Vader, moeder, zoon en dochter Pattini leven volstrekt van de buitenwereld geisoleerd. Vader Pattini was eens een gevierd leraar aan het conservatorium. Maar een eigen compositie (zijn ‘concert’) kwam in twaalf jaar tijd nooit van de grond. En spelend op het concertorgel van de lokale bioscoop bereikte Pattini het dieptepunt van zijn ooit veelbelovende muzikale carriere. Zijn gezin raakte daarna diep in de schulden en moest ongeveer alles belenen. Moeder Pattini werd een verbitterd mens. De zwakbegaafde zoon Thomas en de karakterieel zeer sterke dochter Andrea zochten bescherming bij elkaar. Een warme omarming die tot een ondenkbare liefde werd. Moeder Pattini probeert aan het begin van Een bruid in de morgen zoon Thomas uit te huwelijken aan een steenrijk nichtje. Die daad zal fataal worden voor de broze banden binnen het gezin. Tussen de onzekere Thomas en de begerige nicht Hilde wordt het niks. Andrea voelt het einde naderen van haar liefde voor Thomas, een liefde die ze weliswaar vurig wenst, maar waarvan ze intuitief weet dat hij gevaarlijk en onmogelijk is. Ze pleegt zelfmoord. Aan het eind van Een bruid in de morgen resten slechts verliezers.
De Brabantse formatie De Wetten van Kepler en hun regisseur Wim Berings doen een goede gooi naar een boeiende enscenering van deze scherpe en tijdloze vertelling. Het speelvlak is kaal. Aan de zijkanten hangen twee lange repen vitrage, daarvoor zwarte radiatoren. Het meubilair - een paar stoelen - is armoedig. Op een van de radiatoren staat een platenspeler (voor de muziek waar vader Pattini graag naar luistert). Hier geldt een oude toneelwet: een paar planken is genoeg, de rest moet van de hartstochten van de toneelspelers komen. Naturelle cliches worden gemeden, karikaturen ook. De binnendringende nicht Hilde ziet er weliswaar onflatteus uit, maar blijkt waarachtig iets om Thomas te geven. De oude Pattini is een onhandige hark, maar ook een aandoenlijke vader: werkelijk begrip van de rampzalige situatie van zijn gezin houdt hij - uit pure overlevingsstrategie - zorgvuldig buiten zijn systeem. De moeder oogt rancuneus, trots en verbitterd, maar opereert als een bewonderenswaardig berekenende strateeg. Andrea wordt vrijwel vanaf het begin neergezet als iemand die erkent dat ze heeft verloren. Ze is bang voor de dingen die komen gaan, maar kan ze - als een moderne Cassandra - tot in details nauwkeurig voorspellen. Haar eigen einde gaat ze onverschrokken, vol hartverscheurend verdriet tegemoet. De figuur van de simpele Thomas krijgt in deze voorstelling een bij vlagen verrassende diepgang door de enkele lucide momenten waarop hij alles om hem heen lijkt te begrijpen. Daarna valt hij onvermijdelijk terug in apathie. De emotionele orkanen (en vooral het feit dat er door anderen zo met Thomas’ emoties wordt gezeuld) kan hij niet volgen. Die schaarse ogenblikken van inzicht, de blik van absolute doodsangst in de ogen van deze gemartelde jongen, worden op een zorgvuldige manier getoond.
De voorstelling is niet helemaal trouw aan haar eigen principes van gestileerde vertelling. Men valt soms terug op een hinderlijk invoelend naturel acteren. En waarom er voor de eerste en enige intieme ontmoeting tussen Thomas en nicht Hilde een echt bed het toneel op moest worden geschoven, is mij een raadsel gebleven.
Kleine smetjes op een verder mooie voorstelling.