AFGHANISTAN EN PAKISTAN

Een oorlog achter de hand

Pakistan eert een nieuwe president en Nederland treurt om de zeventiende militair die sneuvelde in Afghanistan. Deze gebeurtenissen hebben met elkaar te maken.

ZONDAG EXPLODEERDE een Taliban-bom onder een pantserrupsvoertuig van Nederlandse Isaf-troepen in Uruzgan. De 21-jarige soldaat Jos ten Brinke kwam daarbij om het leven. Vijf andere militairen raakten gewond, van wie één zwaar. De bom was een IED, een improvised explosive device. Onderdelen voor dergelijke explosieven worden gefabriceerd in Pakistan, in de wetteloze Pathaanse stammengebieden net over de Afghaanse grens, waar de Taliban en al-Qaeda onder de vorige Pakistaanse president, generaal Pervez Musharraf, een nieuwe machtsbasis konden bouwen. Musharraf moest vorige maand aftreden.
Zaterdag won Asif Zardari, weduwnaar van de onlangs vermoorde Benazir Bhutto, de Pakistaanse presidentsverkiezingen. De Federally Administered Tribal Areas (FATA), zoals de stammengebieden waar de Taliban hun IED-industrie hebben gevestigd officieel heten, staan onder direct presidentieel bestuur. De president is tevens opperbevelhebber van de Pakistaanse krijgsmacht. Hij is degene die de vrijhaven van al-Qaeda en de Taliban kan dichtgooien.
De grote rol die Pakistan speelt bij het in stand houden van de Taliban-opstand wordt uitvoerig beschreven door de Pakistaanse journalist Ahmed Rashid in zijn recente boek Descent into Chaos. Rashid (1948, Rawalpindi) is een groot kenner van Afghanistan. Nog geen jaar voor 9/11 verscheen zijn Taliban, dat alom wordt beschouwd als het standaardwerk over de beweging. Nu, precies acht jaar na de aanslagen in New York en Washington, heeft Rashid opnieuw een boek gepubliceerd dat grote aandacht verdient. Descent into Chaos is een geschiedschrijving van vooral Amerikaanse missers in de oorlog tegen het terrorisme die de Amerikanen zelf uitriepen. Die oorlog begon in Afghanistan, waar het Taliban-regime onderdak bood aan Osama bin Laden en al-Qaeda, en zou daar volgens Rashid ook moeten eindigen.

Rashid was een verklaard voorstander van de Amerikaanse interventie. In Taliban kritiseerde hij de VS, omdat ze Afghanistan aan zijn lot overlieten toen de Russen eenmaal verdreven waren. Afghanistan gleed weg in burgeroorlog en chaos. Het waren de Taliban die orde brachten, Gods orde, compleet met de wrede logica van een primitieve stammensamenleving en islamitisch standrecht. Met de Taliban van mullah Mohammed Omar kwamen de Arabieren, de Tsjetsjenen, Oeigoeren en Oezbeken die zich lieten inspireren door Osama bin Laden. Al-Qaeda vocht verder waar de Taliban stopten.
Descent into Chaos is de nuchtere beschrijving van de gebeurtenissen die leidden tot een ontgoocheling van onvoorstelbare proporties bij de auteur: de Amerikanen presteerden het opnieuw hun schouders op te halen over nation building. ‘Hier was een supermacht die een land had veroverd, maar weigerde daarvoor de verantwoordelijkheid te nemen’, stelt Rashid vertwijfeld vast.
De Amerikanen vonden de jacht op al-Qaeda-kopstukken veel belangrijker. Vooral minister van Defensie Donald Rumsfeld wilde zich daarbij niet laten afleiden door democratisch geneuzel. Zijn special forces werkten nauw samen met de CIA en Afghaanse krijgsheren. Hun loyaliteit was gekocht met miljoenen dollars. Aan het respecteren van mensenrechten hadden ze geen boodschap en aan het gezag van de democratisch gekozen president Hamid Karzai in Kabul al helemaal niet. De Amerikaanse terroristenjacht verhinderde de vestiging van een sterke Afghaanse staatsmacht.
Intussen speelde de Pakistaanse president Musharraf een briljant dubbelspel. De Inter-service Intelligence (ISI), Pakistans militaire inlichtingendienst, was de drijvende kracht geweest achter de opkomst van de Taliban. Musharraf wilde die steun niet zomaar beëindigen. In het openbaar schaarde hij zich volledig achter de Amerikanen en beloofde hun alle medewerking bij de oorlog tegen het terrorisme, maar tegelijkertijd hield hij zijn eigen oorlog achter de hand. Hij bleef de Taliban en al-Qaeda steunen. Er werden trainingskampen opgezet aan de Pakistaanse kant van de grens, onder meer in de FATA, Taliban-leiders streken neer in Quetta en Pakistaanse artillerie ondersteunde Taliban-aanvallen.
De oorlog in Afghanistan was en is voor Pakistan een afgeleide van het conflict waar het wérkelijk om draait: de strijd met erfvijand en medekernmogendheid India om Kasjmir. Pakistan wil graag een satellietregering in Kabul om zich te verzekeren van toegang tot Afghanistan mocht het tot oorlog met India komen. Moslimextremisme kon zich verheugen in de warme steun en belangstelling van de ISI en het leger: geen betere manier om India te destabiliseren dan door aanslagen van fanatieke jihadi’s.
Om de Amerikanen gunstig te stemmen arresteerde de ISI zo nu en dan wat al-Qaeda-leden. Musharraf wist president George Bush ervan te overtuigen dat zijn militaire dictatorschap noodzakelijk was om al-Qaeda te bestrijden en te voorkomen dat moslimextremisten niet alleen Afghanistan maar ook Pakistan, met kernwapens en al, zouden ondermijnen. De Amerikanen geloofden het, pompten miljarden dollars in de Pakistaanse krijgsmacht en begonnen al snel troepen en materieel terug te trekken uit Afghanistan ter ondersteuning van hun oorlog in Irak.

Het waren de Europeanen die de rotzooi mochten opruimen. Met de uitbreiding van Isaf naar de zuidelijke provincies zette de Navo zich aan een klus waarvan ze de ware omvang niet kon kennen, omdat de Amerikanen die verzwegen. ‘Europese regeringen verkregen de steun van hun parlementen en hun bevolking door te beloven dat hun troepen een risicoloze vredes- en opbouwmissie zouden uitvoeren – een militaire missie die ziekenhuizen en scholen zou bouwen en democratie, de rechtsstaat en ontwikkeling zou promoten, in de beste traditie van het Europese liberalisme. Geen Europese leider durfde de mogelijkheid te opperen van oorlog, gevechtsdoden of de noodzaak een counterinsurgency te vechten tegen de Taliban’, schrijft Rashid.
Toen Isaf zich uitbreidde naar de zuidelijke provincies, waartoe ook Uruzgan behoort, ontdekten de Britten tot hun afgrijzen dat de Amerikanen met al hun superieure technologie zich er niet om hadden bekommerd de Taliban-activiteiten in het zuiden en in Quetta te monitoren. De Amerikanen gingen er vanuit dat er geen al-Qaeda-leiders in het zuiden waren, dus why bother? Een Amerikaanse generaal in Kabul vertrouwde Ahmed Rashid toe dat de Navo daarvoor een zware prijs zou betalen. De Britten in Helmand en de Canadezen in Kandahar verloren die zomer tientallen militairen.
Rashid besteedt nauwelijks aandacht aan Nederland, maar de manier waarop hier de Uruzgan-missie werd gepresenteerd, klopt met zijn bevindingen. Tijdens de parlementaire discussie begin 2006 was het uitgangspunt dat Nederlandse troepen te maken zouden krijgen met enkele honderden Taliban-strijders. In werkelijkheid opereerden die laatsten al in eenheden ter grootte van bataljons en beschikten ze over veldhospitalen en logistieke afdelingen. De trainingskampen in Pakistan werkten op volle toeren en Quetta was al een Taliban-stad geworden van waaruit mullah Mohammed Omar, de Taliban-leider, de goed geplande opstand leidde.
De regering nam het woord ‘oorlog’ niet in de mond. In Uruzgan zou het vooral gaan om wederopbouw. In de artikel-100-brief aan het parlement komt de term wederopbouw 51 keer voor. Vijf keer wordt verwezen naar de mogelijkheid in de aanval te gaan. Dan is sprake van eufemistische termen als ‘offensieve acties’ en ‘offensieve veiligheidsoperaties’.
Zeker in het begin van de missie viel niets op te bouwen. Eerst moest slag geleverd worden. Er was een hevig Taliban-offensief gaande, maar Nederland miste daarover, net als de Britten en Canadezen, essentiële informatie. Nederlandse troepen raakten al in de eerste weken van de missie betrokken bij heftige oorlogshandelingen. De volgende zomer werd opnieuw hard gevochten, onder meer in Chora, waar meer dan duizend Taliban-strijders in de aanval gingen, en Deh Rawod. Daarbij vielen tientallen burgerdoden, ook door Nederlandse hand, vooral bij luchtbombardementen.
Bij het bestrijden van een opstand moet de bevolking te vriend worden gehouden. Bombarderen is daarom zo’n beetje het slechtste wapen in een counterinsurgency. De Taliban gebruiken de burgerslachtoffers gretig in hun propaganda. Volgens Human Rights Watch is het aantal burgerslachtoffers door bombardementen vorig jaar bijna verdubbeld in vergelijking met 2006, tot meer dan 1600. Op dit moment liggen de Amerikanen overhoop met president Karzai over de negentig burgerdoden, onder wie zestig kinderen, die zij eind augustus veroorzaakten bij een luchtaanval. Karzai heeft gedreigd de mandaten van de buitenlandse troepen in te perken.
Volgens Rashid zou het zo ver niet gekomen zijn als de Amerikanen de strijd in Afghanistan serieuzer hadden genomen, Musharraf de duimschroeven hadden aangedraaid en van meet af aan het land hadden opgebouwd. Dan was de massale inzet van de luchtmacht niet nodig geweest.
Ook van het Amerikaanse pro-krijgsherenbeleid heeft Nederland schade ondervonden. In Uruzgan kan Isaf niet heen om Matiullah Khan, wiens voor het overgrote deel illegale militie de aanvoerroutes beschermt, zoals De Groene Amsterdammer eerder onthulde. Matiullah wordt verdacht van mensenrechtenschendingen en opiumsmokkel. Toen De Groene hem bezocht in zijn hoofdkwartier te Tarin Kowt hingen daar foto’s aan de muur van de krijgsheer samen met Amerikaanse special forces. ‘Ik heb veel aan hen te danken’, vertelde Matiullah. ‘De Amerikanen zijn mijn vrienden.’

Het dubbelspel van Musharraf kwam pas ten einde toen het in zijn gezicht ontplofte. De extremisten met hun bases, hun trainingskampen en hun IED-fabrieken in de FATA, die werden gesteund door de ISI, pleegden aanslagen op Musharrafs leven en startten een nationale terreurcampagne. Pakistan wordt nu bedreigd door de extremisten die juist de Pakistaanse belangen in Afghanistan hadden moeten behartigen en een wapen moesten zijn tegen India. Acht jaar na het begin van Bush’ oorlog tegen het terrorisme is de trieste balans dat de Taliban en al-Qaeda opnieuw een thuishaven hebben. Ditmaal in een staat met kernwapens.
Er lijkt echter een kentering op til. De Amerikanen nemen eindelijk de Taliban-opstand serieus. Minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice heeft het zelfs gewaagd de term ‘nation building’ in de mond te nemen en het State Department is bezig een heuse afdeling daarvoor op te zetten. Voorlopig is het echter nog het Pentagon dat de toon zet. De Amerikanen en het Pakistaanse leger zijn begonnen met een offensief tegen de extremisten in de FATA. De Pakistaanse bevolking reageert minder vijandig dan gevreesd. Zij lijkt de jihad zat: bij de parlementsverkiezingen deden de extremistische partijen het erg slecht.
Veel hangt af van de Pakistaanse president. Asif Zardari is al net zo’n vriend van het Westen als zijn dubbelspelende voorganger Musharraf. Zal hij het aandurven de inlichtingendienst ISI te kortwieken en de strijd met India om Kasjmir op te geven? Zal hij bereid zijn tot nation building in de stammengebieden, waardoor ook op de lange termijn het achterland voor een Afghaanse opstand verdwijnt? De levens van Nederlandse militairen – en zeker niet die van hen alleen – hangen ervan af.