Televisie - Theo van den Boogaard

Een ouwe stripper

‘Kan-ie? Kan-ie?’ Dan gaat een deur open en waggelt, met jas over het hoofd, een zonderlinge figuur naar een tekentafel om daar, op de tast, een streepje aan een tekening toe te voegen. Je hoort geproest: dat moeten de documentairemakers wel zijn

Medium tv

En deze maffe opkomst als stripfiguur moet bedacht en uitgevoerd zijn door hun hoofdpersoon, tekenaar Theo van den Boogaard. Die, beseft de kijker pas veel later, in het midden afgebeeld staat op zijn eigen tekening, tussen een juichend bikinimeisje aan de ene, en een gespierde bink met kindje in zwembad aan de andere kant. Te midden van dit zomers geluk beweegt zich een zonderling personage naar de kijker. De lichaamshouding is die van Van den Boogaard met jas, maar verder lijkt hij een kruising tussen de Verschrikkelijke Sneeuwman en een slachtoffer van een van Ovidius’ boommetamorfosen. Deze ‘ik’ heeft duidelijk geen deel aan het gewone-mensengeluk, maar is een bevroren buitenstaander voor wie een jaar niet vier seizoenen telt, maar vier aaneengesloten winters.

De tekening is een illustratie bij een liedtekst die de tekenaar/schrijver/zanger, nu 68, op zijn 27ste schreef: Four Winters in a Row. Waarmee hij wilde uitdrukken dat het hem eeuwig en altijd tegenzat. ‘Wat natuurlijk niet zo was’, zegt hij nu relativerend, maar wat hij zo ervoer omdat dat levensgevoel nu eenmaal in hem zat. En zit. Mede door de slagen van het leven. Die hebben zijn ronduit gelukkige periode met grote liefde Karel, plotseling overleden, vergaand uitgewist. Hij probeert die wel te bewaren in technisch verbluffende knappe tekeningen. Maar daarnaast zijn er dus die gruwelbeelden bij de sombere liedtekst. Toch is ook dat weer niet eenduidig: het feit dat de tekst op muziek is gezet en dat hij die in een studio met professionele muzikanten zingt en opneemt, en dat hij ermee in zaaltjes wil gaan optreden terwijl zijn beelden worden geprojecteerd (zoals hij nu al doet met liederen van en tekeningen bij Bob Dylan), is een teken van levenskracht. Zoals hij het denkwerk dat nodig is voor nieuwe tekeningen of projecten een Golgotha-gevoel noemt (‘waar denk je dan aan?’ ‘dat alles kut is natuurlijk’), maar tegelijk tevreden kan zijn met wat hij van, door en ondanks die ellende maakt (wijzend op eigen werk: ‘a joy forever’). Tevreden ondanks het feit dat hij, grootmeester van de klare lijn, door fysieke ellende zijn volmaaktheid daarin is verloren en naar nieuwe vormen van expressie moet zoeken.

Dankzij zijn geweldig archief zien we ook veel vroeg werk. Al als kind was hij epigoon van Hergé; later, in eigen stijl, toonde hij seks even knap en plastisch als Aat Veldhoen, maar dan in stripstijl. En gunde hij Schippers’ creatie Sjef van Oekel een geheel eigen leven in boekvorm (wordt nog altijd verkocht). Wie de naam Van den Boogaard niet kent, zal toch vaak wel zijn werk herkennen als medebepalend voor een overwegend vrolijk tijdperk. Van den Boogaard mag ongelukkig zijn, hij lacht, zingt en schept. Tegen de ellende in. Zoals je ouwe rockers hebt is hij een ouwe stripper. En amateurzanger.


Nathalie Crum, De vier winters van Theo van den Boogaard, NTR, Het uur van de wolf, donderdag 2 juni, NPO 2


Beeld: Theo van den Boogaard, Het uur van de wolf (NTR)