Een paard schrijven

‘TOEN NIETZSCHE OP een dag een paard omhelsde, vond men dat het eerste teken dat hij gek werd. Je kunt beter zeggen: toen werd Nietzsche normaal. Anders ben ik zelf gek. Toen ik een jaar of acht was, heb ik een wild zwijn omhelsd. Dat stond aan een paaltje vastgebonden bij het circus in mijn geboortestad Utrecht. Ik vond hem zo alleen, en zo lief, en toen heb ik hem omhelsd. Ik ben dol op wilde zwijnen. Prachtige beesten.

Robuust, en met van die mooie borstels en zo'n groot hoofd. Ik snap niet waarom ze zo vaak vies en onrein worden gevonden, net als gewone varkens. Omdat ze wroeten? Omdat ze in de modder rollen? Omdat ze toevallig gespleten hoefjes hebben? Weet je wat vies is? Mensen die in je geheimen wroeten. Mensen met een gespleten tong. Of van die luxe vrouwen in een modderbad.’
Charlotte Mutsaers - schrijfster, en voormalig beoefenaarster van de schilderkunst én de paardrijkunst - vergelijkt dieren graag met mensen. Omgekeerd niet. Want wanneer mensen met dieren worden vergeleken, pakt dat volgens haar zelden ten gunste van het dier uit. ‘Dat vind ik eigenlijk een schande van sommig taalgebruik’, zegt ze fronsend. 'Aan het slot van Het proces van Kafka wordt de hoofdpersoon gedood “wie ein Hund”. Daar dacht ik: ho, ho, Kafka, dit maakt helemaal geen indruk op mij. Hier zit namelijk de suggestie achter dat een hond iets mins is, en dat het daarom voor een mens des te vernederender zou zijn om zo afgemaakt te worden. Alsof dat voor een hond niet even erg is! Door telkens zulke vergelijkingen te maken, doet men de dieren veel kwaad. Als je van kinds af aan steeds weer hoort: “zo smerig als een varken”, dan kom je gaandeweg tot de conclusie dat een varken iets heel verwerpelijks is. En dat een slang bijvoorbeeld gemeen is, en een koe geweldig dom. Nooit zal iemand eens zeggen: die hond is zo snel als een voetballer, of: dat paard is zo mooi als een filmster. En kinderen willen later allemaal brandweerman of popster worden, maar nooit een olifant.’
Charlotte Mutsaers zelf, zo blijkt uit haar werk dat op zich al één groot dierenrijk is, zou graag schrijven als een zwaluw: rondcirkelend, rakelings, 'steels’. Zij zou willen kijken naar de wereld met een hondeblik. En ze zou graag kunnen rennen als een haas. Want waar een mens saai recht vooruit koerst, slaat een haas 'haken’. Maakt prachtige haarscherpe hoeken en schiet als een bliksemschicht door het veld.
IN HAAR PROPVOLLE werkruimte in Amsterdam, waar haasjes van hout en van zilver elkaar verdringen, waar overal hondefoto’s staan en stapels dierenboeken liggen, hangt ook een serie inktvissen aan de muur. Het was het laatste wat Mutsaers schilderde, zo'n tien jaar geleden, voor ze zich geheel op het schrijverschap stortte. Een schrijverssymbool bij uitstek, vindt ze, omdat de inktvis zich met zijn inkt tegelijkertijd verhult en onthult. Precies zoals de schrijver.
Maanden heeft ze niet kunnen schrijven. Afgelopen voorjaar, op 28 mei, overleed haar hondje Plume. Mutsaers is nu weer een beetje opgekrabbeld, mede dankzij Koert. Net als Plume een fox-terriër, die zij en haar man in huis haalden omdat ze het zonder hond gewoon niet uithielden. Koert, nu zes maanden oud, houdt ons gezelschap. Met de oren gespitst en een half oog waakzaam op het vrouwtje gericht.
'Ik denk er nog dag en nacht aan’, zegt Mutsaers. 'Soms wil ik haar roepen… Plume was altijd bij me. Ze sliep in mijn oksel en ging overal mee naartoe. Ik moest een keer in Lille optreden en Plume ging mee. Oe la la, dachten ze daar, als dat maar goed gaat, in zo'n zaal vol chique Fransen. Maar ze zat keurig naast mijn man in de zaal en was doodstil.
We hebben het afscheid van Dar, onze eerste hond, in 1990 ook heel vreselijk gevonden. Maar Dar is nog twaalfeneenhalf jaar geworden. Hij had het aan zijn nieren, een normale doodsoorzaak voor een hond, zoals kanker of een hartaanval bij mensen. We waren daar helemaal kapot van. Van Plumes dood echter nog meer, omdat ze nog niet eens zes jaar was en al heel veel ziek was geweest. Wekenlang heb ik haar in een rugzak langs het strand van Oostende moeten dragen, zo zwak was ze. Maar ze was juist weer opgeknapt. Ze begon weer flink te wandelen en ik dacht: nu komt eindelijk de fijne tijd voor jou. Maar er kwam een beroerde Amsterdamse dierenarts.
We zouden net naar Frankrijk gaan, Plumes koffer stond al klaar. We wilden nog even naar haar laten kijken omdat ze een lichte afscheiding had. Deze dierenarts heeft ons toen overgehaald de baarmoeder eruit te laten halen. Een week later was ze dood: bloedvergiftiging.’
Ze stokt, geëmotioneerd. 'Elke dag dat zieke lijfje tegen je aan; je ziet het leven er gewoon uit vloeien. En die dierenarts maar zeggen: die hond ziet er helemaal niet doodziek uit. Terwijl haar temperatuur nota bene elke dag naar beneden ging. Ik had moeten roepen: klootzak, luister dan toch, en kijk eens uit je doppen! Maar dat heb ik niet gedaan, en daar voel ik me vreselijk schuldig over.
Nu heb ik nog behoorlijk wat medische kennis, maar zelfs zonder dat: je “ziet” het als je geliefde dier of man of kind eraan gaat. Als je zo veel van iemand houdt, neem je deel aan diens lichaam. Seksualiteit is dat ook: meebeleving, niet meer precies weten welk lichaam van wie is. Je kent iemand tot in de finesses, en onbewust wordt er van alles gezien, gevoeld, uitgewisseld. Dat soort kennis over elkaar geeft je recht van spreken. Dus had ik moeten zeggen: hoor eens dierenarts, ik hou zo ongelooflijk veel van mijn dier, ik weet dat u er naast zit met die diagnose.’
'KIJK’, WIJST ZE, 'dat is Plume, op die foto. Iedereen was onder de indruk van haar blik. Ik zei altijd: het is een klein heksje. In de lieve zin; iemand die je betovert.’
Iemand?
'Zei ik dat?’ Ze lacht verlegen. 'Ja, dat is gek, dat zeg je meestal niet over dieren, hè? Ik heb maanden niet kunnen werken. Maar ik ga nu proberen weer een stuk te schrijven. Dat “moet”, ik heb altijd een heel regelmatig leven geleid. Met mijn man en hond uit wandelen, werken, samen eten, weer werken. De dood van Plume is daartussen gekomen. Het heeft me verschrikkelijk aangepakt, maar ja - zo is de dood.’ Ze probeert een dapper lachje. Vertelt dan, boos, dat ze een tuchtprocedure heeft aangespannen tegen de dierenarts. 'Ik vind dat ik dat aan Plume verplicht ben. Het zal misschien niks opleveren, maar ik hoop dat men tenminste inziet dat er mensen zijn die evenveel van hun hond houden als van geliefde mensen.
Maar ja, ook de niet-dierenartsen houden niet allemaal van hun hond. Bij veel mensen slingert de hond gewoon als een soort meubelstuk in de kamer. Er zijn ook mensen - Descartes was de eerste - die durven zeggen: dieren lijden niet. Als een hond zijn staart tussen de deur zit en hij gilt, dan is dat een reflex. Zoals een machine gaat knarsen als-ie vastloopt.’ Ze huivert. 'Hoe kún je het zeggen als je ook maar één keer goed naar een hond gekeken hebt. Toen Dar overleed heb ik eens gezegd dat ik dat erger had gevonden dan de dood van mijn moeder. Daar zijn nogal wat mensen kwaad over geworden. Maar ik kan het ook niet helpen dat ik dat zo voel. Misschien waren ze bang dat hun eigen kinderen later hetzelfde zullen zeggen.’
'IK BEN VAN kindsaf aan heel vertrouwd met dieren. Op de leeftijd dat andere kinderen in de box liggen, werd ik naast onze fox-terriër Pimmetje in zijn kistje gelegd. Pimmetje was volwassen en ik niet, dus hij was mijn meerdere. Ik heb veel bescherming van hem genoten, en veel van hem geleerd en overgenomen.
Als het waar is dat een kind een inprentingsperiode doormaakt, dan ben ik door een hondje ingeprent. En juist omdat ik nog niet praatte, ving ik veel gebaren op, en allerlei andere zaken. Die je later niet meer precies kunt uitleggen, want het betreft onverwoordbare dingen. Ik merk dat ik daardoor vertrouwder met honden ben dan de meeste andere mensen. Een hond die een erf bewaakt zal mij nooit bijten. Want ik kijk hem aan en zeg: “Waag het niet, jij, of ik keer je binnenstebuiten.” Zoals Baron van Münchhausen met een vos heeft gedaan. En dan gebeurt het niet.
Ik heb heel lang gekropen als kind. Wel acht maanden langer dan gebruikelijk. Ik kon het ongelooflijk goed, ik zoefde op handen en voeten door het huis. Mijn ouders hebben het er vaak over gehad, hoe buitengewoon dat was. Maar er was voor mij gewoon geen reden om rechtop te gaan lopen, want ik ging alleen met Pimmetje om. Nu, bij het opvoeden van deze pup, zorg ik altijd dat ik op handen en voeten met hem speel.’
Ze zakt door haar knieën en kruipt op Koert af. Zoent hem in zijn nek en legt haar hoofd tegen zijn vacht. Hij gaat heugd zijn tennisbal halen. 'Zo zijn we tenminste even hoog, hè Koert?’
'Toen ik een jaar of acht was had ik altijd honden achter me aan. Ik stond erom bekend. Ik kon geen loslopende hond genkomen of hij volgde me, zonder dat ik hem aansprak. Soms liep ik naar school en werd ik door twee, drie honden gevolgd, alsof ik een loops teefje was. Ze wilden per se mee de school in, waarvoor ik vreselijk op mijn lazer kreeg. Maar ik kon er niets aan doen, ik liep daar door die gangen en kon die beesten niet van me afschudden.
Van Pimmetje heb ik veel niet-talige dingen geleerd. Signalen opvangen, chaamsgedrag interpreteren, sporen herkennen, op je hoede zijn. Ik kan zien of iemand iets slechts in de zin heeft, dat voel ik gewoon. Zo kan ik ook iemand meteen vertrouwen zonder dat ik daar rationele gronden voor heb. Ik ben wel bereid om dat later te corrigeren, hoor, als dat nodig is. Maar als ik over straat loop en iemand houdt zich wat je noemt “verdacht” op, dan voel ik dat direct.’
Toch heb je uiteindelijk gekozen voor het meest talige vak denkbaar.
'Ja, merkwaardig hè? Maar ik heb natuurlijk net als alle mensen de taal nodig. Zonder taal ben ik onbeholpen, want ik ben geen dier.’
HET KLINKT HAAST spijtig. Zou ze het dan echt menen, wat ze schreef in haar bundel Paardejam: 'Ben ik de enige die de gave van het woord graag cadeau zou doen voor een buik met hondehaar?’
'Nou, ik vind vaak niet dat taal veel verheldert. Hoe zou ik anders zo'n intieme relatie kunnen hebben met mijn hond, met wie ik niet kan praten? En nou moet je niet aankomen met projectie, want daar geloof ik niets van. Die intimiteit is geheel wederzijds.
Dankzij Pimmetje heb ik ook met andere dieren altijd een goed contact gehad. Circus Althof in Utrecht had een nijlpaard bij de menagerie. Benkali heette die. Mijn moeder kocht elke dag een struik andijvie voor Benkali en dan gingen we hem samen voeren. Ook sleepten we tassen met voedsel mee naar Artis, in de trein van Utrecht naar Amsterdam. Met appels voor de neushoorn, wijting voor de pelikanen, niertjes voor de hyena’s…’
Hyena’s vond je ook lief?
'Lief is het woord misschien niet, maar ik vind niet dat enig beest gediscrimineerd mag worden omdat-ie niet zo'n prettig uiterlijk heeft. Je kunt het toch niet helpen, hoe je geboren wordt?
Ik had vroeger ook een dierentuin voor insecten. Bij mijn ouders in de tuin, op een grote ijzeren tuintafel, had ik van lege blikjes huisjes gemaakt, met bruggetjes ertussen waar ze overheen konden lopen. Er was ook een zwembadje voor de slakken, omdat weekdieren graag in het water zijn. Ik hield er pissebedden, en wormen - nee, daar was ik niet bang voor.
Van geen dier ben ik ooit bang geweest. En zij niet van mij. In Noorwegen vloog een keer zomaar een wilde vink op mijn hand, midden in het bos. En in Spaarnwoude is vorig jaar nog een babyvosje in mijn armen gesprongen.
Vroeger op de manege was er een woest, lastig paard. Dat moest ík berijden omdat niemand anders ermee overweg kon. Ik vond het heerlijk, en spannend. Op een keer moesten we een meertje oversteken. Het paard ging opeens linksaf, terwijl de doorgang in het midden zat. We gingen beiden kopje onder en het paard liep over mij heen - ’s(avonds had ik een enorme hoefafdruk in mijn wang. Maar daar kon dat paard niets aan doen.
Ik kan niet zonder dieren in mijn omgeving. Nadat Dar was overleden had wandelen in het bos in één klap zijn charme verloren. Want ik keek met Dars ogen - je bent zelf een beetje hond geworden. Ik zie elke laaghangende tak, en schat die vervolgens in: ligt die lekker in de bek? Ik kijk ook altijd naar de grond. Wat ik daardoor allemaal niet heb gevonden!’ Ze lacht uitbundig. 'Ik denk dat ik in mijn leven zeker tien horloges heb gevonden. Ik loop niet gebogen, hoor, maar ik zie alles. Ik vind ook altijd geld op straat. Als kind zag ik een man lopen met een bankbiljet onder zijn schoen. Zo'n blauwe papieren rijksdaalder. Ik erachteraan, tot-ie losliet. En laatst in Oostende vond ik een biljet van duizend franc, nota bene in het donker.’
DE HOND, het dier worden, of het willen zijn, het is een belangrijk thema in haar leven en in haar werk. Zo schreef ze eens dat ze Dar voor een deel geïncorporeerd heeft. 'Ja’, zegt ze nu, 'dat is een soort dierwording. Dat je het geliefde wezen bij wijze van spreken inslikt, niet door je mond maar door je huid. Als in dat liedje: “Je l'ai tellement dans la peau”. Dan ben je zelf een beetje het dier geworden.’
Ze maakte een hele serie schilderijen van Dar en haarzelf, getiteld La belle et la bête. Stilzitten hoefde de geportretteerde niet, want die had ze zo vaak geaaid. Hij zat gewoon in haar vingers, net als haar man. En, wat zo leuk is: een hond trekt niet zo'n 'portretblik’, zoals mensen altijd doen. 'Dieren zijn ook fijn om te schilderen omdat ze vaak een mooiere vorm, een spannender uiterlijk hebben dan mensen. Wij zijn niet bepaald Gods mooiste creatie; wij moeten leuke speldjes en lippenstift op en zit-mijn-haar-goed. Een hond is altijd prachtig, zo'n fluwelen vacht verveelt nooit. En moet je een tijger zien, moet je elk dier zien: het is gaaf en schoon, het verzorgt zichzelf goed.’
Als kind heeft ze eindeloos veel paardentekeningen gemaakt ('wel vijfhonderddrie’). Nu ze zich liever uitdrukt met de pen dan met het penseel, komt de dierwording als thema nog duidelijker naar voren. Zoals in haar boek Rachels rokje, waarin een paard op schoot wil. En waarbij de lezer op een gegeven moment niet meer weet wie in dit verhaal de hoofdfiguur is, het paard of de ruiter. 'De bedoeling is dat de lezer daar iets meemaakt van het paard worden’, zegt ze. Haar streven is een paard, een dier, niet te beschrijven, maar te 'schrijven’. Want, noteert ze in Paardejam, en het is haast een beginselverklaring: 'Een paard schrijven = een paard worden.’
'Als ik een groot leeg grasveld zie’, zegt ze met glanzende ogen, 'ga ik er als vanzelf overheen rennen. Galopperen. Bij zandpaadjes en bospaden heb ik dat ook. Ik heb heel lang paardgereden, en ik heb altijd graag gegaloppeerd. Dat is een gang die je niet vaak bij mensen ziet. Huppelen wordt nog wel geaccepteerd van een jong meisje, maar ik galoppeer toevallig graag. Ik heb er ook veel plezier in om over te gaan van de linkergalop op de rechtergalop. Ken je dat?’ Ze springt op en doet het voor. 'Kijk: ta-tam, ta-tam, ta-tam - dit is linkergalop.’ Volgt een ingewikkelde huppel en ja: ze gaat door in rechtergalop. Koert erachteraan, dwars door het atelier, door het dolle heen. 'Spaanse draf heb ik ook altijd graag gedaan’, zegt ze buiten adem en hup: daar gaan, in draf, haar lange benen sierlijk ver de hoogte in. Ze giechelt. 'Dit moet eigenlijk met een gebogen hals, maar ja, die stelt bij ons niks voor, hè.’
ALS ZE WEER zit zegt ze: 'Het verlangen om een groot terrein al galopperende te bezitten is een dierlijke drang die ik heel sterk heb. Nu heeft een paard tot nu toe nog nooit geschreven, voor zover ik weet, maar je zou je kunnen voorstellen dat ik diezelfde drang ook aan de schrijftafel heb. Niet dat mijn pen dan letterlijk galoppeert in mijn hand, maar je voelt een sterke identificatie als je op die manier over een paard schrijft.’
Met de haas voelt ze ook een grote verwantschap, zo blijkt uit haar boekje Hazepeper. Niet alleen omdat hazen zo vrolijk kunnen schilderen. ('Sommige mensen zeggen dat hazen hun paaseieren kant en klaar gekleurd uitpoepen, maar daar geloof ik niets van’, zegt ze ernstig.) De haas is ook rank, slank en lang. Niet te temmen en zeker geen groepsdier. Net als zij. 'En erg op zijn hoede, en toch vrolijk’, voegt ze er nu aan toe.
Gaat dat ook over jou?
'Dat ga ik niet allemaal vertellen’, zegt ze met een lachje. Ze lijkt niet te beseffen hoezeer ze nu inderdaad op haar hoede is. 'Het is wel jammer dat ik nooit een haas heb kunnen hebben, omdat ze letterlijk ontploffen als je ze thuis houdt. Dat schijnt ook wel eens te gebeuren met een kip in de bio-industrie. Opeens springt zo'n kip loodrecht de lucht in en valt dood neer. Ze kunnen niet verklaren hoe dat komt, maar dat lijkt me vrij eenvoudig.’
GA JIJ MET al jouw dierenliefde na de schrijvers Voskuil en Van Zomeren op de bres voor de varkens in de bio-industrie?
'Ik heb Han Voskuil gezegd dat ik daar te emotioneel voor ben. Ik zou het heel goed kunnen omdat ik er werkelijk bij betrokken ben en het overtuigend kan brengen, maar het zou me te zeer aangrijpen. Dat doet het nu ook al, maar als je echt actie gaat voeren, ontmoet je natuurlijk voortdurend weerstanden en dus onbegrip voor het dier. Ik zou de zaak bovendien kunnen bederven doordat ik geen ter diplomatie bezit. Koos van Zomeren zegt: als een kwart van de intensieve veehouderij wordt afgeschaft, zijn we op de goede weg. Dat is verstandig, maar ik denk: op de goede weg? Voor mij mag er niet één zo'n stal meer bestaan. Waar varkens niet in de wei kunnen lopen, is geen plaats voor varkens, klaar. Ga dan maar naar Australië of Nieuw-Zeeland. Ruimte zat. Maar wat doet die Van Aartsen? Hier mooie praatjes verkopen en in China de bio-industrie voor varkens introduceren. Ze rusten niet voor alle beesten in de bio-industrie zitten. Let maar op, als het geld de wereld regeert, kan het dier verrekken.
De hele wereld is door de mensen ingepikt, de dieren worden er gewoon uitgepest. Dat vind ik een grof schandaal. Alleen maar omdat wij wat meer verstand hebben. Of althans: een ander verstand. Dieren hebben daar zoveel tegenover staan; wat die allemaal met hun neus en hun gehoor kunnen! Wij zijn in geen enkel opzicht meer of beter of interessanter omdat we toevallig een pen kunnen vasthouden.
Ik vind het in principe niet erger om een mens te laten slachten en op te eten dan een koe. Alleen word ik dan wél benauwd voor mijn eigen hachje. Want dan kan ook ík geslacht en opgegeten worden, terwijl ik dol ben op het leven. Ik heb een energie en belangstelling voor wel negen levens. Maar ik maak in ieder geval niet de fout te zeggen: mijn leven is belangrijker dan dat van een varken. Dat kun je niet volhouden wanneer je een varken de kans geeft, en dan ziet wat een rijk en vrolijk leven dat leidt.
Een hondje van zes maanden dat aandacht krijgt en lief wordt bejegend, gedraagt zich heel wat beter dan een baby van die leeftijd. Koert kan al mee naar het restaurant, terwijl het een enorme wildebras is. Maar dan maken we het ook leuk voor hem, door een fijne plaid mee te nemen en iets te bestellen waar ook wat lekkers voor hem bij zit. Dan is hij de hele avond braaf, terwijl er allerlei kinderen krijsend tussen de tafeltjes door sjezen.’
'HONDEN’, ZEGT ZE peinzend, 'belichamen eigenlijk in optima forma wat ook wij mensen het belangrijkste vinden. Ik althans. Veiligheid, lichamelijk contact, het warme gevoel dat je bij elkaar hoort, speelsheid, trouw, angst voor vijanden. Al die dingen zijn toch honderd keer belangrijker dan het hele Stedelijk Museum bij elkaar? Al die dingen komen toch gewoon eerst? En daarnaast zijn er nog een boel lollige dingen in het leven. Er is natuurlijk ook het schrijven! Ik schrijf onder andere om niet steeds aan de dood te hoeven denken.
Ik vind een leven dat gedoemd is om te eindigen absurd. Ik begrijp daar helemaal niets van, ik kan er gewoon niet over uit. Soms word ik ’s morgens wakker en dan denk ik: wat was er ook weer? O ja, we gaan dood.
Het vlijmende besef dat alles eens ophoudt, dat kun je niet alleen bezweren door de hele dag te galopperen door de stad. Als je ouder wordt gaat dat al helemaal niet meer. Je moet je verdomd goed bewust zijn dat de dood iedere dag kan toeslaan, en tegelijkertijd de blijmoedigheid houden om zo veel mogelijk van wat je wilt te realiseren. Zodat je op elk moment kunt zeggen: Ze hebben me vandaag de dood aangezegd, maar ik heb er tenminste van gemaakt wat in mijn vermogen lag. In het aanschijn daarvan probeer ik te leven.’