Het tweede leven: pockets

Een oogje toe

Iedere maand beginnen honderden boeken een tweede leven als pocket, vijfentwintig-guldenboek of goedkope herdruk. Ger Groot maakt maandelijks een selectie van de meest opvallende titels en schrijft een essay naar aanleiding van één of enkele daarvan.

Waarheid gaat niet altijd boven alles. Het leven is gebaat bij bedrog. We kunnen niet alles weten en willen dat ook niet, ook al sluiten we juist daarvoor de ogen. We belijden eerlijkheid, maar sinds God dood is, is hypocrisie onze hoogste deugd.

«De vriendschap met Sven en Paula was mijn enige oost-west-vriendschap die de val van de Muur heeft overleefd.» Zo begint Berhard Schlink in zijn bundel Liebesfluchten (Liefdesvlucht) het verhaal De zijsprong. Net als de andere zes verhalen in dit boek, dat nu als pocket is verschenen, vertelt het een relatief eenvoudige geschiedenis over de dwaalwegen van de liefde. Sven en Paula vormen een harmonisch, progressief paar, wanneer de verteller hen leert kennen. De scheiding tussen Oost en West is nog onwrikbaar. Paula heeft zich bij een kerk aangesloten en houdt zich kritisch bezig met het milieu in Oost-Duitsland. De verteller brieft soms aan westerse journalisten door welke moeilijkheden zij daarbij ondervindt.

Dan valt de Muur. De wereld gaat open, net als de archieven van de geheime dienst. Het Westen wordt één grote belofte, maar tegelijk valt de vriendengroep rond Sven, Paula en de verteller uiteen. Niet vanwege onthullingen in de mappen van de Stasi. «We hebben besloten de akten te laten voor wat ze zijn», zegt Paula. «We hebben tegen elkaar gezegd dat we elkaar kennen en niet met wantrouwen willen beginnen.» De groep raakt niet door haat of achterdocht ontbonden, maar omdat ze uiteengetrokken wordt door nieuwe kansen en fascinaties.

De haat komt later pas, wanneer Paula ontdekt dat Sven over haar bij de Stasi heeft gerapporteerd. De huwelijkscrisis is acuut. Nu wil zij alles weten. En hij vertelt over de angst die hij had om haar politieke naïviteit en om wat haar kon overkomen. Over wat haar naaste mede activist inderdaad is overkomen, en haar niet. Dankzij hem, denkt hij. Omdat hij de dienst wat betekenisloze details over haar vertelde, en beloofde dat er méér zou komen, ook — en vooral — over zijn vriend, de West-Duitser.

Schlinks meesterschap, dat hij in zijn roman De voorlezer al had bewezen, bestaat erin dat hij Svens biecht acceptabel en zelfs overtuigend maakt. Dat is hij ook voor de hoofdrolspelers van het verhaal zelf, die elkaar uiteindelijk niet laten vallen. Enkele jaren later bezoekt de verteller het echtpaar bij de tiende verjaardag van hun dochtertje, dat een toespraak houdt. Ze zien elkaar niet meer zo vaak, zegt zij; je verliest elkaar snel uit het oog, als wij vrouwen de boel niet bij elkaar zouden houden. Allen kijken elkaar aan en lachen om het wereldwijze cliché van correcte naïviteit, waarin ook haar ouders vermoedelijk geloven — en wellicht ook Schlink zelf. Maar daarmee maakt hij het met zijn gelukkige slot wat te gemakkelijk. Paula heeft de beweegredenen van haar man begrepen. De oorspronkelijke schok van de informatie, waar ze via een loslippige vriendin achter was gekomen, wordt geneutraliseerd door nog meer informatie, waardoor alles ten slotte aanvaardbaar of minstens draaglijk wordt en een zekere sereniteit zich herstelt.

Het is de vraag of dat waar is — niet in dit verhaal, waarin de schrijver de mise-en-scène zo heeft kunnen inrichten dat het onvermijdelijk waar wordt, maar als algemene regel. Maakt de waarheid gelukkig? En zo niet, wordt dat geluk — of althans het levensevenwicht — dan bevorderd wanneer zo’n ongelukkig makende waarheid wordt ingebed in een nog breder inzicht, dat wil zeggen wanneer de waarheid verder wordt vergroot?

De drang daartoe is ongeneeslijk menselijk. Hij is de motor van de nieuwsgierigheid en — iets plechtiger gezegd — de bestaansreden van de wetenschap. Liefst zouden we alles willen weten, in de kennelijke veronderstelling dat een alomvattend inzicht ons vanzelf met de werkelijkheid zou verzoenen. Uitgesproken wordt die gedachte zelden, behalve in een soort bespiegelende sciencefiction, maar in het verborgene vormt ze de krachtige geloofsovertuiging die in een wetenschappelijk geworden tijdvak de dogma’s van de religie heeft vervangen.

Maar wat iets anders vervangt, vertoont daarmee altijd een zekere overeenkomst. De hoop dat we onszelf met het universum verzoend zullen zien op het moment dat wij het volledig begrijpen, ontleent zijn rechtvaardigheid eerder aan de theologie dan aan de wetenschap. Hij meent dat de kosmos uiteindelijk naar menselijke maatstaven goed en harmonisch is ingericht, en dat wij dat alleen maar hoeven te doorzien om gelukkig te worden. In een gelovige wereld betekende dat dat we ons moesten leren verheffen tot het standpunt van God, waaraan wij deel konden hebben omdat wij naar Zijn beeld waren geschapen. Dan zouden wij, net als Hijzelf op de zevende dag, zien dat alles «zeer goed is», en dat dat ook niet anders kon, omdat tenslotte alles vanuit Gods goedheid was geschapen.

Maar de wetenschap, die het moderne middel vormt om dit allesoverkoepelende inzicht te verwerven, heeft tegelijk het vertrouwen in Gods scheppingsmacht teniet gedaan. Geen heilzame wil maar een blind evolutieproces heeft ons geschapen. Geen harmonieuze architectuur maar een gewelddadige explosie ligt ten grondslag aan het universum. Niets garandeert dat daarin voor ons een duurzame bestaansmogelijkheid is weggelegd, laat staan een overkoepelend geluk.

Zo leeft de wetenschap aan de ene kant van de overtuiging dat inzicht goed is voor mensen, maar leert dat inzicht tegelijkertijd dat we de illusie van een universum dat op die goedheid is aangelegd wel kunnen vergeten. Willen we dat weten? Slechts tot op zeer beperkte hoogte: precies zo hoog als de theorie en de wetenschap gaan. Daarboven of daaronder, daar waar het alledaagse leven begint, houden we liever vast aan onze illusies. Maar het geloof daarin kan niet zonder de overtuiging dat het ook van zijn kant echt weten is. Het is er niet tevreden mee zichzelf bewust iets op de mouw te spelden. Het luistert onvermijdelijk naar het middeleeuwse devies creo ut intelligam: ik geloof om te begrijpen. Dus wil het weten, wordt het wetenschap en doet het zijn eigen naïviteit fataal de das om.

Zo houden geloof en wetenschap elkaar vast in een omhelzing die pas tragisch is geworden toen God was verdwenen als de laatste garantie dat alles ooit in goedheid bijeen zou komen. Sindsdien, zo heeft Nietzsche opgemerkt, is het niet meer zeker dat weten een mens goed doet. De waarheid, ooit een attribuut van God en gelijk aan het leven («Ik ben de weg, de waarheid en het leven») is niet per se levensbevorderend meer. Ze kan, integendeel, de levenslust danig fnuiken. Genieten van het bestaan kunnen we vaak alleen nog maar wanneer we besluiten veel van wat we weten tijdelijk te negeren.

Dat heeft niet alleen kosmische dimensies. Paula heeft er, in het verhaal van Schlink, op haar manier last van. Ze wil weten — misschien juist wel omdat ze gelooft (ze is christelijk geworden) en tegelijk om te kunnen geloven. Waarin? In Sven en in diens eerzame motieven, achter het verraad waarvan ze vermoedelijk steeds is blijven hopen dat het slechts schijn was. En haar geloof wordt hersteld, omdat Schlink barmhartig is — of misschien ook omdat ook hij, net als bij de slotwoorden van het dochtertje, gelooft.

Maar Paula speelt hoog spel, en Schlink mét haar. Want stel dat Sven niet weet te overtuigen en een hufter of alleen maar een opportunist blijkt te zijn. Dan valt het universum in duigen. Wellicht neemt Paula dat risico omdat ze gelooft in Gods uiteindelijke goedheid en dus in Sven. En Schlink kan het risico nemen omdat hij vals speelt. Hij is God in het heelal van zijn verhaal en heeft de gelukkige afloop al bij voorbaat in zijn mouw.

Het leven is vaak niet zo barmhartig en dan zitten de Paula’s met de brokken. Zij weten nu hoe het er in hun wereld voorstaat, maar van die wereld is tegelijk niet veel meer over. Wat hebben ze gewonnen? Inzicht ongetwijfeld, en waardigheid misschien. Maar wat koop je voor dat inzicht en hoe blijf je daar waardig onder? Plotseling moet de overtuiging dat de waarheid boven alles gaat nog een heel andere deugd mobiliseren: die van het heldendom. Tegenover de harde werkelijkheid moeten we onszelf in de hand nemen, de kop in de wind gooien, jongens van Jan de Wit zijn en ons niet laten kisten. Nietzsches Übermensch werd uit die inslag geboren.

Wellicht is dat nobel, maar slechts weinigen zijn voor heldendom geboren, des te minder wanneer het zo’n alledaags heldendom moet zijn. Want een huwelijkscrisis mag dan nog een ingrijpende levensgebeurtenis zijn, de momenten waarop we de waarheid schuwen zijn gewoonlijk heel wat minder spectaculair.

Wellicht beschouwen we onszelf — in de woorden waarin Jean-Louis Pisuisse de mens nietzscheaans «durf te leven» toeriep — ter wille van ons zelfrespect op onze eigen vierkante meter als een vorst, maar gewoonlijk slagen we daar alleen maar in door onze nederlagen te vergeten, zalig onwetend te blijven over wat onze buren van ons denken en door hen in onze gesprekken over de heg dagelijks te worden ontzien, zoals ook wij anderen ontzien.

Beleefdheid en beschaafde omgang vormen het wereldwijde complot waarmee de mensheid zichzelf tegen de waarheid omtrent zichzelf beschermt. Hypocrisie is de boven alles uittorenende deugd die maakt dat wij niet al lang aan onszelf en aan anderen ten onder zijn gegaan. Ze voorkomt de oorlog van allen tegen allen waarin de conversatie zou ontaarden zodra wij werkelijk zouden zeggen wat we van elkaar denken. Ze is de dampkring waarin we ons enigszins veilig kunnen voelen tegen de verzengende werkelijkheid van het universum.

Echte bescherming biedt die niet. Gevaren verdwijnen niet doordat we onze ogen ervoor sluiten. En soms weerstaan we ze met open ogen beter dan in naïviteit. Was Sylvia Millecam naar een echte dokter gegaan in plaats van zich door kwakzalverij te laten koesteren, dan had ze wellicht nog geleefd. Maar welke troost heeft iemand die geen levenskansen meer heeft bij de wetenschap daarvan? Wie sterk is, kan zich daarmee wellicht verzoenen, maar niet iedereen is zo sterk. Het leerstuk dat de waarheid altijd gezegd moet worden, houdt geen rekening met die zwakte. Het eist nogal onbarmhartig dat iedereen tot aan zijn laatste snik een held is, sterk door het verlies van zijn illusies.

Is iemand van wie genetici ontdekken dat hij hoogstwaarschijnlijk jong zal overlijden erbij gebaat dat te weten, zolang dat lot niet door een effectieve behandeling afwendbaar is? Is degene die door zijn vrouw of man bedrogen wordt ermee geholpen dat iemand hem dat vertelt? Moeten wij — een van Schlinks steeds terugkerende thema’s — om van iemand te houden ook de verwerpelijke gebeurtenissen uit zijn verleden kennen?

Het gevaar zal er achteraf altijd geweest zijn: dat iemand jong overleed, dat de ander er ten slotte met een derde vandoor ging, dat het verleden het heden als een nachtmerrie kwam bespoken. Maar misschien gebeurt dat ook niet, en gaat het leven kalm zijn gang. Als een aanfluiting van de waarheid en oprechtheid, ongetwijfeld, maar zonder rampspoed en met de bescheiden kans op geluk die het leven nu eenmaal heeft.

Er zijn mannen die, te vroeg terugkerend van een zakenreis, hun vrouw vanaf het vliegveld altijd even bellen, voor het geval dat… Er zijn vrouwen die door valse minnaars van hun spaarcenten zijn beroofd, en toch zeggen dat ze het tijdelijke geluk daarvan niet hadden willen missen. Zij zijn, uiteindelijk, minder de dupe van dubbelspel dan degenen die uit angst door het geluk te zullen worden bedrogen zich er bij voorbaat maar niet mee inlaten. Of die, zoals Paula, waarheid willen en daarmee aan de kans op een catastrofe de voorkeur geven boven de zekerheid van een halfslachtigheid die niet per se ondraaglijk hoeft te zijn.

Wellicht is de hoorndrager geen held: dat wil althans een krachtige literaire en theatrale traditie. Hij heeft altijd iets belachelijks, maar zijn bewuste blindheid is wellicht het verstandigste antwoord op de vervlogen hoop dat waarheid en geluk verzoenbaar zijn. Hij kiest voor het minste van alle kwaden en wordt daardoor het vleesgeworden compromis dat tegelijk gecompromitteerd is. Uit die twee ontstaat de figuur die in de literatuur alleen maar op het tweede plan kan verschijnen, omdat zijn tragiek te laconiek is en zijn heldendom pantoffels draagt.

Hij is tweeslachtig, omdat het leven dat nu eenmaal is. Daarmee is hij de tegenpool van Paula, die de akten niet wil inzien omdat ze in oprechtheid en waarheid gelooft — en daarin zo treurig wordt bedrogen. Zijn bescheiden heldendom wordt ten onrechte geminacht en zijn evenwichtskunst tussen zien en durven te negeren is een hogere deugd dan waarheidsliefde en transparantie. Het is uiteindelijk geen kunst niet naar andermans papieren te vragen als je elkaar vertrouwt, zoals Paula’s vrienden elkaar zeiden te vertrouwen. Het spant er pas om wanneer je redenen hebt elkaar te wantrouwen, en er dan toch van afziet om dóór te vragen.

Bernhard Schlink, Liebesfluchten

Diogenes Taschenbuch, 308 blz., ƒ31,75 _______________________________________

Spôjmaï Zariâb, La plaine de Caïn

Sinds tien jaar woont de Afghaanse schrijfster Spôjmaï Zariâb in Frankrijk, waar ze eerder al had gestudeerd. Aan het eind van de jaren tachtig was daar al haar verhalenbundel De vlakte van Kaïn verschenen, die nu heruitgegeven is. Haar westerse vorming verloochent zich niet. Kafka en Borges dwalen door sommige van haar verhalen, Camus leverde zelfs het motto van één ervan. Angst en beklemming bepalen de sfeer, van het met epische gedragenheid geschreven titelverhaal over een poppenspeler die de plaats waar hij gaat optreden uitgemoord aantreft, tot het verhaal over de stad waar elke dienst alleen nog tegen betaling wordt verricht, of die waarin mensen de kunst van het glimlachen verleerd zijn. Soms schrijft Zariâb plotseling ongemeen realistisch. In De perzische les krijgt een groep vrouwen taalonderwijs. «Het waren volwassen vrouwen op een inhaalcursus. Hun witgesluierde hoofden waren teruggetrokken tussen hun schouders, zodat je hun gezicht niet zag, alleen een witte schijf.» De les wordt een volledig échec. «Op de tafeltjes lagen oude haveloze boeken met hun arme bladzijden ontredderd en beklagenswaardig gericht naar het plafond; niemand keek ernaar.» L’aube poche, 239 blz.

Wislawa Szymborska, Uitzicht met zandkorrel

Negentig gedichten van Szymborska, die in 1996 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg, zijn in deze bloemlezing bijeengebracht. Dat is ongeveer de helft van het oeuvre dat ze schreef nadat ze aan het eind van de jaren vijftig afstand had genomen van het communisme. Bijna nonchalant opgemerkte gebeurtenissen leiden in de gedichten in de richting van het grootse, dat nooit gewichtig wordt. «Hier zit ik dan onder een boom/ aan de oever van een rivier,/ op een zonnige morgen./ Een nietige gebeurtenis/ die niet de geschiedenis ingaat./ Hier zijn geen veldslagen en pacten/ waarvan de motieven worden onderzocht,/ of gedenkwaardige tirannenmoorden.» Zo begint het gedicht dat — achtelozer kan nauwelijks — Een titel hoeft niet heet.

Rainbow essentials, 183 blz.

Habib Souaïdia, La sale guerre

In januari 1992 maakt een staatsgreep in Algerije een einde aan de democratie, om deze te «redden» van de dreigende overwinning van het Islamitische Heilsfront (Fis). Het gevolg was een bloedige burgeroorlog waarvan Europa (vooral Noord-Europa) nauwelijks notie heeft genomen. Het leger trad meedogenloos op tegen een zich steeds verder radicaliserend fundamentalistisch terrorisme. Habib Souaïdia was officier van de speciale eenheden van het leger, die tegen de eigen bevolking dezelfde middelen leerden gebruiken als de Fransen tijdens de Algerijnse bevrijdingsoorlog. «Ik heb collega’s een kind van vijftien levend zien verbranden. Ik heb soldaten zich zien vermommen als terroristen en burgers zien afslachten. Ik heb officieren fundamentalisten zien doodmartelen. Ik heb te veel gezien», schrijft hij in zijn verslag van een «vuile oorlog» die inmiddels vele tienduizenden slachtoffers heeft geëist. Dat zijn tien tot twintig ingestorte Twin Towers.

Folio actuel, 340 blz.

John D. Barrow, The Book of Nothing

Over Sartres hoofdwerk Het zijn en het niet heeft Leszek Kolakovski gezegd dat er in de hele filosofie geschiedenis waarschijnlijk geen alomvattender titel te vinden is. Niets valt erbuiten — en zelfs dat niet. Alfred Ayer meende Sartre te kunnen betrappen op een fundamentele filosofische doodzonde. Van een simpele logische ontkenning zou hij een substantie hebben gemaakt: het mysterieuze «niet» (néant) uit de titel. Maar de mathematicus John Barrow schrijft in zijn boek dat helemaal aan de nul, het niet(s) en de leegte gewijd is, dat juist de oosterse denkers de mathematica een onschatbare dienst hebben bewezen door zich het «niet» als een ding voor te stellen. Zo vonden zij de nul uit. In de muziek kan het niets zelfs hoorbaar worden, zoals John Cage in zijn stuk 4’ 33’’ liet zien: ruim vierenhalve minuut absolute stilte, uit te voeren door om het even welk muziekinstrument. Barrow citeert ook een gedicht van Cage: «I have nothing to say/ and am saying it and that is/ poetry». Verder behandelt hij ongeveer alles wat niets is, inclusief «nihilists, nihilianists, nihiliarians, nihilagents, nothingarians, nullifideans, nullibists, nonentities and nobodies».

Vintage paperback, 380 blz.

Denis Guedj, De stelling van de papegaai

Sinds Jostein Gaarder met mondiaal succes in De wereld van Sofie de geschiedenis van de wijsbegeerte voor kinderen verklaarde, worden de weetboeken-in-romanvorm in hoog tempo op het jonge publiek losgelaten. In De stelling van de papegaai moet de geschiedenis van de wiskunde het ontgelden. Een Parijse tweedehands-boekhandelaar krijgt een bibliotheek met oude wiskundeboeken cadeau. Om daarin orde aan te brengen zit er voor hem niets anders op dan de hele historie van de wiskunde opnieuw te bestuderen, geholpen door zijn assistente, haar drie dwarse kinderen en de papegaai Nofuture. De opgewonden opgewektheid van het typische jeugdboek kan niet verhelen dat wiskunde een vak blijft waar je heel goed je hoofd bij moet houden.

Ambo paperback, 558 blz.

Varlam Sjalamov, Berichten uit de Kolyma

Van 1937 tot 1953 verbleef Varlam Sjalamov in verschillende strafkampen in Siberië. «Bij de arrestatie waren geen fouten gemaakt. Er was sprake van een planmatige uitroeiing van een hele ‹sociale groep›», schrijft hij in zijn levensterugblik, waarmee deze bijna complete verzameling van zijn verhalen over die tijd begint. Het zijn er ruim honderd en hij schreef ze in de jaren vijftig en zestig. Ondanks zijn rehabilitatie konden ze pas jaren na zijn dood in 1982 officieel in Rusland verschijnen. Sjalamov schrijft onsentimenteel registrerend, waardoor de grootste ontberingen gewoontjes lijken te worden, en juist daardoor worden ze des te verbijsterender. «Hoe wordt een weg gebaand door onbetreden sneeuw? Voorop loopt zwetend een man (…) Over het onzekere spoor volgen een man of vijf, zes, schouder aan schouder. Ze stappen niet in het spoor maar ernaast. Als ze weer bij een van tevoren aangegeven plek zijn aangekomen, keren ze om en lopen weer terug. (…) De weg is gebaand.»

Bezige Bij paperback, 904 blz.

Hans Blumenberg, Ästhetische und metaphorologische Schriften

«Begripsgeschiedenis» is niet een woord dat op ieders lippen ligt. De vijf jaar geleden overleden filosoof Hans Blumenberg was er een eminent beoefenaar van. In Nederland is zijn werk nog vrijwel onbekend, al staat een eerste vertaling (over scheeps- en zeemetaforen) op stapel. In zijn omvangrijke oeuvre onderzocht Blumenberg hoe woorden, tussen mythe en metafoor, filosofische concepten kunnen worden. In dit bundeltje verspreide opstellen laat hij (onder veel meer) zien hoe licht identiek wordt aan waarheid en Wittgensteins vliegenglas model gaat staan voor de val waaruit de filosofie de mens (een vlieg, tenslotte) de uitweg moet wijzen. «De moderne filosofie is, ook daar waar ze over de triomfen van de menselijke geest lijkt te gaan, grotendeels een beschrijving van gevangenschappen», schrijft hij. Plato zou vanuit zijn grot al instemmend hebben geknikt.

Suhrkamp Taschenbuch Wissenschaft, 462 blz.

David Macey, The Penguin Dictionary of Critical Theory

Ooit was de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule de verplichte kost van de linkse studenten beweging. Inmiddels is ze opgevolgd door de Critical Theory en dat — zo maakt dit lexicon duidelijk — is niet hetzelfde. Theory, zoals ze vaak kortweg wordt genoemd, komt voort uit de literatuurwetenschap, met een fikse dosis filosofie en sociale wetenschappen. Een bonte verzameling disciplines, van deconstructie tot gay studies en lacaniaanse psychoanalyse tot radicaal femi nisme, maakt van haar het politiek correcte thuisland van de wetenschap. Onvermijdelijk waaiert het lexicon van David Macey (biografieën van Foucault en Fanon) daar door alle kanten op. En even onvermijdelijk bevat het veel Franse meester-denkers en Franse termen: Derrida, Deleuze, Lacan, écriture féminine en jouissance. Verrassender zijn de namen van Popper, Gombrich, Eisenstein, George Steiner en Camille Paglia en nog opmerkelijker lemma’s als catalogue raisonné, Kitschen Sink School, OULIPO, francophonie en zeugma.

Penguin pocket, 490 blz.