Caesar, Burgeroorlog

Een oorlog die nergens over gaat

Een van de vreemdste burgeroorlogen uit de geschiedenis is die tussen Julius Caesar en Pompeius. Deze ware titanenstrijd werd in 49 en 48 voor Christus alleen maar gevoerd met het doel om te winnen. Dat zou prachtige literatuur moeten opleveren.

Oorlog is in beginsel een begrijpelijk verschijnsel. Twee staten hebben ruzie met elkaar om iets wat er echt toe doet, zoals grond of water, en grijpen naar de wapenen om het conflict te beslechten. Het zijn nooit alle inwoners van een land die aan de oorlog meedoen. Meestal bestaat er een groep spe ciaal daartoe opgeleide mannen die de belangen van het volk verdedigt. Deze groep, het leger, werd vroeger aangevoerd door de allersterkste krijger, die daarom de titel «koning» kreeg. De staat die de oorlog won door meer soldaten van de tegenpartij te doden dan er aan eigen zijde sneuvelden, nam water en grond in bezit, maar ging er vrijwel nooit toe over het overwonnen volk uit te roeien. Na een aantal jaren, of zelfs generaties, namen de overwonnenen wraak door het verloren gebied te heroveren, en zo ging dat eeuwen door.

Zodra een staat besluit een leger op de been te houden, blijkt er een bijna autonome dynamiek op gang te komen waar zelden nog iemand greep op heeft. Als er mannen zijn die zich hebben gespecialiseerd in het doden, zou het frustrerend zijn ze nooit de kans te geven die bekwaamheid in praktijk te brengen. Wie als bakker is opgeleid wil nu eenmaal graag broodjes bakken.

Omdat het opzetten van een leger een heel gedoe is, dient de noodzaak ervan te worden aangetoond doordat er zo nu en dan oorlog uitbreekt. En soldaten hebben spullen nodig, degelijke spullen, waaraan buitengewoon veel valt te verdienen. Theoretisch zou een bedrijf dat zwaarden produceert net zo goed ploegscharen kunnen vervaardigen, maar zwaarden leveren meer op. Daarom worden ze nooit tot ploegscharen omgesmeed.

Het is dus te simpel om te stellen dat oorlogen altijd voortkomen uit overzichtelijke conflicten tussen twee staten. Afgezien van economische belangen spelen ook ongrijp bare zaken als moed en eer, schande en gezichtsverlies een enorme rol — atavistische verschijnselen waar de mensheid wel nooit van af zal komen. Merkwaardig genoeg blijven de beledigde of hoogmoedige vorsten tegenwoordig zelf liever thuis en besteden ze het verdedigen van hun eer uit aan het leger. Zo zullen we Bush noch Blair aan het hoofd van de troepen in de vuurlinie zien sneuvelen.

Nog vreemder dan oorlogen zijn burgeroorlogen. Het wekt geen verbazing dat de Verenigde Naties daar geen raad mee weten. Het woord «burgeroorlog» is een vertaling van het Latijnse «bellum civile» en duidt op een conflict tussen de burgers van één staat. Je kunt je voorstellen dat twee bevolkingsgroepen met elkaar op de vuist gaan omdat de ene meer land, geld of aanzien heeft dan de andere. Armen komen in opstand tegen rijken, protestanten tegen katholieken, zwarten tegen witten. Maar ook hier spelen weer diezelfde ongrijpbare belangen van strijdgroepen die iets te doen moeten hebben; denk aan Ira en Eta, schoorstenen die moeten roken en leiders die hun frustraties uitbesteden.

In alle eeuwen lijkt er één constante te zijn: wie een oorlog begint zal zijn best doen aannemelijk te maken dat er wezenlijke belangen op het spel staan. Is de oorlog, onder welk voorwendsel ook, eenmaal begonnen, dan ontstaan die wezenlijke belangen trouwens vanzelf, want wie wordt aangevallen, wil zich verdedigen en verlies brengt enorme morele en economische schade met zich mee.

Hoewel het evident handiger zou zijn nooit oorlog te voeren, moeten we vrezen dat we voor eeuwig aan dit georganiseerde moorden vastzitten. De mens is geen «zôion politikon» (politiek dier), zoals Aristoteles dacht, maar een «zôion polemikon» (oorlogsdier).

Een van de vreemdste burgeroorlogen uit de geschiedenis is die tussen Julius Caesar en Pompeius in de jaren 49 en 48 voor Christus. Tienduizenden soldaten van de meest uiteenlopende nationaliteiten sneuvelden in een uit de hand gelopen conflict dat helemaal nergens over ging — als je tenminste mag afgaan op wat onze bronnen meedelen.

Helaas mag dat niet. De belangrijkste zegsman is immers Caesar zelf, die met zijn eigen pen hetzelfde probeerde te bereiken als waarvoor men tegenwoordig spindoctors inhuurt. Waarbij we ons moeten realiseren dat er in Caesars dagen geen mondiale publieke opinie bestond, om de eenvoudige reden dat de boekdrukkunst nog niet was uitgevonden, de meeste Europeanen niet konden lezen en een groot deel van het Romeinse Rijk niet eens Latijn sprak. Het publiek dat Caesar trachtte te manipuleren bestond uit vermogende, hoogopgeleide Romeinse burgers.

Dat laatste begrip behoeft enige verheldering. Het rijk bestond uit een lappendeken van provincies, waarin steden en volkeren totaal verschillende vormen van onderworpenheid of autonomie kenden. Zelfs Italië was in dat opzicht geen eenheid. Vrouwen en slaven hadden geen burgerrecht. De Romeinen waren meesters in het uitspelen van bevolkingsgroepen tegen elkaar. In zo’n staatsbestel, waar slechts een kleine groep volledig burgerrecht heeft en de ene stad of streek bewust wordt bevoordeeld boven de andere, liggen conflicten over wezenlijke zaken voor het oprapen. Je zou verwachten dat wie in zo’n rijk een burgeroorlog begint niet lang hoeft te zoeken naar een aannemelijke casus belli.

Een van de raadsels van de oorlog tussen Caesar en Pompeius is de vraag hoe het mogelijk is geweest dat beide heren erin slaagden duizenden soldaten zo ver te krijgen dat ze hun leven op het spel zetten voor niets anders dan het prestige van de veldheer en — heel misschien in de verre toekomst — een stukje land. De oorlog ging, zo lijkt het, niet tussen twee benadeelde bevolkingsgroepen, maar tussen Romeinse burgers onderling, schatrijke mannen die liever zouden sterven dan toe te geven dat ze onderdeden voor een ander. Het conflict tussen Caesar en Pompeius is een titanenstrijd met geen ander doel dan te winnen.

Dat dergelijke oorlogen grootse literatuur kunnen opleveren, spreekt vanzelf. Het wonderlijke is nu dat de Burgeroorlog van Caesar, die met de Gallische oorlog had bewezen in elk geval bij vlagen meeslepend te kunnen schrijven, een van de allersaaiste boeken is die ik ooit heb gelezen. Hoewel tussen de regels en vooral uit andere bronnen blijkt dat er in deze oorlog wel degelijk belangen op het spel stonden waarbij een moderne lezer zich iets kan voorstellen, doet Caesar geen enkele poging zijn streven naar absolute macht te verdoezelen. Geen beroep op algemeen welzijn, geen politieke ideologie, geen verkettering van andersdenkende bevolkingsgroepen, uitsluitend Wille zur Macht moet Caesars optreden legitimeren.

Je kunt je afvragen of soldaten ooit door idealisme worden gedreven; zeker is dat dit voor de soldaten in deze oorlog niet gold.

Een overwonnen legioen sluit zich noodgedwongen bij de voormalige vijand aan en bevecht zonder scrupules vroegere strijd makkers, totdat de andere partij weer met hogere soldij over de brug komt. Zowel senatoren als buitenlandse mogendheden blinken uit in schaamteloos opportunisme. Een morrend legioen geef je de gelegenheid even een stad leeg te plunderen. Een heel enkele keer pleegt iemand die zijn gezicht verliest ostentatief zelfmoord. Maar nergens krijg je de indruk dat het ergens over gaat.

Caesar schreef zijn Burgeroorlog niet lang na de beëindiging van het conflict: eind 48 werd Pompeius na een smadelijke nederlaag in Noord-Griekenland en een nog smadelijker vlucht, in Egypte vermoord. Omdat het boek nogal abrupt eindigt, wordt aangenomen dat het niet is voltooid. Na Pompeius’ dood bleven zijn zoons en aanhangers zich nog enkele jaren verzetten tegen Caesars heerschappij, zodat de dictator tot maart 45 zijn handen vol had aan het uit de weg ruimen van tegenstanders. Officieren uit zijn leger hebben boeken geschreven waarin ook die latere oorlogen worden belicht. Zo zijn er anoniem overgeleverde verslagen van episoden in Alexandrië, waarin Cleopatra een bescheiden rol speelt, in Noord-Afrika, met als hoogtepunt de spectaculaire zelfmoord van Cato, en Spanje, waar de Pompeianen definitief worden verslagen.

Deze drie boeken zijn samen met Caesars Burgeroorlog vertaald door Hedwig van Rooijen-Dijkman, die inmiddels een naam heeft hoog te houden in het vertalen van historisch uitermate belangwekkend, maar in literair opzicht tamelijk moeizaam proza. Ze vertaalde eerder de complete Livius, een gigantisch karwei waarvoor ze zonder meer de Nijhoff-prijs zou moeten krijgen, al is het alleen maar omdat niemand anders het in zijn hoofd zou halen zulke boeken überhaupt te lezen.

De vertaling van de Burgeroorlog en de drie werkjes over de oorlogen in Alexandrië, Noord-Afrika en Spanje is niet alleen uitstekend, maar het boek is ook helder ingeleid en geannoteerd. Wie de oudheid liefheeft dient het in ieder geval in huis te hebben. Maar wie een meeslepend boek over oorlog wil lezen, kan zich beter wenden tot Herodotos, Thucydides, of Tolstoj.

Caesar

Burgeroorlog

Vertaald door H.W.A. van Rooijen-Dijkman

Uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep, 352 blz., € 34,95