Nabokovs laatste is een verschrikkelijk document, en hartverscheurend

Een oude doler

Toen ik het winkelpapier van de nieuwe, postume Nabokov eraf scheurde, gleed er een grote, glanzende zwartwitfoto uit. Hij moet ergens gemaakt zijn tussen 1959 en 1969, de jaren waarin hij het toppunt van zijn roem behaalde, tussen het verschijnen van Lolita en Ada in.

Nabokov op z’n best, in full bloom, in zijn smoking met vlinderstrik en een (iets te grote) pochet. Een aantrekkelijke man, ietwat autoritair, zelfbewust, krachtig en van stand.

Mijn hart sprong op van vreugde: een nieuwe Nabokov! He is not dead. He lives! zoals Keats over zijn vriend Shelley uitriep. De wereld was nog heel en Vestdijk en Hermans en de beide Van het Reves leefden nog en de revolutie hing in de lucht. Elk ogenblik kon een nieuwe roman van Nabokov het licht zien. Het waren mooie dagen.

Natuurlijk realiseerde ik me in een oogwenk dat het hier een heel ander boek betrof, een postuum boek, want Nabokov was al in 1977 gestorven. Maar toch, een niet volledige roman, waarvan de titel als in een droom verwijst naar het onsterfelijke Lolita, een nieuw al dan niet voltooid boek, een roman, die de sleutel tot al Nabokovs werk zou bevatten, de kern van zijn oeuvre.

Na lezing is de teleurstelling groot. Dmitri Nabokov, de zoon en het enige kind van de Nabokovs, mag al jaren hoog en laag springen in de publiciteit en aan wie het maar horen wil verzekeren dat hij de laatste roman van zijn vader onder zijn hoede heeft, Het origineel van Laura is géén roman, met de beste wil van de wereld niet. Niet omdat het boek aan geen enkele regel van de roman gehoorzaamt, want zulke regels bestaan niet, maar omdat het toevallige, chaotische aantekeningen zijn, opgetekend door een man in de laatste fase van zijn leven. En ja, vertelt de ijdele Dmitri ons in het nietszeggende voorwoord gretig, papa ging altijd zo gauw mogelijk van tafel om aan zijn laatste roman te schrijven. Nee, beste Dmitri, je vader ging zo gauw van tafel omdat hij niet tegen jullie geklets kon, omdat hij stervende was en het liefst ver van de wereld nog een vermoeden van privacy wilde behouden, een verreikend landschap dat niets dan paradijs was. Hij was eenzaam zoals iedereen die op het punt staat te sterven, zo eenzaam als Tolstoj’s Iwan Illjitsj, de klaagzang van een ten dode opgeschrevene.

Het origineel van Laura is een verschrikkelijk document. Het boek bestaat uit ongeveer honderdvijftig fichekaarten, die koppig de hoofdstukken door blijven nummeren, zodat de indruk wordt gewekt dat hier een doorlopend verhaal wordt verteld. Nabokov beweerde altijd op fichekaarten te schrijven, waarvan hij er ’s morgens, op het punt de deur uit te gaan, enkele in zijn zak liet glijden opdat hij op het juiste moment niet zonder gereedschap zou komen te staan; als hij bijvoorbeeld een vrouw in bontjas zag, die met haar kleine pirouette-hondje een te krappe telefooncel probeerde uit te komen. Hij noteerde dan het tafereel.

Het zien van de fichekaarten, met potlood beschreven, veroorzaakt een rare ontroering. Omdat hij te gierig was om een mooie Mont Blanc te kopen? Nee, omdat hij net zoals andere Russen wist dat inkt verbleekt met de jaren, niet op grote hoogte bestand is tegen druk, en vlekt. Met het potloodhandschrift kom je al zo dicht bij Nabokov als maar mogelijk is. Het is, al lezende, of je je gauw uit de voeten moet maken voordat hij eraan komt.

Het moet De Bezige Bij worden nagegeven dat ze met Het origineel van Laura misschien wel het mooiste boek uit hun fonds hebben uitgegeven. Het is zwart met een sober omslag, zwart zijn de vier schutbladen, grijs en dik de pagina’s met de fiches erop, kleurenreproducties van de fichekaarten die Nabokov gebruikte. De kleurenreproducties zijn nota bene geperforeerd, zodat je ze er met beleid uit kunt lichten. Eén zwartwitfoto van Nabokov zelf, ingenaaid, hardcovered. Schitterend. Een product voor mijn leven, al noemen sommige ontevredenen het een ‘gadget’.

Waarom is Het origineel van Laura zo’n verschrikkelijk document? Omdat je er Nabokov, ik had het al over de levensechte fichekaarten, tot op z’n diepst leert kennen, tot op het bot, tot op het been – en dan zonder het florissante van het leven van deze florissante man.

Het boek begint in medias res, als de lezer kennismaakt met een zekere Flora, 24 jaar oud en beeldschoon. Ze is een door en door lichtzinnig wezen dat ons al in de eerste scène inwijdt in het moderne leven. Van Londen? Van Parijs? Van Nice? Ze heeft talloze minnaars, ze hoeft er maar een te kiezen voor de desbetreffende avond. Haar die avond thuisgebleven man is schatrijk, wereldberoemd als schrijver, stokoud (tegen de tachtig) en gierig wat het huishouden betreft. Hij wacht haar in de vroege ochtenduren op voor de trappen van hun villa, in pyjama, met de kat aan een lange lijn. Vervolgens wordt kort de familie van Flora geschetst, haar grootvader, haar vader die ze nooit had gekend omdat hij zich vroegtijdig door het hoofd schoot, hoofdzakelijk vanwege twee schandknapen, en de verhuizingen van Flora en haar moeder totdat ze zich ten slotte in Sutton, Noord-Amerika vestigen. Het is een introductie in vogelvlucht die Nabokov geeft, een begin van een geschiedenis waar je niet wijzer van wordt, niet eens spannend. Ook al wordt Flora’s schoonheid tot in de kleine details uit de doeken gedaan, het geheel blijft plat, brokkelig, decadent, een vage echo van de brille uit Ada. Het zijn eerder fragmenten van de roman die Nabokov in zijn hoofd heeft, deeltjes die hij niet wil vergeten, ingevingen, (niet leuke) grapjes Zo komt er bijvoorbeeld een bijfiguur voorbij die Flora probeert te verleiden, een oude man al, die Mr H. Hubert heet, en nog zo’n paar verwijzingen.

Maar tussen dat alles door glimt er ook iets van een plan dat Nabokov heeft met het boek. En passant duikt er een ‘ik’-figuur op, die de eerste anonieme minnaar is uit de liefdesscène van de eerste pagina’s. Deze man zal een boek schrijven dat Laura heet en dat rechtstreeks op Flora geënt is. Hij blijft ver weg in het boek, zoals een alleswetende verteller. Uit Flora ontstaat Laura, Nabokov veroorlooft zich zelfs een ongewenst grapje door over Flaura te praten.

Daarmee zijn we beland op ongeveer vijftig pagina’s, in gewone tekst, slordig en door elkaar gehaald proza, waarin de contouren van een echte, nabokoviaanse roman, slechts vaag zichtbaar zijn. De rest zat in zijn hoofd.

En dan, plotseling, is er geen touw meer vast te knopen aan het geschrevene. Flora en al haar minnaars zijn uit het zicht verdwenen en in plaats daarvan neemt een ik-figuur de vertelling over die, met de beste wil van de wereld, met niemand anders te vergelijken is dan met de werkelijke Nabokov, die ziek, onsamenhangend, verward en aan het eind van zijn krachten is. Het is de enige kaart die een datering geeft, 18 december 1975. Zoon Dmitri geeft in zijn onbenullige voorwoord aan dat zijn vader in 1975, tijdens een vlinderjacht op de hellingen van Davos, gevallen is en dat het daarna eigenlijk niet meer goed gekomen is met hem.

Zonder enige terughoudendheid begint Nabokov te mijmeren over hoe hij het beste sterven kan. Hij besluit tot het doelbewust verlammen van zijn hele lichaam, louter op wilskracht. Hij begint met de tenen – en warempel zijn tenen worden wit, hij heeft er geen gevoel meer in en daarom valt hij pardoes voorover op de badkamervloer. Vervolgens begint hij aan zijn organen – ze uitschakelen via een steeds ingenieuzer wordend, zuiver geestelijk patroon. ‘Ik verfoei ze, mijn buik, die koffer darmen die ik mee moet sjouwen, en alles wat daarmee samenhangt – het verkeerde eten, het maagzuur, de loden last van de verstopping, en anders wel de indigestie waarbij drie minuten voor een stipte afspraak een eerste voorschot op de hete smeerboel in een openbaar toilet bij me naar buiten stroomt.’ Terwijl hij zo rondstumpert in zijn oude huis krijgt hij nog even de herinnering – ‘dá’s waar ook’ – dat hij aan een roman bezig was. Hij noteert nog snel dat dit alles van de aftakeling maar aan Philip Wild moet worden toegeschreven, maar het is een heilloze weg. De aanstaande dood – de zijne! – laat zich niet meer wegschrijven, hij is de weg kwijt, hij doolt in een schimmig rijk waar hij de weg niet kent. Hij haalt Nietzsche aan: ‘Volgens Nietz(s)che moet de mens met een zuivere wil (…) beseffen dat er gepaste tijd is om te sterven.’ Zoals Nietzsche vindt ook Nabokov de gepaste tijd niet, Laura zal nooit het licht zien. Zijn dood heeft hem gepakt op het moment dat hij van het verdovingsmiddel van de anesthesist aan het herstellen is. Het liefst wil hij, zoals genoteerd op de laatste fichekaart: ‘Uitwissen, weghalen, verwijderen, tenietdoen, wegvagen, vernietigen, uitvlakken’.
De tweede helft van het boek is hartverscheurend en onttakelend. Je kijkt naar een oude man, dolend, de weg kwijt, zich flarden herinnerend van een boek waaraan hij werkte, soms bang en in paniek, niet meer de baas over zichzelf. Ik weet niet of ik het boek in Dmitri’s geval, tegen de uitdrukkelijke wens van zijn vader in, gepubliceerd zou hebben. Ik denk het niet. Het is te privé, het is te lelijk. Maar ik heb Dmitri altijd al een ijdele kluns gevonden. In geen enkel opzicht zijn vader, de meest joyeuze en gereserveerde schrijver van de twintigste eeuw.

VLADIMIR NABOKOV
HET ORIGINEEL VAN LAURA
Vertaald door Rien Verhoef,
De Bezige Bij, 282 blz., € 29,90