Een oprecht gevoel voor horror

Het lijkt een postmodern kunststukje, die oeverloze beschrijvingen uit het eerste deel van Murakami’s trilogie 1q84. Maar het tweede deel maakt veel goed: dat jaagt.

Toen De Groene Amsterdammer eerder dit jaar een keur aan auteurs, publicisten, recensenten en academici aanschreef om hun te vragen wat zij de belangrijkste romans van dit millennium vonden (het resultaat was de Top-21 van de 21ste eeuw), gaf één recensent al aan dat Haruki Murakami’s 1q84 erbij moest horen. Hij had het nog niet gelezen, het was alleen in het Japans verschenen, maar het idee dat Murakami een trilogie had geschreven, meer dan twaalfhonderd bladzijdes bij elkaar, man, dat kon je niet over het hoofd zien. Dat moest wel belangrijke literatuur zijn.

Het zegt alles over de status die Murakami wereldwijd heeft vergaard. Niet alleen het publiek loopt met hem weg, ook de verliteratuurde lezers, de professionals. Nu dan the proof of the pudding, nu de eerste twee delen (429 en 382 bladzijdes) van 1q84 in Nederlandse vertaling (van Jacques Westerhoven) verschijnen bij uitgeverij Atlas, ruim een jaar voordat ze in een andere taal verschijnen.

Medium murakami 2c haruki

1q84 heeft dezelfde vorm als Kafka op het strand (uit 2005: nummertje 16 in de Top-21 van de 21ste eeuw): in afwisselende hoofdstukken volgen we de hoofdpersonen, Tengo en Aomame, wier aparte verhalen onvermijdelijk naar elkaar toe slingeren. Tengo is een personage zoals je dat van Murakami kunt verwachten, een lethargische loner die in redelijke eenvoud zijn dagen slijt. Hij doceert parttime wiskunde aan een bijlesschool, werkt in zijn vrije tijd aan een nog te publiceren roman, gaat af en toe met zijn getrouwde vriendin naar bed, hangt een beetje rond, drinkt eens een biertje, vindt het allemaal wel prima. Zijn uitgever, Komatsu, heeft een manuscript (Een pop van lucht) binnengekregen van een zeventienjarig meisje, Fukaeri, dat hij wil inzenden voor een literaire prijs. De tekst is weliswaar knullig geschreven, maar het dromerige verhaal over een gesloten gemeenschap, een blinde geit en de omineuze ‘Little People’ spreekt zo tot de verbeelding dat hij Tengo verzoekt het stiekem te herschrijven. Als vanzelfsprekend vormt er zich een vertrouwensband tussen Tengo en Fukaeri (ook typisch voor Murakami-mannen), met als gevolg dat wanneer Fukaeri in één klap een literaire ster wordt, ook hij te maken krijgt met de religieuze sekte waar Een pop van lucht over gaat. Fukaeri moet onderduiken, Tengo wordt bedreigd en voelt de 'lange en sterke’ armen van de mysterieuze Little People.

Aomame is andere koek. De roman begint als zij tijdens een file de snelweg via een noodtrap verlaat, ondanks waarschuwingen van haar taxichauffeur dat de wereld er nog wel eens 'een tikkeltje anders’ uit kan gaan zien als ze dat doet. Even later ontmoet ze een man op zijn hotelkamer en jaagt hem behendig de dood in door een soort ijspriem in zijn nek te drukken. Aomame is een sportinstructrice die bijklust voor de machtige Oude Dame, die haar voorziet van namen van mannen die het verdienen 'naar de andere wereld geholpen’ te worden, vanwege verkrachtingen en huiselijk geweld, waar beide vrouwen indirect slachtoffer van zijn geweest. Het is de Oude Dame die Aomame op het spoor zet van De Leider, de pedofiele hoofdman van dezelfde religieuze sekte waar Fukaeri voor op de vlucht is.

Murakami heeft zichtbaar lol met dit duo. Tengo’s passieve instelling is een vehikel voor zijn droogkloterige gevoel voor humor, terwijl hij van Aomame een overtreffende trap heeft willen maken van de hackende, kontschoppende vrouwenverkrachterswreker Lisbeth Salander (hun magere fysieke voorkomen is identiek) uit de Millennium-trilogie van Stieg Larsson. Murakami grossiert in zinnen als: 'Er zijn misschien mensen die harder trainen dan Aomame om een man voor zijn kloten te kunnen trappen, maar die kun je dan wel op de vingers van twee handen tellen.’

Daarnaast, want Murakami zou Murakami niet zijn als hij niet verlangde naar dat platonische ideaal van liefde, van twee helften die elkaar zoeken, wordt duidelijk dat Tengo en Aomame ooit een onuitgesproken kalverliefde deelden. Het is Aomame die merkt dat er iets niet klopt. Ze weet dingen die ze niet hoort te weten, politieagenten dragen andere uniformen en, minor detail, opeens staat er een tweede maan in de lucht, waar niemand anders dan zij van lijkt op te kijken. De wereld waar ze in leeft, bedenkt ze, is niet 1984, maar '1q84’ ('qutienvierentachtig’). De q staat voor question mark.

In het eerste deel van 1q84 vind je alle vaste hang-ups van Murakami. Er worden maaltijden bereid, er is wat expliciete, betekenisloze seks, onschuldige meisjes plegen zelfmoord, er wordt gerefereerd aan de Tokiose studentenonlusten van de jaren zestig, klassieke componisten en jazzmuzikanten worden besproken. Terra cognita voor de fans. Maar ook grossiert het in onzin, oeverloze beschrijvingen van dingen die er niet toe doen. Ineens heeft Murakami de nare gewoonte evidente dingen te benoemen en elk hoofdstuk met een herhaling van het vorige te beginnen. Het sloopt het tempo uit het boek.

Waarom is het zo ongecontroleerd, zo niet-precies geschreven? Murakami is, dat staat buiten kijf, gewoonweg te goed om gedachteloos zinnen op papier te zetten. Er moet dus een keuze aan ten grondslag liggen, zou je zeggen, zeker omdat het tweede deel aanzienlijk minder oeverloos is. Je zou bijna denken dat hij bewust zijn roman ontregelt - een beetje zoals Marja Brouwers deed in haar Casino (2005), door haar lezers niet de makkelijk te consumeren good read voor te schotelen, maar een hoekige vorm te kiezen, eentje waarbij je wordt aangesproken mee te denken. Voor Murakami geldt dit des te meer omdat een groot stuk van het eerste deel gaat over lezersbedrog. In hun gesprekken klagen Tengo en zijn uitgever Komatsu herhaaldelijk over de slappe leescultuur die vandaag regeert in de boekwinkels. Mensen lezen bepaalde titels 'omdat iedereen ze leest’ en ze niet achter willen blijven bij de buren, en denken nauwelijks nog na of wat ze lezen literatuur is of pulp.

In het eerste deel schuurt Murakami akelig dicht tegen pulp aan, of de boeketreeks. Misschien wil hij een punt maken. Misschien stond zijn vizier nog niet helemaal scherp. Het gevolg is wel, dat moet gezegd, dat het eerste deel soms dodelijk saai kan zijn. (Het tweede deel maakt dat goed: dat jaagt. De beschrijvingen zijn scherper - al zijn ze niet zo haarfijn als je gewend bent -, de spanning is drukkender, bijna elk hoofdstuk eindigt met een cliffhanger. Bijna ouderwets goed.)

Literatuur speelt een belangrijkere rol in 1q84 dan ze tot nu toe in zijn oeuvre heeft gedaan. Eerder functioneerde ze meer als klankbord, titels werden, net als bepaalde muziekstukken, en passant genoemd om een bepaalde sfeer te creëren. In Norwegian Wood (1987) bijvoorbeeld, zijn louterend weemoedige roman over verloren liefde, refereren de personages herhaaldelijk aan The Great Gatsby, F. Scott Fitzgeralds ode aan de onmogelijkheid om oude liefde te doen herleven; in De jacht op het verloren schaap (1982) leest de hoofdpersoon The Adventures of Sherlock Holmes terwijl hij zelf midden in een soort metafysisch detectiveverhaal zit. In 1q84 gaat Murakami wel op de inhoud van de boeken af en zet ze in om de drijfveren van zijn personages te verklaren.(Carl Jungs theorieën over licht en schaduw - 'De Schaduw is net zo kwaadaardig als wij positief zijn. Hoe wanhopiger wij ons best doen om goede, prachtige, volmaakte mensen te worden, hoe duidelijker de Schaduw de wil ontwikkelt om zwart en kwaadaardig te zijn’, zegt een van Aomame’s slachtoffers - worden gebruikt om de arbitraire grens tussen Goed en Kwaad te benoemen.) Maar ook functioneren de boektitels als leesgids voor 1q84 zelf. Als Aomame een revolver krijgt van de assistent van de Oude Dame, Tamaru, haalt hij er een citaat van Tsjechov bij: 'Als er in een verhaal een pistool voorkomt, moet dat ook worden afgevuurd.’ Tamaru legt uit dat Tsjechov bedoelde dat een goede auteur nooit voorwerpen ten tonele voert die niet gebruikt zullen worden, een goede schrijver leert alle onnodige opsmuk uit zijn verhalen te weren. Aomame en Tamaru komen er verschillende keren op terug, tot Aomame het als uitdaging gaat zien om Tsjechov in het ongelijk te stellen.

De niet te missen ironie is dat het eerste deel van 1q84 van opsmuk aan elkaar hangt. Een dikke vette knipoog. Het lijkt een heel postmodern kunststukje, om de lezer erop te wijzen dat hij leest, dat het fictie is, maar Murakami is een te serieuze auteur om een robbertje metafictioneel bewustzijn te spelen: hij komt ermee weg omdat het verhaal en de personages toch overtuigen. Ze komen tot leven. Als in het tweede deel hun leven langzaam verbrokkelt, leef je mee. Zowel de liefde als de leegte van Aomame voel je. En als de Little People hun entree maken - à la de film The Ring - geeft dat een oprecht gevoel voor horror. Dat is het talent van Murakami.

Maar het literaire werk dat boven 1q84 hangt (als een tweede maan) is natuurlijk Nineteen Eighty-Four, George Orwells meesterroman over dictatoriale regimes. Hoewel hij jarenlang niets met zijn vaderland te maken wilde hebben, is Murakami steeds meer een Japanse schrijver geworden - in eerdere werken kwam het oorlogsverleden al aan bod, de terroristische aanslag op de Tokiose metro (Underground), de aardbeving in Kobe (After the Quake) en het hoofdstedelijke nachtleven (het matige After Dark, zijn voorlaatste roman). In 1q84 past hij het tegenovergestelde van totalitarisme toe op Japan: niet Big Brother regeert, maar de Little People. Het is niet terreur van de staat, maar van de kleine hardhandige subgroepjes die hun wil opdringen aan de gefragmenteerde, hypergeïndividualiseerde samenleving. Zijn Winston Smiths zijn zij die zich verzetten, tegen wil en dank, door verliefd te worden. Net als Orwells held. Of ze het redden lezen we in het voorjaar van 2011, als de vertaling van het derde deel verschijnt.


Beeld: (CéDriC mArtiGny)