Een paar druppels negerbloed

William Faulkner laat het verleden, dat wil zeggen die verdomde Amerikaanse Burgeroorlog, telkens weer het heden in tuimelen.

Op het dieptepunt van de Great Depression in Amerika verschenen twee romans, Margaret Mitchell’s Gone with the Wind en William Faulkners Absalom, Absalom!, waarin de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) een hoofdrol speelde. In 1936 was het sterk verarmde Diepe Zuiden vooral op zichzelf aangewezen. Het likte nog steeds de wonden van de nederlaag in 1865. Mitchell maakte van de Burgeroorlog een spectaculaire show waarin een liefdesaffaire opbloeide en afliep (‘Frankly, my dear, I don’t give a damn’, mocht Clark Gable uiteindelijk met een spottend lachje tegen zijn verwende geliefde zeggen).

Faulkner, die tijdens het schrijven aan Absalom, Absalom! werkte als scriptschrijver in Hollywood omdat hij van zijn boeken niet kon leven, hoopte ook op een verfilming van zijn roman. Maar die was allesbehalve romantisch en ging juist in op dat wat Mitchell verzweeg: het racisme. Daar kon Hollywood niets mee in 1936, daar wilden de producers nog niets van weten. Zij zetten Faulkner aan het werk voor de Howard Hawks-film The Road to Glory. Faulk­ners eigen weg naar roem was nog niet eens in zicht. Critici in het Diepe Zuiden liepen met een wijde boog om Absalom, Absalom! heen. Zij vonden de schrijver, een man uit Mississippi, een nestbevuiler. Anders had hij een van zijn personages (een Canadese student aan Harvard in 1910) niet zulke cynische zinnen laten zeggen als: ‘Jezus, het Zuiden is geweldig, hè. Het Zuiden is nog beter dan het theater, hè. Het is nog beter dan Ben Hur.’ Het zwijgen van de critici heeft niet geholpen. Absalom, Absalom! is de belangrijkste roman van Faulkner, en niet alleen omdat hij zich in dat boek het scherpst uitlaat over de diepgewortelde discriminatie in het Diepe Zuiden van vóór en ná de Burgeroorlog. De manier waarop Faulkner zijn visie op de slavernij verwoordt is minstens zo baanbrekend en net zo sensationeel. Hij was veel meer dan een Amerikaanse leerling van Marcel Proust, James Joyce of Joseph Conrad. Faulkner was Faulkner.

Absalom, Absalom! is een politieke roman in de zin van een indirecte aanklacht. De hoofdpersonen zelf komen niet direct aan het woord; alle informatie krijgt de lezer via-via, achteraf in 1909 en 1910, en van wisselende spelers, in stukken en brokken en in lange, soms ellenlange zinnen die als eindeloze rivieren en zijrivieren door het hoofd van de lezer stromen. Er zijn vertellers en er zijn luisteraars, die soms niet opletten. En er zijn vertellingen die weer terugkomen omdat niet alle details uit de woordenstromen belicht blijken. Vroeger of later wordt de draad weer opgepakt, of een fragment wordt teruggespoeld en nog een keer tegen het licht gehouden. De lezer denkt dan wel dat hij een compleet en gedetailleerd beeld krijgt voorgeschoteld en dat hij ingewijd wordt in het leven en werk van plantagehouder Thomas Sutpen en wat de rampzalige effecten van zijn plantageplan in Noord-Mississippi zijn, maar veel blijft giswerk van bijna een halve eeuw later. Aan het slot laat Faulkner nog een paar extra lijken uit zijn literaire kast vallen, lijken die wel zijn aangekondigd maar als subtiele cliffhangers.

Thomas Sutpen, een argeloze jongen van veertien en white trash, daalt in het begin van de negentiende eeuw met zijn doodarme ouders vanuit de bergen van Virginia naar de moerassige laaglanden af waar zijn drankzuchtige vader gelegenheidsbaantjes heeft rondom een plantage. Op een dag stuurt zijn vader hem om een boodschap naar het paleisachtige huis van de plantagehouder. Een butler (‘een negeraap’) doet de voordeur open, laat Thomas niet uitspreken en zegt dat hij bij de achterdeur moet zijn. Dit is de oerscène vol vernedering en afwijzing. Thomas besluit van huis (een armzalige hut) weg te lopen. Zijn plan staat vast: hij wil ook plantagehouder worden, slaven houden en een (blank) gezin stichten. Hij komt in West-Indië (Haïti) terecht, waar hij trouwt met de dochter van een plantagehouder, Eulalia Bon. Ze krijgen een zoon, Charles. Als Thomas erachter komt dat Eulalia niet alleen een Spaanse achtergrond heeft maar ook een paar druppels ‘negerbloed’ vertrekt hij, een ‘horde wilde negers’ mee­nemend. Met hen verschijnt hij in 1833 in Jefferson, Mississippi (Faulkner’s Yoknapatawpha County). Hij troggelt land af van de indianen, bouwt met hulp van zijn slaven en een architect een landhuis. Eindelijk heeft hij een plantage: Sutpens Honderd. Hij trouwt met de blanke Ellen Coldfield en krijgt een zoon (Henry) en een dochter (Judith). De Sutpen-dynastie lijkt gevestigd. Maar zijn zoon uit het eerste huwelijk, Charles Bon, duikt onverwacht op en besluit te trouwen met Judith. Sutpen is daar tegen en zegt dat tegen zijn zoon Henry, die vermoedt dat incest de kern van het vaderverzet vormt. Henry geeft zijn halfbroer een proeftijd van vier jaar, die samenvalt met de Amerikaanse Burgeroorlog. Vlak voordat ze terugkeren onthult de vader wat het echte probleem is: Charles – die zelf een octorone (een achtste zwart bloed) maîtresse en een zoontje heeft in New Orleans – is zwart (een zestiende). Henry vermoordt zijn halfbroer en verdwijnt. Thomas Sutpen komt thuis op Sutpen Honderd, doet nog een oneerbaar voorstel aan de veel jongere zus van zijn tweede en pas gestorven vrouw Ellen (maar Rosa Coldfield wil geen proefkonijn zijn voor die ‘demon’ die alleen denkt aan gezonde, zuiver blanke zonen) en wordt een paar jaar later vermoord door de blanke hulp Wash Jones, niet omdat Thomas een kleinkind van hem heeft bezwangerd maar omdat hij tijdens de geboorte van het meisje haar als een merrie behandelde. Wie blijven er over op het tot vervallen gedoemde landhuis op Sutpen Honderd? Judith, Clytie (Sutpens dochter met een van zijn slavinnen) en een kleinzoon van Charles Bon. En waar blijft Henry? Lees het boek en ontdek de verschrikkelijke waarheid. Uiteindelijk gaat Sutpen Honderd in 1909 in vlammen op: einde van de Sutpen-dynastie, op Charles’ kleinzoon Jim Bond na.

Deze beknopte navertelling zegt niets over de opbouw van de roman. Faulkner begint met een bezoek van de negentienjarige Harvard-student Quinten Compson, in september 1909 aan de oude Rosa Coldfield, die haar versie van het drama vertelt en haar vermoeden uitspreekt dat er al vier jaar lang ‘iets’ in het huis op Sutpen Honderd is. Waarom vertelt ze dat uitgerekend aan Quinten? Omdat zijn grootvader, kolonel Compson, de enige vriend van Sutpen bleek. Via zijn vader komt Quinten meer te weten over het Sutpen-drama. Aan het slot van de roman – als Quinten in januari 1910 ’s avonds op zijn steeds kouder wordende studentenkamer zit met zijn Canadese medestudent Shreve en het hele Sutpen-verhaal nog eens grondig doorneemt – krijgt de lezer pas te weten wat er vijf maanden eerder is gebeurd toen Rosa en Quinten naar het donkere en hopeloos vervallen landhuis gingen.

Het verleden, dat wil zeggen die verdomde Amerikaanse Burgeroorlog, tuimelt telkens weer het faulkneriaanse (vertel)heden in. Dat gebeurt in meer romans van Faulkner, met name Het geluid en de drift en Licht in augustus, die allebei vóór Absalom, Absalom! verschenen. Dark House luidde de werktitel van zowel Absalom, Absalom! als van Licht in augustus (Twilight was de aanvankelijke titel van Het geluid en de drift, waarin Quinten een incestueuze relatie met zijn zusje Caddie koestert en als Harvard-student zelfmoord pleegt). Het donkere, verrotte en brandende landhuis in Absalom, Absalom! ís de Zuidelijke samenleving, en Thomas Sutpen staat voor het Zuiden gedomineerd door slavenhouders. Charles Bon smeekt in stilte om erkenning van zijn vader, maar die krijgt hij niet, want hij is zwart, al is het maar voor een zestiende deel. Sutpen symboliseert een goddeloze maatschappij die mensen tot werktuig of bezit reduceert. De slavernij kon alleen goedgepraat worden als de slaven niet als mensen werden gezien maar als zwarte werkbeesten. Maar het feit dat slavenhouders veel slavinnen zwanger maakten, om door die fokactiviteit hun personeel uit te kunnen breiden, zorgde ervoor dat elke menselijke verhouding op en rond de plantage werd verziekt. In wezen was de Zuidelijke samen­leving gebaseerd op systematische ontering. Om die onmenselijke maatschappij af te schaffen werd een oorlog gevoerd, hoewel het Noorden ook minder nobele beweegredenen had.

William Faulkner heeft die verziekte samenleving in het Diepe Zuiden tot op het bot geanalyseerd, en het is hem niet in dank afgenomen. Misschien waren sommige Zuidelijke critici met stomheid geslagen toen ze in Absalom, Absalom! lazen dat het Zuiden zou inzien ‘dat het de tol betaalde omdat het zijn economische bestel niet gebouwd had op de rots van een strenge moraliteit maar op het drijfzand van opportunisme en moreel banditisme’. Faulkners antwoord op het Amerikaanse apartheidsdenken in het Diepe Zuiden – een denken dat na de nederlaag niet verdween – was heel eenvoudig maar zeer radicaal in zijn tijd: raciale vermenging is de enige oplossing voor welk racisme ook en weerspiegelt veel krachtiger de snel transformerende Amerikaanse cultuur. In Absalom, Absalom! steekt hij de draak met de hysterische reacties op de ontdekking dat iemand voor een achtste of een zestiende deel zwart is, en dús zwart (president Barack Obama heeft een zwarte vader en een blanke moeder: is hij dús zwart?). In Go Down, Moses en Intruder in the Dust is Faulkner nog explicieter over het verlangen naar raciale vermenging.

Wie het Amerika van toen en dat van nu beter wil begrijpen kan niet om Absalom, Absalom! heen, omdat het racistische verleden nog immer woelt in het problematische democratische heden. Faulkners opus magnum laat dat op elke pagina zien, dankzij thematisch lef, vormtechnisch vernuft en verbale virtuositeit.


William Faulkner, _Absalom, Absalom! _Vertaling en nawoord Bartho Kriek. Atlas, 447 blz., € 39,90