Een open wond die nooit geneest

TONI MORRISON
EEN DAAD VAN RECHTVAARDIGHEID
Vertaald door Nicolette Hoekmeijer
De Bezige Bij, 222 blz., € 18,90

Sinds James Baldwin in The Fire Next Time (1967) een hartstochtelijk pleidooi hield voor één Amerika en tegen een gesegregeerd wit en zwart Amerika à la Malcolm X, zijn er talloze schrijvers geweest die indirect de weg hebben geëffend voor 4 november 2008, toen Barack Obama tot 44ste president van de Verenigde Staten werd verkozen. Zonder Ishmael Reed, William Styron, Leslie Silko, John Edgar Wideman, Richard Powers, William T. Vollmann, Colson Whitehead, Edward P. Jones en Michael Thomas zou de Amerikaanse literatuur nog steeds een indeling kennen die vele boekhandels in Amerika hardnekkig blijven volhouden: aparte afdelingen voor Afro-Americans en Native Americans.
Wie weet welke verhalen en romans er schuilgaan achter het beknopte rijtje namen – waarin ik opzettelijk inga tegen de boekhandelindeling – beseft dat de literatuur voorloopt op de politiek, door dwars door de raciale afrasteringen heen te banjeren en de hokjesgeest te verlaten. Obama had zijn Dreams from my Father nooit kunnen schrijven, en zijn toespraak over ras en politiek nooit kunnen houden, zonder de inspiratie van Baldwin, Louise Erdrich of Nobelprijswinnares Toni Morrison.
Toni Morrisons historische roman A Mercy (Nederlandse vertaling: Een daad van barmhartigheid) lees ik als een variant op Paradise (1997). Die roman gaat over de last van de Amerikaanse geschiedenis en de poging daar bovenuit te komen. Het verhaal speelt zich af tussen 1968 en 1976 in een afgelegen vrouwenbolwerk in Oklahoma, de staat die door de erfvaders zo werd omschreven: ‘Oklahoma is een mengeling van indianen, negers en God. En de rest is veevoer.’ De roman is een pleidooi voor het overboord gooien van historische ballast die het leven in Amerika zo lang heeft verziekt, een verhalend betoog tegen zuivere bloedlijnen, onbezoedelde etniciteit, systematische rassenscheiding en religieus purisme. Een paradijs dat prikkeldraad of een hek nodig heeft is al bij voorbaat mislukt.
In A Mercy trekt landeigenaar Jacob Vaark – van oorsprong een Hollander – een zwarte smid aan die een hek om zijn erf in de Nieuwe Wereld maakt, inclusief een gulden wijnrank in de vorm van slangen. Het paradijs is bezoedeld. We schrijven 1690. Binnen dat hek leven vier vrouwen en een man: Lina de indiaanse, Sorrow de kapiteinsdochter, fiorens de jonge wees, Rebekka de echtgenote en Jacob de baas die sterft aan de pokken. Lina voorziet ‘wat een chaos en verwoesting een vrije zwarte man kan aanrichten’. De smid, die weer vertrekt, lijkt een verlosser als hij Sorrow van een ziekte geneest, maar wordt ellendebrenger omdat fiorens hopeloos verliefd op hem wordt. Inhoudelijk is Morrisons verhaal eenvoudig: fiorens wordt er met een brief op uit gestuurd om de smid weer te halen omdat Rebekka pokken heeft. Zij vindt hem, hij komt en geneest Rebekka en gaat weer terug naar huis, waar fiorens hem aanvalt omdat hij een wees in huis heeft genomen die haar jaloezie opwekt. fiorens verwondt de smid, vlucht terug naar Vaarks erf en schrijft haar verhaal op de muren en vloeren van een kamer in het pasgebouwde nieuwe huis op het erf.
Maar wie zo een roman van Toni Morrison navertelt, dat wil zeggen puur inhoudelijk, doet onrecht aan de essentie van de vertelling: de vorm. Fabel en sujet zijn bij Morrison verschillende werelden. Haar literaire wereld bestaat uit ingenieus met elkaar verweven stemmen die dwars door de tijd kunnen schieten. De stem die opklinkt in de eerste bladzijden van A Mercy is die van de zestienjarige fiorens, op weg naar de smid. De lezer tast vooralsnog in het duister omdat Morrison geen enkele context levert. Dat geeft een prettig soort verwarring en spanning. De lezer zal na het einde van de roman (aan het slot legt fiorens’ moeder uit waarom zij haar kind heeft afgestaan aan Jacob Vaark: ‘Als vrouw op deze plek ben je een open wonde die nooit geneest’) weer opnieuw moeten beginnen om te kunnen begrijpen waarom Morrison begonnen is zoals ze begonnen is, met fiorens’ dolende en verlangende ik-stem. Morrison vertelt haar verhaal ook vanuit Jacob Vaark, Lina, Rebekka, Sorrow en fiorens’ moeder. Het is aan de lezer om dat ene hij-perspectief en de vier zij-perspectieven met elkaar te verbinden. Dat werkt niet altijd. In een welhaast swingende stadsroman als Jazz (1992) lukte dat wonderwel, in A Mercy blijft de vertelling wat stijfjes, te berekenend, minder muzikaal.
Toch blijft er genoeg waardevols over in deze typische Morrison-mix van protestants christendom, heidendom, bijgeloof en lust. Boete doen, een herrijzenis, zonde, een wonderbaarlijke genezing: christelijke elementen te over in deze vertelling over het Amerika van 1690. Maar het wees-zijn is de kern van het bestaan van de vrouwen. De vrouwen zijn geïsoleerd en losgescheurd van alles en iedereen, maar ze willen wel ergens bij horen. Door de brief die fiorens bij zich draagt – later door paranoïde christenen afgepakt – voelt ze zich beschermd en opgenomen door anderen. Toch wordt ze weer (uit het paradijs) verstoten, uitgerekend door de smid, aan wie ze zich wil geven. Hij ziet haar als niet meer dan een wilde, zonder beheersing en verstand. Het tragische is dat ze zich ook zo gaat gedragen. Tegelijkertijd is fiorens een geletterde wilde en in staat op de muren en vloer van het leegstaande huis op Vaarks erf haar verhaal aan de smid te vertellen: ‘Als jij dit niet leest, leest niemand het.’
A Mercy is een verhaal over slavernij, uitlevering en onderwerping in vele gedaanten. Vormt de wereld ons of kunnen wij de wereld vormen? fiorens merkt dat ze haar omgeving niet naar haar verliefde hand kan zetten. Ze kan er later, na haar destructieve daad, wel een groot verhaal over vertellen, dat de wanden van een kamer vult. Die genade is haar, een geletterde, gegund. De ‘vrije’ smid heeft haar en haar wereld gevormd. Zij, verkochte slavin, dacht met hem vrij te kunnen zijn, maar uiteindelijk maakt ze de wereld waar ze bij wil horen kapot. En rest er niets anders dan erover te vertellen, alleen, afgewezen, als wees en schrijfster in een lege kamer.