Wereldmuziek

Een oude stem moet op gang komen

Muziek: Boubacar Traoré, Mory Kanté, Khaïra Arby

Het Belgische wereldmuziekcircuit heeft maar weinig van doen met de dorre parochiesfeer waarin de wereldmuziek in Nederland doorgaans gevangen lijkt. Als in het karaktervolle Zuiderpershuis in Antwerpen – een krachtcentrale uit 1883, herbestemd tot «we reldculturencentrum» – een Malinese singer/songwriter concerteert, dan is het stijf uitverkocht. Inclusief commotie over niet opgehaalde kaarten en een overvol café waar het bruist van opgewonden anticipatie bij jong en oud, studerend en carrière makend, alternatief en classy.

Wanneer Boubacar Traoré (Kayes, Mali, 1942) in kleurige boubou en verlegen als altijd het podium op schuifelt, wordt hij als een dierbaar familielid ontvangen. «Kar Kar», ooit onvergetelijk geportretteerd door Lieve Joris in Mali Blues, neemt de tijd. Een oude stem moet op gang komen. Gaandeweg wordt hij steeds losser en laat hij heel koket enkele elegant-kekke danspasjes zien. Slechts begeleid door een percussionist die aan één kalebas een scala van ritmes weet te ontlokken, is hij ook als gitarist steeds trefzekerder. De kassonké-stijl, afkomstig uit de regio rondom Kayes in het westen van Mali, heeft in timing, rijkdom en ritmische complexiteit veel weg van wat de Amerikaanse blueslegende Robert Johnson vermocht te doen op zijn gitaar. Tegen de tijd dat hij het aangrijpende Mariama Kaba heeft ingezet is de zaal volledig over geleverd aan deze unieke hybride van Amerikaanse blues en Mali nese folk. Gedurende het concert resoneren beelden uit Je chanterai pour toi (de poëtische Franse documentaire over Boubacar Traoré) als vanzelf mee.

Op Traoré’s onlangs uitgekomen cd Kongo Magni wordt hij bijgestaan door twee andere, bekende Afrikaanse musici: de Malinese balafonspeler Kélétigui Diabaté en de Malagassische accordeonist Régis Gizavo. Die gastspelers worden in Antwerpen echter nauwelijks gemist: de kale sound van gitaar en kalebas klinkt zelfs beter dan Traoré’s nogal braaf uitgevallen nieuwe album.

De Guinese griot Mory Kanté, behorend tot de fameuze lofzangers-muzikanten-historici van West-Afrika, blijkt een dag later in het Amsterdamse Paradiso precies andersom te opereren. Met Sabou leverde hij vorig jaar een alom geprezen akoestische cd af. Maar live blijft er van alle weel derige, detailrijke arrangementen helaas weinig over. Hoewel Kanté zijn publiek gewoontegetrouw één pure klassieker van het griot-repertoire voorschotelt, krijgt hij de boel pas op gang met Yéké Yéké, de wereldhit uit 1988. Het succes is Kanté van harte gegund (in Conakry financiert hij er een cultureel centrum mee), maar toch schrijnt het om te zien hoeveel concessies er moeten worden gedaan om westerlingen los te krijgen.

Een week eerder had zangeres Khaïra Arby uit Timboektoe (Mali) laten horen hoe dát ook anders kan. Arby’s roem is louter lokaal: ze heeft nog niet de bekendheid van Malinese collega’s zoals Rokia Traoré en Oumou Sangaré. Maar de manier waarop Arby in het ook al zo fraaie Brusselse theatertje Espace Senghor (aangespoord door jonge, Malinese meiden op de eerste rij) gratie, beheersing en kracht aaneen wist te smeden met onversneden Songhai-repertoire gaf genoeg vertrouwen dat we deze diva zullen terugzien. Met een beetje geluk zitten er dan wat Afrikanen op de eerste rij, ter opjutting van één en ander.

Boubacar Traoré, Kongo Magni

(cd, Marabi/Harmonia Mundi); Je chanterai pour toi (dvd, Les Productions Faire Bleu/Harmonia Mundi)

Mory Kanté, Sabou (cd, Riverboat Records/Music & Words)