Een opschepper tussen de burgermannetjes

David Barnouw, Rost van Tonningen: Fout tot het bittere einde. Uitgeverij Walburg Pers, 147 blz., f34,50
TERUGBLIKKEND vanuit ons zo comfortabele tijdsgewricht kan men de Nederlandse collaborateurs tijdens de Duitse bezetting nog het beste typeren als a sorry lot. Ze hesen zich dan weliswaar in martiale uniformen, schreeuwden de vreselijkste dingen en deden hun best de bezetter ter wille te zijn - het waren merendeels potsierlijke kereltjes die vrijwel al hun plannen in duigen zagen vallen. Het burgermannetje Mussert werd door de Duitse roverhoofdmannen nauwelijks serieus genomen en had zo goed als geen macht. Zijn trouwe handlanger Van Geelkerken - ‘Kees de Prater’ - was nog onbeduidender dan z'n baas. De gesjeesde student Feldmeyer ging zich als leider van de Germaanse SS vooral te buiten aan bacchanalen en werd kort voor het einde door een Spitfire aan flarden geschoten. Boerenleider Roskam werd door zijn gedweep met de Blut und Boden-mythe zelfs in eigen kring zo weinig serieus genomen dat hij als Sinterklaassurprise een bloempot vol prut met daarop een plak bloedworst in ontvangst mocht nemen.

De enige met iets dat zeer in de verte op allure leek was Meinoud Rost van Tonningen. Vorig jaar verscheen het tweede en laatste deel van de uitgebreide correspondentie die hij heeft gevoerd. De bezorger van deze brieveneditie, de bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie werkzame David Barnouw, heeft zojuist een overzichtelijke en goed geschreven biografie van Rost gepubliceerd.
De in 1894 geboren Rost van Tonningen was van goede komaf. Zijn vader sloot zijn militaire carriere af als bevelhebber van het Knil en raadde zijn zoon af ook officier te worden - gezien de lamlendige en krenterige mentaliteit der Nederlanders viel daar geen eer aan te behalen. Na een mislukte ingenieursstudie ging Rost rechten studeren. Hoewel een hoogleraar hem in een aanbevelingsbrief aanprees als een ‘first rate man, excellent character and brains’, viel het hem niet mee om een werkkring te vinden. Uiteindelijk zou hij geruime tijd voor de Volkenbond werken, met als standplaats Wenen, broedplaats van nationaal-socialisme en antisemitisme. Rost werkte daar veel nauwer samen met Dollfuss - de klerikaal-fascistische Oostenrijkse kanselier - dan het een diplomaat betaamde. Later heeft Rost dit zwaar overdreven, en deed hij het voorkomen alsof hij zowel de binnen- als buitenlandse politiek van Oostenrijk had gedicteerd.
Toch is deze periode zeer bepalend geweest voor de rest van zijn levensloop: 'Ik ben Nationaal-Socialist geworden door de aanschouwing van den heldhaftigen titanischen strijd der Oostenrijkers en door de lezing van “Mein Kampf” in een enkelen nacht.’ In een nacht? Wie het magnum opus van de politieke essayist A. Hitler wel eens ter hand heeft genomen, beseft dat opscheppen een van de belangrijkste karaktereigenschappen van Rost van Tonningen moet zijn.
HOE DAN OOK, Rost keerde in 1936 naar Nederland terug als een overtuigde nazi en antisemiet. Hij sloot zich aan bij de NSB en na een maand werd hij hoofdredacteur van Het Nationale Dagblad, de nationaal-socialistische partijkrant. In 1937 werd hij gekozen als lid van de Tweede Kamer en begon hij aan de opbouw van het pensioen waarover later nog zoveel heisa zou ontstaan. Zijn parlementaire optreden getuigde overigens niet bepaald van zijn deftige afkomst. Als enige parlementarier uit de geschiedenis werd hij wegens wangedrag uit de Kamer verwijderd, waarbij het zelfs tot een handgemeen kwam.
Niet alleen in de volksvertegenwoordiging was Rost een buitenbeentje, ook in de NSB zelf. In tegenstelling tot Mussert was Rost een overtuigde nazi, een man die dweepte met de Germaanse mystiek en met halfgoden als Hitler en Himmler. Mussert had te kampen met een schreeuwend tekort aan goed partijkader en was aanvankelijk heel blij met Rosts lidmaatschap. Maar volgens Barnouw had hij al spoedig 'spijt van dit radicale koekoeksjong in zijn kleinburgerlijk-fascistische NSB-nest’.
Na de Duitse overval op Nederland werd Rost Kommissar fur die marxistischen Parteien, met als taak het 'gelijkschakelen’ van de sociaal-democratie. Nadat dit op een grandioos fiasco was uitgelopen, richtte hij zich op de sociaal- economische sector. Afgaande op de functies die hij bekleedde - president van de Nederlandsche Bank, waarnemend secretaris-generaal van Financien, secretaris-generaal voor Bijzondere Economische Zaken, hoofd van het Economisch Front der NSB en president van de Nederlandsche Oost Compagnie - zou men kunnen denken dat hij een centrale rol speelde in de Nederlandse economie, maar uit zijn correspondentie blijkt het met zijn macht wel mee te vallen.
Zijn grote rivaal was de veel bekwamere Hirschfeld, secretaris-generaal van Economische Zaken, die in de ogen van de Duitsers zo onmisbaar was dat zij door de vingers zagen dat hij volgens de rassenwetten van Neurenberg een 'half-jood’ was. Hoewel Rost op zijn manier z'n best deed om de Nederlandse economische belangen te behartigen, had hij weinig invloed op het beleid van de bezetter, die het land eenvoudig wilde leegroven.
ROST WERD NIET alleen verafschuwd door de overgrote meerderheid van de bevolking, ook binnen de NSB had hij weinig vrienden. De kliek rond Mussert wantrouwde hem vanwege zijn SS-sympathieen en omgekeerd zag hij in Mussert en diens getrouwen voornamelijk bange burgermannetjes, opportunisten, baantjesjagers en zakkenvullers. Toen hij de eed op Mussert moest afleggen, maakte hij een voorbehoud; zijn eed op de Fuhrer zou boven alles gaan. Mussert was in zijn ogen veel te slap, onder andere omdat hij toestond dat tal van half- of kwart-joden hoge posten bekleedden. Overigens was 'raszuiverheid’ een pijnlijk punt voor Rost, die niet tot de SS werd toegelaten omdat hij enkele delen Aziatisch bloed of zelfs 'negerbloed’ in zijn aderen zou hebben.
Terwijl zijn eerste vrouw, van wie hij al voor de oorlog gescheiden was, samen met zijn oudste dochter in het verzet zat, gingen Rost en zijn tweede vrouw om met lieden als Himmler, Seyss-Inquart en Rauter. Ideologisch paste hij volkomen in dat milieu. Of hij geweten heeft van de 'Endlosung’ is niet met zekerheid te zeggen, maar het kan bijna niet anders. Reeds in het voorjaar van 1942 pleitte hij zelf voor uitroeiing van de joden, in zijn ogen 'ongedierte’. Als fanatieke nazi bleef Rost geloven in de Duitse Endsieg en in de onfeilbaarheid van Hitler. Na de invasie in Normandie leek hij elk begin van twijfel te willen overschreeuwen. Toen een kameraad hem vroeg of hij in geval van een nederlaag zelfmoord zou plegen, ontkende hij dat ten stelligste. Op dat moment hield hij wel al rekening met een gedeeltelijke bezetting van Nederland door de geallieerden. Hij was van mening 'dat elke Nationaal-Socialist zich zal hebben dood te vechten’, omdat men van een zo onmenselijke vijand niets te verwachten had. Overigens verwachtte hij niet dat de geallieerden tot het bittere einde zouden doorvechten.
Rost mocht zich dan willen doodvechten, erg lukken wilde dit niet. Al in februari 1941 had hij zich aangemeld voor de Waffen-SS, maar zoals gezegd was hij daar afgewezen wegens een onzuivere stamboom. Pas na D-Day mocht Rost zich in militair uniform hijsen, en volgde hij een officiersopleiding bij de Landstorm. In zijn brieven beschrijft hij met bombarie zijn motieven en het belang van de militaire dienst, maar een erg ijverige recruut bleek hij niet te zijn. Niettemin werd hij op 4 augustus bevorderd tot Untersturmfuhrer der Reserve. Na Dolle Dinsdag stortte het bestuursapparaat vrijwel volledig in; de vele functies van Rost hadden geen enkele betekenis meer. In maart 1945 vertrok hij als SS-Hauptsturmfuhrer naar het front in de Betuwe.
Na op 8 mei door de Canadezen krijgsgevangen te zijn gemaakt, werd hij overgebracht naar de gevangenis in Utrecht. Hier schreef hij op verzoek van de Canadezen een Engelstalig memorandum, waarin hij zich zelf afschilderde als 'profoundly religious’: als onbaatzuchtige idealist had hij zijn leven lang gevochten tegen onrecht, leugens en bedrog. Hij werd overgebracht naar de strafgevangenis van Scheveningen en kwam daar op 6 juni 1945 om het leven. 'Zelfmoord’, luidde de officiele lezing, hoewel zijn weduwe tot op de dag van vandaag volhoudt dat hij is vermoord. Aanwijzingen daarvoor zijn er volgens Barnouw echter niet.