H.J.A. Hofland

Een oor aannaaien

Voorzichtig en kleinschalig, begeleid door de krijgshaftige taal van zijn politieke leiders, laat Nederland zich verder meetrekken in het moeras van illusies, misleidingen, vergissingen en waandenkbeelden dat we «Irak» noemen. Drie maanden geleden werd sergeant D. Steensma bij de ontploffing van een mortier granaat gedood. Zaterdag is wachtmeester J. Severs gesneuveld, in een gevecht dat uren heeft geduurd en waarbij volgens onze minister van Defensie tweeduizend patronen werden afgevuurd. Hij noemde dat «zeer zorgelijk». Ik ben het volkomen met de heer Kamp eens.

Laten we nog eens nagaan hoe de Nederlandse soldaten in deze «bijzonder ernstige» situatie terecht zijn gekomen. Want alleen op die manier valt te begrijpen hoe het land geleidelijk, zonder dat we daarvan iemand in het bijzonder de schuld kunnen geven, een oor is aangenaaid.

Terug naar 8 november 2002, de dag waarop VN-resolutie 1441 wordt aangenomen, het document waarin Irak de laatste kans tot ontwapening wordt geboden. Gebruikt Saddam Hoessein die kans niet, dan moet hij rekening houden met «ernstige gevolgen». Op deze resolutie is de Nederlandse politiek gebouwd. En aan de resolutie zelf ligt de overtuiging ten grondslag dat Hoessein massavernietigingswapens heeft. De Nederlandse inlichtingdiensten, de AIVD en de MIVD, twijfelen — ik baseer me op het onthullende artikel van Joost Oranje in NRC Handelsblad van 12 juni 2004 — maar hun Britse en Amerikaanse collega’s niet. Zoals later zal blijken, zijn de Nederlanders veel dichter bij de waarheid.

Dan volgt het laatste deel van het voorspel waaruit blijkt dat de oorlog niet kan worden vermeden. Het kabinet heeft een probleem. Hoe kunnen we solidair blijven met de Amerikanen zonder deel te nemen aan de aanval en zonder te worden betrokken in de discussie over de massa vernietigingswapens? We verlenen alleen politieke steun en rechtvaardigen die met de verwijzing naar «de onwil van Saddam Hoessein om zijn door resolutie 1441 geboden laatste kans aan te grijpen».

Op 1 mei 2003 waren volgens de officiële bekendmaking door president Bush de «major operations» voorbij. De Irakezen waren bevrijd, de wederopbouw kon beginnen, met hulp van onder andere een detachement Nederlandse militairen.

Precies een jaar geleden arriveerde daar de bescheiden Nederlandse troepenmacht, in een relatief vreedzaam gebied, om de rust en orde te bewaren. We droegen geen helmen en zonnebrillen, we reden niet hard door de straten, we waren op «sociale patrouille», zorgden voor schoon drinkwater, bouwden bruggen. In andere delen van het land konden bandieten, terroristen en rebellen de rust verstoren maar in al-Muthannah, zo vertelden we onszelf, had de Nederlandse aanwezigheid een weldadige invloed. Zo was het ons beloofd, zo hebben de soldaten hun werk gedaan.

Op welke macropolitieke bedoelingen onze militaire aanwezigheid verder steunde, is door geen minister ooit duidelijk verklaard. Misschien is in Den Haag gedacht dat Nederland zou bijdragen aan het verwezenlijken van de grote neoconservatieve Amerikaanse droom: hervorming van het Midden-Oosten tot een democratische regio, met Irak als lichtend voorbeeld. Soennieten, sjiïeten en Koerden zouden zich als door een wonder in de op één na rijkste oliestaat verenigen. Gaandeweg zou de «moderni teit» over de Arabieren vaardig worden. En in de stroom van vernieuwing zou het Israëlisch-Palestijnse probleem op een natuurlijke manier tot een oplossing komen. Mocht dat waar zijn, dan heeft dit kabinet zich op een van de hoofdpunten van zijn buitenlandse politiek door wereldvreemde illusies laten leiden.

Het is ook mogelijk dat we niet meer wilden doen dan het leveren van onze eigen kleine bijdrage aan de bevrijding van een volk en de wederopbouw van een land. In dit geval hebben we ons met open ogen in een aaneenschakeling van vergissingen en wanbeheer begeven. Want een jaar en meer dan drie maanden na het officiële einde van de oorlog is er minder dan ooit uitzicht op het werkelijke einde. Ongewild is Nederland met omstreeks dertienhonderd levens aandeel houder geworden in een onderneming die onder deze hoofd directie steeds verder van het beoogde doel verwijderd raakt. De duidelijkste aanwijzing voor het thuisfront ligt in het feit dat onze sociale patrouilles hun werk nu niet meer in open voertuigen maar met de helm op, in pantserwagens zullen doen. De binnenlandse oorlog breidt zich uit en onze eertijds sociale werkers worden er als gewone soldaten in betrokken.

Het dappere antwoord van het kabinet is dat «we niet mogen wijken voor terreur». Maar om te beginnen: is het terreur? Is het niet een verzet tegen de bezetter aan wie wij nu al een jaar kritiekloos onze diensten verlenen? Wat is dapperheid, achter een bureau in de Tweede Kamer, in het veld waard als we niet weten waartoe een ferme toespraak of het verlies van een leven nog dient? De familie van de soldaten krijgt genoeg van de nobele toespraken, organiseert zich en protesteert. Moeten we niet, om te beginnen, nu eindelijk eens het waardoor en het waarom van onze aanwezigheid in Irak aan de orde stellen, zonder te verzanden in de grote gemeenplaatsen? Weet het kabinet nog waarvoor de Nederlandse soldaten daar zijn? Een spoeddebat over de Nederlandse aanwezigheid in dit «nieuwe Irak», dat zo anders is dan wat de ministers hadden voorzien, dat is wel het minste wat we kunnen doen. Dan weten «onze jongens» ter plaatse ook weer beter waar ze aan toe zijn.