Een paar rotcenten ‘subsidie kweekt geen beschaving, zij verwekt geen cultuur, zij schrijft geen boeken. subsidie baart macht en onderdanigheid’

Het Literair Produktiefonds draait de geldkraan toe voor Hollands Maandblad. Het tijdschrift zou niet spraakmakend en niet literair genoeg zijn. De redactie reageerde op de enig juiste wijze: Laat die laatste paar rotcenten ook maar zitten.
BEGIN JANUARI 1964, bijna 35 jaar geleden, kwam K.L. Poll, oprichter en enig redacteur van Hollands Maandblad, bij het openen van de post tot de ontdekking dat van de 2000 gulden die hij de overheid aan additionele honoraria had gevraagd, slechts 625 gulden was toegekend.

Hoe kon dit nou?
Dat kwam doordat de overheid zich, geheel tegen de thorbeckiaanse traditie in, de rol van kunstrechter had aangemeten. De beschouwing van S.R. de Groot over Teilhard du Chardin, het artikel van Jan Pen over lering & vermaak, het maandelijkse journaal van Nico Scheepmaker, het stuk van Judith Herzberg over Jan Emmens, dat van Dick Hillenius over Matthijs Vermeulen, dat van J.P. Guépin over De Perzen en dat van Karel van het Reve over ‘de ellende van de dialectiek’, het was allemaal goed en aardig, vond de dienstdoende ambtenaar, maar het was géén literatuur.
Dus kreeg K.L. Poll een strafkorting, waarover hij vervolgens 'een humeurig stuk over geld’ heeft geschreven.
HET GAAT nog altijd over geld. Vroeger werd het geld uitgedeeld door iemand van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, die dacht verstand van cultuur te hebben omdat hij wel eens met zijn schoonmoeder naar een matinee van het Residentie-orkest ging. Inmiddels is het toekennen van subsidies aan kunstdeskundigen of aan de kunstenaars zelf gedelegeerd, met al hun oordelen en vooroordelen, vrienden en vijanden. Dus is er altijd bonje, om het even of het het Fonds voor de Scheppende Toonkunst of het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds betreft.
Vraag mij niet hoe het wèl moet. In elk geval dreigde Hollands Maandblad het slachtoffer van dit systeem te worden. Hollands Maandblad? Kent u dit tijdschrift niet? Zo zijn er wel meer. Het aantal abonnees van Hollands Maandblad vult amper de Grote Zaal van het Concertgebouw (zonder de balkons), vergelijkbaar met het aantal abonnees van De Groene Amsterdammer, die met zijn allen nèt in het Abe Lenstra-stadion te Heerenveen passen. Dat zegt allemaal niets, niet over Hollands Maandblad en niet over De Groene Amsterdammer. De betekenis van een culturele, intellectuele instelling valt nu eenmaal niet aan het simpele getal te toetsen.
Helaas denkt het Literair Produktiefonds hier anders over. Dat wil eigenlijk minder literaire tijdschriften, zulks ten bate van de tijdschriften waar het een voorkeur voor heeft. In Hollands Maandblad (met zijn oplage van 1200 stuks) zien de kunstrechters niet zoveel. Vandaar het halverwege het vorige jaar genomen besluit dit tijdschrift niet langer voor 'structurele subsidie’ in aanmerking te laten komen, althans als de redactie niet snel haar leven betert. Het blad betekent, huns inziens, weinig meer, de poëzie en het literair proza zijn kwalitatief onvoldoende, de resterende artikelen zijn niet 'spraakmakend’ genoeg en eigenlijk moet Hollands Maandblad niet als een letterkundig tijdschrift maar als 'een journalistiek produkt’ worden beschouwd. En dat kan vanzelfsprekend niet door de beugel.
De verleiding is groot om, als trouwe en langjarige lezer, onmiddellijk in de gordijnen te klimmen. Spraakmakend? Wat is dat? Hoort een literair, beter gezegd: literair-politiek tijdschrift zich met zijn volle gewicht op de IRT-affaire te storten? Valt de academische suffigheid, elders in het letterkundige spectrum, te prefereren boven de min of meer journalistieke bijdragen van mannen als Max Pam en H.J.A. Hofland, die door het Literair Produktiefonds als bewijsmateriaal voor de benedenmaatsheid van het tijdschrift worden aangevoerd, schrijvers die inderdaad als journalist in het telefoonboek staan, maar niettemin, zo is mijn stellige indruk, nog steeds behoorlijk bij hun verstand zijn?
SCHEI MAAR UIT! Deze discussie is zo vruchteloos als de Negev-woestijn. Kwaliteit, zowel als gebrek aan kwaliteit, is in dit soort zaken niet kwantificeerbaar. Ik vind Hollands Maandblad goed en het Literair Produktiefonds, althans de commissieleden die het fonds heeft aangetrokken, vindt Hollands Maandblad slecht en niemand kan bewijzen wie gelijk heeft. Hoogstens kun je, zoals Hollands Maandblad heeft gedaan, de nodige kanttekeningen maken bij de deskundigheid van de betreffende kunstrechters, die al eerder 'een zusterblad van ons op de vingers tikten omdat dit tijdschrift gedichten publiceerde van “een onbekende Poolse dichteres” - enkele weken later kreeg zij de Nobelprijs.’
De discussie over kwaliteit en raison d'être van de letterkundige marge woedt al jarenlang. Zo organiseerde het voornoemde Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds op 4 juni 1994 een symposium over 'de functie en de toekomst van literaire tijdschriften’ waarop heel wat over heden en toekomst van Parmentier, De Gids, Tirade, De Brakke Hond en Hollands Maandblad werd afgesomberd.
Het somberst was Jaap Goedegebuure, criticus en hoogleraar te Tilburg. Literaire tijdschriften, zei hij, zijn niet meer van deze tijd. Zij zullen ten prooi vallen aan een machtsverschuiving in de media, vergelijkbaar met de wijze waarmee de pianola door de grammofoon en de typemachine door de tekstverwerker is verdrongen. Literaire tijdschriften zijn vrijwel al hun kernfuncties kwijtgeraakt aan dagbladen en weekbladen, glossy magazines, radio en televisie. 'De auteur die net een nieuw verhaal heeft geschreven’, zei Goedegebuure, slijt dit liever aan Esquire, Avenue, Viva, Playboy of Penthouse dan aan De Revisor, Maatstaf of Lust & Gratie. Een essay wordt door veel meer mensen gelezen en bovendien beter betaald als het te vinden is in de kolommen van NRC Handelsblad, Vrij Nederland of zelfs De Groene.’
Hij werd eigenlijk nauwelijks tegengesproken, behalve door de dekselse Serge van Duijnhoven, die per interruptie liet weten dat er inmiddels gelukkig een alternatief voor 'gemummificeerde’ periodieken als Hollands Maandblad bestond. Dat was zijn blad MillenniuM, 'een fris tijdschrift’, dat op zijn eigen wijze bezig was 'met de problematiek die volgens een jonge generatie ècht belangrijk is’.
Zei Van Duijnhoven. MillenniuM is na een paar nummers opgeheven, terwijl Hollands Maandblad binnen afzienbare tijd, als het althans de kunstrechters van het Literair Produktiefonds behaagt, zijn veertigste jaargang hoopt in te gaan.
NIETTEMIN, de vraag is volkomen legaal: Is er een toekomst voor het literaire, of literair-politieke tijdschrift, mede gegeven het feit dat elke Nederlandstalige publicist, als hij of zij iets mee te delen heeft, zijn boodschap inmiddels moeiteloos elders kwijt kan? Het is waar, de opiniepagina’s van de belangrijkste dagbladen respectievelijk de diverse cultuursupplementen zijn een gewilde tribune geworden. Ik kan echter nauwelijks geloven dat het publieke debat in Nederland inmiddels tot de diverse opiniepagina’s van de belangrijkste dagbladen is verschraald. Het redigeren van of het meewerken aan zo'n literair-politiek tijdschrift is tòch iets anders, een soort mentaliteitskwestie, een soort culturele donquichotterie, een gezamenlijk streven om in intellectuele verbondenheid elke aflevering weer te tonen wat je in huis hebt, desnoods met de hulp van mannen als Max Pam en H.J.A. Hofland, die ondanks het feit dat zij slechts journalist zijn in staat zijn bijdragen te leveren die de moeite van het overdenken waard zijn.
Ik blader wat door de laatste aflevering van het bedreigde maandblad en probeer in alle fairness te taxeren of het de moeite waard is om er 39,90 (op jaarbasis 392,50) aan uit te geven. Oordeel zelf. Max Pam bestrijdt de beschuldiging van Andreas Burnier dat Wittgenstein Nietzsches Die fröhliche Wissenschaft heeft geplagieerd. Jan Pen schrijft een uitgebreid essay over de vermeende discontinuïteit tussen de vooroorlogse jaren, de jaren van de oorlog en de eerste jaren na de oorlog. Maarten ’t Hart toetst de reacties op Renate Dorresteins boekenweekgeschenk. Martin Bril schrijft een kort verhaal - hij gaf uiteindelijk blijkbaar tòch de voorkeur aan Hollands Maandblad boven zijn eigen Esquire. Arnon Grunberg levert een bijdrage vanuit New York - de moordende concurrentie van Playboy en Penthouse, die Jaap Goedegebuure veronderstelde, lijkt dus wel mee te vallen. Plus nog zo een en ander. Een paar gedichten die ik tamelijk goed vond, al matig ik mij over die materie geen oordeel aan. Helaas wat weinig politiek, dit keer. Maar voor de rest heb ik, kwalitatief en kwantitatief, geen enkele reden tot klagen.
NOOIT GEHAD, trouwens. Hollands Maandblad stond van het begin af aan in het teken van een kritisch soort rationalisme dat mij altijd goed heeft bevallen, goed geschreven en goed doordacht, cultureel bevlogen, politiek afgewogen, net als een tijdschrift als Geert van Oorschots Tirade opererend in de betere traditie van Ter Braaks Forum. Met één verschil: K.L. Poll was, ondanks zijn onmiskenbare eigenaardigheden, een open man, die met welbehagen allerlei discussies aanzwengelde, terwijl Van Oorschot (over wie ik verder geen kwaad woord wens te spreken) een verbitterde oud-communist bleef, die in zijn kolommen geen dissidente geluiden duldde.
En Hollands Maandblad was en is speelser. Het was in zijn glorietijd de spreekbuis van jong en bijna middelbaar talent als Renate Rubinstein, Hugo Brandt Corstius, Dick Hillenius, Karel van het Reve, Nico Scheepmaker en Aad Nuis. Leo Vroman droeg zijn 'Manke vliegen’ bij. Peter Vos en Slachters Keesje verzorgden de illustraties. André Spoor verzorgde een Brief uit Bonn. Rudy Kousbroek riep de wetenschappers aller landen op zich te verenigen. Jacques de Kadt voorspelde dat een constitutioneel onaanraakbare blaaskaak op de troon de natie in ernstige moeilijkheden zou gaan brengen. André Luyendijk schreef onovertroffen politieke commentaren - 'Het is altijd een prettige verrassing als een VVD'er in de Tweede Kamer iets liberaals verkondigt.’
Hollands Maandblad heeft er zijn historische reputatie aan overgehouden, een feit dat tot nadenken zou moeten stemmen, want onbegrip voor culturele en politieke continuïteit leidt alleen maar tot kaalslag, boekverbrandingen en het afbouwen van de 'structurele subsidie’. Maar doorslaggevend is het niet. Cultuur is meer dan een kwestie van monumentenzorg en als het niveau van een tijdschrift als Hollands Maandblad inderdaad zo deerniswekkend zou zijn gedaald als de kunstrechters van het Literair Produktiefonds beweren, kunnen de centen beter aan Raster of Lust & Gratie worden gegeven, bladen waarover het Fonds wèl tevreden is, waarmee overigens niets ten nadele van de betreffende periodieken moge zijn gezegd.
MAAR UITEINDELIJK gaat het om niets. Het gaat om arbitraire oordelen en bovenal gaat het om pecuniaire peanuts, kabouterbedragen waarvoor men elders in de samenleving niet eens de moeite neemt de dop van de vulpen af te schroeven. Ondertussen moet je, als redactie, wèl in ruil voor zo'n kabouterbedrag het publiekelijke pak slaag incasseren dat nu eenmaal inherent is aan het commissiegewijze toetsen van je intellectuele prestaties.
K.L. Poll, decennia lang de drijvende kracht achter Hollands Maandblad, is een paar jaar geleden gestorven. De nieuwe redactie erfde, behalve het tijdschrift, ook de bijbehorende subsidieproblemen. Subsidie, heeft Bastiaan Bommeljé (die met Maarten Doorman, J.J. Peereboom en Marie-Anne van Wijnen de nieuwe redactie vormt) al in een eerder stadium geconstateerd, is de dood in de pot. 'Subsidie kweekt geen beschaving, zij verwekt geen cultuur, zij schrijft geen boeken, zij inspireert geen gedichten, zij maakt geen literaire bladen. Subsidie baart macht en onderdanigheid, creëert zelf-importantie en slaafsheid, schept ongelijkheid en bedelarij als artistieke houding. Subsidie ketent de geest in een dwangbuis van formulieren, financieringsronden en culturele collaboratie.’
Toen zijn Hollands Maandblad die subsidie even later inderdaad dreigde te worden afgepakt, mengden twee betrekkelijke buitenstaanders zich in het debat. Het waren Max Pam en H.J.A. Hofland, in Het Parool respectievelijk NRC Handelsblad. Tja, journalisten, lui die volgens de criteria van het Literair Produktiefonds dus niet serieus zijn te nemen. Hofland adviseerde de kunstrechters gewoon dood te laten vallen. Pam preciseerde dit voorstel in de, hem kenmerkende, zorgvuldig gekozen bewoordingen: 'Laat dat hele Literaire Produktiefonds stikken met die lullige fooi van dertigduizend gulden. Laat je voor die paar rotcenten niet langer vernederen door die literaire paardekoppen.’
Je moet als tijdschriftredactie wel zéér van de kwaliteit van het produkt overtuigd zijn om aan z'n oproep gehoor te geven. En zo werd op 5 april 1997 een brief verzonden van de Herengracht 481, waar Hollands Maandblad is gevestigd, naar de Singel 464, het hoofdkwartier van het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds. In deze brief liet de redactie weten dat Hollands Maandblad zich niet langer liet voorschrijven wat wèl of níet als literatuur moest worden beschouwd. 'Dat maken wij bij ons tijdschrift zelf wel uit. We hebben in elk geval geen zin meer in de dikdoenerij van uw Fonds, met uw deskundige commissies, met uw “hoorzittingen” waarop u ons telefonisch meent te kunnen ontbieden, uw toetsingen en tussenrapportages en procedures. Wij hebben met andere woorden genoeg van uw Fonds.’
En derlui centen, besloot het schrijven, konden de dames en heren óók in hun zak houden, sterker nog, de centen die al genadiglijk waren betaald, in afwachting van het moment dat Hollands Maandblad zijn leven zou beteren, zouden per kerende PTT-overschrijving aan het Fonds worden teruggestort.
ONTSTELDE VRAAG van iemand die reeds Holland Maandblad las, toen het nog Hollands Weekblad was: Hoe nu verder? Is dit geen pure suïcide?
Geruststellend antwoord: Geen zorgen. Het kan. De uitgeverij staat pal. Er is de steun van een ander, minder bureaucratisch literair fonds toegezegd. Daarnaast is er een sponsor gevonden. Plus een letterlievende zakenman die zich voor een bepaald bedrag garant heeft gesteld. En bovenal groeit, dank zij al die publiciteit rond Hollands Maandblad en dat Literair Produktiefonds, het aantal abonnees als kool.
Was K.L. Poll maar eerder op het idee gekomen… Dan had hij toentertijd geen 'humeurig stuk over geld’ hoeven te schrijven en was hem dertig jaar subsidie-ellende bespaard gebleven.