Media

Een oorlog zonder gezicht

Over ruim een half jaar zal de wereld uitgebreid stilstaan bij de tiende verjaardag van de aanslag op de Twin Towers. Vorige week, op een conferentie over historische programma’s in New York, bleek dat Amerikaanse nieuws- en actualiteitenprogramma’s al volop bezig zijn met de voorbereidingen, waarbij niet alleen de aanslag op het WTC en de gevolgen ervan, maar ook de monumentale wederopbouw van Ground Zero uitgebreid over het voetlicht zullen worden gebracht.

Ondertussen is de aandacht voor de oorlogen die in het kader van de war on terror werden ontketend in de VS tot een minimum geslonken. Zoals de Nederlandse media in de jaren van de ‘opbouwmissie’ in Uruzgan weinig lieten zien van de oorlog zelf, zo zijn Irak en Afghanistan na de bijna euforische berichtgeving in de eerste jaren geleidelijk uit het zicht verdwenen. Buiten usual suspects als The New York Times en de publieke omroep leeft de kwestie niet. Soms krijg je zelfs de indruk dat men niet wil weten wat daar allemaal gebeurt: de oorlog als een pijnlijke, ongemakkelijke zweer - daar praat je ook niet over.
In schril contrast met het gebrek aan aandacht staan de cijfers. Nog altijd vechten er zo'n 150.000 soldaten in Afghanistan en Irak - veel minder dan een paar jaar geleden, maar toch. Zesduizend militairen kwamen om het leven, veertigduizend raakten gewond. Daarnaast hebben honderdduizenden niet-militairen korte of lange tijd in Irak en Afghanistan doorgebracht. Ten slotte de kosten van de oorlog: de teller van de website costofwar.com staat nu op 1150 miljard dollar, en daar komen er iedere minuut ruim driehonderdduizend bij. Harvard-econome Linda Bilmes en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz hebben berekend dat de werkelijke kosten zullen uitkomen op 4,95 biljoen. Dat is 4950 miljard, oftewel zeventien keer de totale uitgaven van de Nederlandse rijksoverheid in 2010.

Dat is veel geld, vooral wanneer we ons realiseren met welk verbaal geweld momenteel in de Amerikaanse politiek over het overheidsbudget wordt gestreden. Obama zou er met gemak het begrotingstekort mee kunnen dichten, maar er is geen politicus die dat zal zeggen. Sterker nog, de uitgaven voor deze oorlog worden volledig buiten de discussies gehouden. Minister van Defensie Robert Gates kondigde vorige week weliswaar aan dat ook zijn budget onder het mes zal moeten, maar hij verzekerde dat dit niet ten nadele van de huidige frontoperaties zou gaan.
Het zwijgen over de oorlogsuitgaven vormt een van de sleutels voor het begrijpen van de oorverdovende stilte in de media. De meerderheid van de Amerikanen (63 procent) mag dan inmiddels tegen de oorlog zijn, een politicus die de uitgaven voor de oorlog ter discussie zou stellen, zou als landverrader worden weggehoond. De politieke klasse is, kortom, geheel in de greep van een uiterst viriel patriottisme. De toonaangevende media, die zich vaak pas op kwesties storten wanneer er politieke onenigheid over bestaat, houden zich stil.
Maar er zijn meer redenen waarom de oorlog weinig aandacht krijgt, te beginnen met de samenstelling van de strijdkrachten. Het leger bestaat geheel uit vrijwilligers, redelijk opgeleid en overwegend afkomstig uit de middengroepen, met een oververtegenwoordiging van de suburbs en het platteland; de grote steden leveren relatief de minste militairen. Het is een patroon dat gelijkenis vertoont met de politieke kaart van de VS, al is dat moeilijk hard te maken: de militairen lijken uit dezelfde groepen te komen waar ook de Republikeinen uit putten.

De veranderingen in het karakter van de oorlog zelf hebben eveneens bijgedragen aan de verflauwing van de aandacht. Na de spectaculaire beelden van de overweldiging van de vijand (shock and awe), de bombardementen, snel oprukkende troepen en het neerhalen van de regimes in Afghanistan en Irak, kreeg de oorlog een heel ander karakter. Aanslagen, bermbommen en counterinsurgency zetten de toon - niet bepaald ingrediënten voor meeslepende oorlogsverslaggeving. Sterker nog, de vijand zélf heeft sedert de val van de Taliban en Saddam Hoessein geen gezicht meer.
In The Hurt Locker, een alternatieve maar uiteindelijk zeer succesvolle Amerikaanse film uit 2008, wordt deze verandering in de oorlogvoering treffend verbeeld. De grondstructuur is niet anders dan die van klassieke combat-films, zoals Saving Private Ryan, maar de compagnie bestaat hier uit mijnenruimers. Wat op het netvlies beklijft, nog meer dan de bloedstollende ontmanteling van bommen, is de desperate twijfel over de vraag wie en waar de vijand is. Er is geen moment van rust, niet in de stad en al helemaal niet daar buiten, in de woestijn of de bergen. De film laat, kortom, een oorlog zien die zich nauwelijks laat verbeelden in gewone nieuwsmedia. De war on terror is - in meer dan één opzicht - ontaard in een oorlog zonder gezicht.