World Cinema: ‘Nadie’ en ‘Adolece’

Een oud geweten en jonge weemoed

Hoe is het leven in het museum van het wereldsocialisme? Twee films tonen een zonnig Cuba waarvan de ideologische aantrekkelijkheid is verbleekt.

Op 19 juni van dit jaar is de Cubaanse dichter en romanschrijver Rafael Alcides overleden. Gelukkig heeft hij nog net de prachtige documentaire over zijn leven en werk kunnen zien die de Cubaanse cineast Miguel Coyula heeft gemaakt en die nu op World Cinema Amsterdam te zien is. Nadie heet die film, Niemand dus, naar een gedicht van Alcides zelf en tevens zeer op de auteur van toepassing. Want – eens vereerd en populair als revolutionair auteur op Cuba – werd hij in 1968 voor het regime van Fidel Castro opeens een non-person.

Dat was nadat Alcides zich had uitgesproken tegen de interventie van de landen van het Warschaupact tegen de Praagse lente. Die lente was, historisch gezien, de laatste geloofwaardige poging om aan het door Moskou gedecreteerde socialisme naar sovjetmodel nog een idealistisch, ‘menselijk’ gezicht te geven. Castro, die ‘zijn’ revolutie in de voorgaande jaren hoe langer hoe meer had vormgegeven naar sovjetmodel en sovjet-instructies, had die interventie uitvoerig geprezen, als een slag tegen een dreigende contrarevolutie in Tsjechoslowakije.

Alcides is ook een van de weinige Cubanen die de documentaire over zijn leven heeft kunnen zien. Want toen de film in april van dit jaar in Havana in première zou gaan in een kunstgalerie – aan vertoning in een filmtheater viel bij deze film die zonder overheidsbemoeienis tot stand was gekomen niet te denken – sloot de geheime dienst van het regime een hele stadswijk af om te verhinderen dat potentiële toeschouwers de galerie zouden kunnen bereiken. Gelukkig staan delen ervan nu op internet, zodat Cubanen met veel geduld – gezien de lage downloadsnelheden op het eiland – zich er een indruk van kunnen vormen.

Een in ongenade gevallen dichter die zich opwerpt als het geweten van de natie. Een geheime politie die door de blokkade van een hele stadswijk wil laten zien hoe de machtsverhoudingen liggen. Dat ruikt allemaal heel erg naar Oost-Europa in de jaren zeventig en tachtig toen – net als op Cuba nu – zelfs de machthebbers niet meer geloofden in hun eigen politieke retoriek, om over de door economische tekorten en demoralisatie geplaagde bevolking nog maar te zwijgen. Die gelijkenis is natuurlijk ook niet toevallig: Cuba is een soort museum voor de maatschappijvorm die voor 1989 door zijn laatste adepten wel eens ‘het reëel bestaande socialisme’ werd genoemd en die na de val van de Muur overal elders bij het oud vuil is gezet – als we de varianten in China en Noord-Korea even buiten beschouwing laten.

En het regime neemt, zo blijkt, deze museumfunctie zeer serieus. De al sinds de jaren negentig lopende, vruchteloze pogingen om het Cubaanse socialisme te versterken door het mondjesmaat toelaten van particulier ondernemerschap gaan deze maand een nieuwe fase in, als in de Cubaanse grondwet bepalingen over privébezit worden geïntroduceerd – het formele einde dus van het staatsmonopolie in de economie. Deze ‘hervormingen’ lijken als twee druppels water op de pogingen onder sovjetleider Michail Gorbatsjov om eind jaren tachtig door zorgvuldig gereguleerd particulier ondernemerschap de economie weer vlot te trekken. Vermoedelijk hebben ze ook hetzelfde resultaat: geen. In een structuur waar het opgeblazen overheidsapparaat leeft bij de gratie van een imaginaire gesocialiseerde economie, zal ieder succesvol initiatief in de kiem gesmoord worden. Net als in Oost-Europa voor 1989 zijn de mogelijkheden van het model tot zelf-generatie uitgeput, hoeveel duizenden, per bus aangevoerde demonstranten met uitgekiende, enthousiaste slogans er ook op de been worden gebracht.

Literatuur wordt in Cuba nog steeds als een potentieel gevaar gezien – en dus, in zekere zin, serieus genomen

‘Ze hebben het verkloot’, zegt Rafael Alcides in Nadie over zijn voormalige mede-revolutionairen. Het is een plezier om naar hem te luisteren, over poëzie, over de schoonheid van vrouwen, en dan natuurlijk ook over politiek. De oorsprong van de verwording van de Cubaanse revolutie ligt voor hem in het feit dat Fidel Castro en zijn guerrillero’s van het platteland afkomstig waren. Revolutionairen zoals hij zelf, jarenlang betrokken bij de stadsguerrilla tegen het bewind van de in 1959 gevluchte dictator Batista, hadden een heel andere benadering en meer begrip voor de complexiteit van de Cubaanse samenleving, meent hij. Castro’s kompanen waren fanatici van het grote gebaar en schroomden ook niet om het er, na de verovering van de macht, goed van te nemen.

Alcides daarentegen woonde, blijkens de film, al vele jaren in een soort kelderwoning, waar hij sinds zijn royement uit de Cubaanse schrijversbond vlijtig voort heeft geschreven. Voor de bureaulade, noem je dat, met dien verstande dat hij te veel heeft geschreven om het nog in een lade op te bergen. Grote, welgevulde mappen van goedkoop papier, boordevol manuscripten, omringen de dichter achter zijn oude schrijfmachine. Hij vertelt hoe hij onlangs het voornemen had verder te werken aan een ouder manuscript, een roman. Tenslotte zijn in Spanje de laatste jaren mondjesmaat gedichten van hem uitgegeven – misschien was er ruimte voor een roman. Maar het plan kon niet doorgaan. De slechte kwaliteit van papier en inkt waarmee hij jarenlang in eenzaamheid had geschreven, zorgde ervoor dat hij zijn eigen manuscript niet meer kon lezen.

En nu is hij dus overleden, op 95-jarige leeftijd. De film die Miguel Coyula over hem heeft gemaakt, is nogal romantiserend van opzet – wat fragmenten uit Citizen Kane of Metropolis met het onderwerp te maken hebben, wordt niet geheel duidelijk. Maar gevoelvol is het wel en bij het portret van een dichter, tot stand gekomen in een dictatuur, moeten we iets door de vingers zien. Na de slecht bezochte begrafenis van Alcides wilde een groepje schrijvers een herdenking organiseren, onder de titel Palabras excluidas (Buitengesloten woorden), maar de Cubaanse staatsveiligheidsdienst pakte uit voorzorg de voornaamste deelnemers op, zodat ze zich niet naar de bijeenkomst konden begeven. Je kunt veel zeggen van het Cubaanse regime, maar net als vroeger in Oost-Europa wordt literatuur er nog steeds als een potentieel gevaar gezien – en dus, in zekere zin, serieus genomen.

World Cinema Amsterdam

Van 16 tot 25 augustus vindt World Cinema Amsterdam plaats, een filmfestival dat de thuisblijver meeneemt naar Afrika, Azië en Latijns-Amerika. WCA kent een aantal vaste onderdelen: het competitieprogramma (negen genomineerde films strijden om de World Cinema Jury Award), Special Screenings, Open Air en natuurlijk een focusprogramma. Dit jaar staat de Cubaanse cinema centraal. Adolece en Nadie zijn onderdeel van dat thematische zwaartepunt CineCuba.
De kaartverkoop start deze week. Voor meer informatie zie: worldcinemaamsterdam.nl

Hoe het is om te leven in het Cubaans museum van het wereldsocialisme schemert door in Adolece, een kleine, sympathieke documentaire van de Cubaan Daiyan Noa Brandford. De film volgt een vijftienjarig meisje op de drempel van de volwassenheid: ze moet eindexamen doen en een vervolgstudie kiezen. Of liever gezegd: de overheid kiest voor haar, maar ze mag wel een voorkeur uitspreken. Haar eigen keuze is industriële vormgeving, maar het wordt filosofie – tot haar groot verdriet.

Bij dit alles valt vooral op hoe hol het is en van de werkelijke verhoudingen losgezongen. In een land waar de industriële basis zo zwak is dat het autoverkeer op straat nog voor een belangrijk deel bestaat uit Amerikaanse sleeën van vóór 1959 en door grote broer Sovjet-Unie geïmporteerde Lada’s, lijkt de betekenis van het vak ‘industriële vormgeving’ betrekkelijk imaginair. Maar filosofie is nog erger natuurlijk – dat komt in deze laatste volksdemocratie naar sovjetmodel bijna uitsluitend neer op het conformistisch herkauwen van het gelijk van Marx en Engels, waarin ook op Cuba inmiddels niemand meer gelooft.

Toch is Adolece een vrolijke film: er wordt in het één-oudergezin waarin het meisje opgroeit heel wat afgedold door de kinderen onderling, de moeder is een sympathieke figuur en het uniform waarin het meisje naar school gaat is onberispelijk gewassen en gestreken. Er is alleen voor het meisje – en daarmee, lijkt de filmer te willen zeggen, voor heel Cuba – geen toekomst meer waarnaar je zou kunnen uitkijken, waarin je je tanden kunt zetten.

Hoe lang blijft Cuba, als museum van het sovjetmodel van socialisme, eigenlijk nog open? Dat is moeilijk te zeggen. De Amerikaanse president Barack Obama had op de valreep van zijn presidentschap de sinds de jaren zestig bestaande Amerikaanse blokkade verzacht, maar zijn opvolger in het ambt schijnt daar niets van te willen weten. De kans op een geleidelijke overgang van Cuba naar de werkelijke wereld is daardoor vermoedelijk niet groter geworden. Fidel Castro is dood, zijn broer Raúl heeft inmiddels ook alweer het stokje doorgegeven.

De ideologische aantrekkelijkheid van Cuba voor de buitenwereld is sedert lang verbleekt. In de jaren zeventig en tachtig wilden sommige westerse intellectuelen in het zonnige eiland, met zijn warmbloedige bevolking, nog wel eens een ideologisch alternatief zien voor de grauwe straten van Oost-Berlijn of Leningrad, waarop het sovjetsocialisme was uitgelopen. Daar is niets van over: de toeristen uit Europa die Cuba bezoeken hebben misschien wel een vage bewondering voor het eiland dat al zo lang de Amerikaanse blokkade trotseert, maar minstens zoveel waardering voor de charmes van de lokale vrouwelijke bevolking.

Wat blijft is het soort weemoed dat past in een museum: voor de hoogstaande ideologie van socialisme die rechtvaardigheid en gelijkheid en saamhorigheid beloofde en waarin – ondanks alle repressie, corruptie en armoede waarin die is ontaard – miljoenen mensen in de wereld de hele twintigste eeuw door geloofd hebben. Zo’n machtig, menslievend ideaal bestaat er in de wereld van vandaag niet meer – ook al doen ze op Cuba nog een beetje alsof.