd, ruimte en subatomaire deeltjes, maar ook van logica, politiek, ethiek en esthetica. Deutsch is van mening dat de TOE eigenlijk al bestaat, waarbij de abstractere onderdelen geen 'tweederangs burgers’ zijn en theorieën over microfysica niet fundamenteler dan 'eigenschappen’ die op de niet-fysieke niveaus 'opdoemen’.
Edward O. Wilson publiceerde vorig jaar het boek Consilience, waarin hij de eenheid van natuurweten-schappen, sociale wetenschappen en menswetenschappen bepleit. Wilson, die zelf een materialist is en een - het gevreesde scheldwoord - 'reductionist’, vindt dat de kennis die de natuurwetenschappen ons hebben opgeleverd vanaf de eenentwintigste eeuw ook consequen-ties moet hebben voor religie, ethiek, politiek, kunst en de menswetenschappen. Zijn mening komt er grofweg op neer dat het uit moet zijn met het oeverloze, door geen feitenkennis ondersteunde gebabbel van de humanities over de mens en zijn gedrag. Tegen Wilsons voornaamste stelling valt niet veel in te brengen: 'Het centrale idee van de consiliëntie is dat alle tastbare fenomenen, vanaf de geboorte van sterren tot het functioneren van sociale instituties, gebaseerd zijn op materiële processen die uiteindelijk, hoe lang en kwellend de verbindingen ook mogen zijn, reduceerbaar zijn tot de wetten van de fysica.’ Deze uitspraak lijkt inderdaad buitengewoon reductionistisch (Wilson: 'de liefde voor complexiteit zonder reductionisme maakt kunst; de liefde voor complexiteit met reductionisme maakt wetenschap’), ware het niet dat de noodzakelijke ruimte van deze stelling schuilt in de term 'uiteindelijk’. De overgang van de materiële wereld naar de wereld van de geest en de menselijke instituties verloopt via talloze tussenstappen en op verschillende abstractieniveaus, en bij ieder werkelijkheidsniveau past een bepaalde beschrijving.
HOLISTEN ENERZIJDS ('het geheel is meer dan de delen’ - volgens Vincent Icke een gebrekkig inzicht in de cumulatieve kwaliteiten van samenstellende delen) en materialistische reductionisten anderzijds lijken vastberaden om tot in de eeuwigheid erfvijanden te blijven. Dit berust op een misverstand, of in ieder geval op een overdrijving.
Arthur C. Danto publiceerde een essay in het fascinerende tijdschrift Feit & Fictie waarin hij beschrijft hoe het eencellige pantoffeldiertje obstakels vermijdt. Gepsychologiseer lijkt overbodig; het pantoffeldiertje 'blijkt niet eens teleologisch’ en het vertoont in zekere zin zelfs geen 'gedrag’; het is een biologisch mechaniekje dat zonder hoger bewustzijn op weerstanden reageert. Volgens de Turing-test - waarom zou een mens fundamen-teel van een machine verschillen wanneer hun producten op elkaar lijken? - vereist analoog gedrag een analoge verklaring. Draaien we dat om, dan kunnen we ons voor de aardigheid afvragen in hoeverre de mens verschilt van het pantoffeldier. Zouden we de psychologie kunnen vervangen door de neurofysiologie, de koppig terug-kerende droom van de eliministen? Onmogelijk, meent Danto; als we alleen de neurofysiologie accepteren, zou ook het niveau verdwijnen waarop er sprake is van bedoe-lingen, hypotheses, observaties, waarheid en onwaarheid; zonder de cultuur en de wereld van de geest - of zonder de illusie ervan - zou er geen platform bestaan waarop de neurofysiologie het over zichzelf zou kunnen hebben.
Danto’s boodschap komt erop neer dat een fysieke beschrijving van een gebeurtenis - vooruit dan maar, below the belt: een baby glimlacht voor het eerst - niet uitputtend is; 'uiteindelijk’ schuilt de betekenis van het voorval niet in de fysieke aspecten maar in de emoties van de ouders die er een zin aan toekennen. Er is geen reden om de feitelijke beschrijving ('baby plooit mondhoeken’, eventueel met de bijbehorende pet-scan en uitslag binnen vijf werkdagen) juister te vinden dan een weergave van de emotionele betekenis, omdat de beschrijvingen op verschillende niveaus thuishoren. De beschrijvingen zijn niet strijdig maar complementair. Je kunt het verloop van de vriendschap Freud-Jung niet louter verklaren op basis van hun serotonine-huishouding, en niemand durft te beweren dat er een afzonderlijk gen bestaat voor zoiets als het schilderen van Gezicht op Delft.
Wat geregeld buiten het blikveld van reductionisten valt, is de organisatie van de materie op diverse niveaus. Organisatie is, in deze betekenis, geen eigenschap van de materie zelf (het zou overigens niet meevallen om eenduidig te definiëren waar het dan wel een eigenschap van is), maar het bepaalt de functionaliteit van een constellatie van stoffen, voorwerpen of onderdelen, terwijl het makkelijk valt in te zien dat de werking van, bijvoorbeeld, een stuk gereedschap onmogelijk kan losstaan van de materiële aspecten (en dit herinnert weer aan de onopgeloste kwestie van de realiteitsgraad van wiskundige waarheden, getallen en ideeën). De evolutionair bioloog Ernst Mayr bekritiseerde het reductionistische programma met een verhelderend voorbeeld: 'We weten dat een inventaris van alle moleculen van de lever niet voldoende is om een beschrijving te reconstrueren van de functie van de hele lever. Zonder kennis van de mitochondriën en andere cellulaire organellen en structuren (membranen), zonder inzicht in de bloedcirculatie en de structuur van de haarvaten, zonder te weten wat de normale input en output van de lever is, en zonder kennis van vele andere aspecten van de lever en het lichaam als geheel, zou het zinloos zijn om te proberen tot een correct beeld van de leverfunctie te komen.’ (geciteerd door Joseph Schwartz in Cassandra’s Daughter).
De psychologen zullen hun banen niet verliezen aan de neurofysiologen omdat zij zich op verschillende niveaus met dezelfde 'gelaagde’ werkelijkheid bezighouden. Niettemin zal er aan reductionisten moeten worden uitgelegd waarom dat zo is, zelfs wanneer hun wordt verzekerd dat ze aan het atoms only-axioma mogen blijven vasthouden. 'De mensheid’, schrijft publicist Mark Helprin deze maand in Forbes ASAP, 'heeft voor haar zelfinzicht en leiding geen wetenschap nodig, maar kunst.’ De menselijke cultuur is - zo wordt wel eens vergeten - veel ingewikkelder dan al die elegante en met Occam’s razor geschoren natuurwetten, en de 'vaagheid’ van de menswetenschappen is geen algemene eigenschap van de beoefenaars, ze hangt in de eerste plaats samen met de complexiteit van het onderzochte domein.
Dit is niet meer dan één provisorisch voorbeeld voor het formeren van een rationeel en niet-reductionistisch wereldbeeld, waarbij het verrassend weinig uitmaakt of je gelooft dat de geest een 'etherische substantie’ is die bij volle maan in de problemen raakt, of dat er zich nooit personeel heeft bevonden in de controletoren van het hoofd. Maar de praktijk is zoals altijd weerbarstig: waar zouden jonge mensen kunnen leren hoe ze wereldbeelden moeten vormen? Bij mijn weten bestaat er geen schoolboek getiteld Het vormen van een wereldbeeld in x stappen, vermoedelijk omdat het gehele curriculum al verondersteld wordt bij te dragen aan de algemene vorming. Er wordt te veel onzin verkocht, er is te veel respect voor bijgelovige flauwekul (astrologie-vragenuurtjes op de radio), er wordt niet of nauwelijks opgevoed tot kritisch en wetenschappelijk denken. We mogen eisen dat een modern mens de resultaten van de wetenschap niet meer volledig negeert bij het vormen van zijn wereldbeeld; er zijn steeds minder excuses voor totale onwetendheid en onbenulligheden, wanneer je, als waardig lid van de http://-familie, meestal slechts één Internet-adres van de waarheid verwijderd bent - netnummer tegenwoordig overbodig.
Het wordt tijd om de evolutie van wereldbeelden niet uitsluitend over te laten aan de bewuste en onbewuste boodschappen van ouders, nare voorvallen en een soms tirannieke peer group, maar haar te vervangen door een actieve, doelbewuste vorming, waarbij het scheppen van wereldbeelden veel nadrukkelijker als zodanig wordt onderwezen op middelbare scholen, ondersteund door een gezonde dosis argumentatieleer - X volgt uit Y krachtens Z, tenzij A het geval is - waarover op school, in het dagelijks leven en op de televisie vrijwel nooit iets wordt vernomen; het lukraak afscheiden van 'meningen’ wordt kennelijk voldoende geacht. Het is ongetwijfeld niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat van ongefundeerde meningen (de invloed van voortgezet onderwijs moet ook weer niet overschat worden), maar het is beter dan niets. Gevoel, verstand en wetenschappelijke kennis kunnen en moeten bij de vorming van een wereldbeeld zij aan zij optreden. Het is de hoogste tijd dat de vrijblijvendheid wordt teruggedrongen en dat aspirant-wereldburgers niet meer te horen krijgen dat iedere mening even intelligent is als alle andere, hoe mondig en assertief die ook wordt verwoord - de overwinningenlijst van retoriek en vooroordeel is al te lang. Zo doemt het gedenkwaardige perspectief op van scholieren die blijven zitten wegens een niet-compenseerbare onvoldoende voor 'wereldbeeld’. Het zal nog druk worden, want in het rooster van die overbelaste pubers moeten ook de vakken 'Relaties en Psychologische Mechanismen’, 'Kritisch Televisiekijken’ en 'Rekenen Remedial’ worden opgenomen.