Een paard te schrijven en te worden

Charlotte Mutsaers, Paardejam: Essays. Uitgeverij Meulenhoff, 212 blz., f39,90
De jury - Yves van Kempen, Marc Reugebrink, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar - koos dit keer tot Boek van de Maand Charlotte Mutsaers Paardejam. De andere mededingers waren:
Miroslav Krleza, Op de rand van het verstand (Vertaald door L. van Vlijmen, uitg. Prometheus, 204 blz., f34,90): De satirische roman uit 1938 van de Kroatische dichter, romanschrijver, essayist en encyclopedist, waarin een advocaat zich een kritische opmerking laat ontvallen - prompt wreekt zijn bourgeoismilieu zich op hem met rechtszaken, gevangenis en gekkenhuis. (Zie ook elders in dit nummer.)
E. Annie Proulx, Ansichten (vertaling Regina Willemse, uitg. De Geus, 399 blz., f49,90): Een speelse persiflage op de avonturiersroman en de naoorlogse Amerikaanse geschiedenis. Loyal Blood blijft op zijn vlucht trouw postkaarten naar huis sturen. De ansichten zijn in de roman opgenomen en geven een hilarisch verslag van zijn zwerftocht.
Viktor Jerofejev, Het laatste oordeel (vertaling Arie van der Ent, uitg. Vassallucci, 334 blz., f49,90): Het in hoge-snelheidsproza geschreven relaas van een Russische schrijver die internationaal doorbreekt met een boek genaamd De Eeuw van de Kut. Gaat het soms over Jerofejev zelf en zijn wereldsucces Een schoonheid uit Moskou?

SOMMIGE BOEKEN kun je beter laten liggen, waarschuwt Charlotte Mutsaers zichzelf als ze in een Parijs antiquariaat Les bouchers tegenkomt, een geschiedenis - in plaatjes en praatjes - van het slachten door de eeuwen heen. Dus koopt ze het. Zo gaat dat bij haar, wat de nieuwsgierigheid haar ingeeft, is wat haar hart begeert. Zelfs als het om compleet onverklaarbare verlangens gaat, zoals in dit geval waarin ze weet dat zowat elke foto haar hart zal breken. Want als geen ander is Mutsaers, zo bewijst ook deze nieuwe essaybundel Paardejam weer, begaan met het lot van welk dier dan ook. Zelfs de mug kan bij haar geen kwaad doen. Mutsaers wil niets liever dan zichzelf tot dier schrijven. In Rachels rokje (1994) nam ze al even de gedaante aan van een paard. Gelukkig maar voor even - je moet er toch niet aan denken dat ze voorgoed de literaire stal zou uitgalopperen, dat zou een gevoelig verlies voor de literatuur betekenen.
Het slachtersboek geeft wat ervan verwacht mocht worden; een foto volstaat om dat te demonstreren. Waarschijnlijk is het lang niet de gruwelijkste, maar er staat wel een paard op. De lezer kijkt op de binnenplaats van een Parijs’ abattoir uit 1905. Het paard heeft een lap voor de ogen en zal een moment later de doodklap krijgen. Daar begint ze haar verhaal.
Charlotte Mutsaers weet met een paar welgemikte woorden van het slachttafereel een slagveld te maken. Foto en taal gaan voor zichzelf spreken. Hoge laarzen trekken de aandacht evenals de wat soldateske houding van de mannen: gewezen wordt op hun Stalin-snorren, de geweldige buikholsters, het bloed. Een veldslag is het niet, er is maar een tegenstander, het slachtoffer. Weerloos, want geblinddoekt. Wat naar de keel grijpt is ‘dat dit grote lijf, hals, neus, oren, hoeven en mond een en al vertrouwen uitstralen. Het paard zou tenslotte makkelijk kunnen toehappen, kunnen bokken, steigeren of op hol slaan. Ook zou het zijn belagers een dodelijke trap kunnen verkopen. Dat doet het allemaal niet.’
Toch volgt hierop niet zoiets als een tirade over de barbaarsheid van de mens in zijn relatie met het dier (wel wijst zij elders op het misplaatste superioriteitsgevoel van mensen ten opzichte van dieren). Zo voorspelbaar is Mutsaers’ pegasische geest allerminst. Haar gedachten waaieren vervolgens alle kanten uit. Ze gaan over de mens die vermoordt wat hij verzorgt en opvoedt, ontdekken de betekenis van de lap en ontslaan daarom de slachters van wreedheid, 'ware wreedheid kijkt het slachtoffer juist het liefst in het argeloze of van angst vertrokken gelaat’. Ze onderzoekt - vleeseetster die ze is - haar collaboratie met de slagers en neemt het op voor de kleine dieren, de muizen, de vlooien, de garnalen voor in de cocktail, die nog lichtzinniger worden gemarteld en afgemaakt dan de grote. Mutsaers springt van de hak op de tak. Maar hoe divers haar gedachtensprongen ook zijn, merkwaardig genoeg zit er altijd een dwingende samenhang in wat ze schrijft. Vraag me niet hoe ze het doet, dat blijft het geheim van de smid.
DEZE MANIER van schrijven is zo ongeveer wat je haar karakteristieke werkwijze zou kunnen noemen. Ook in eerdere essaybundels als Hazepeper (1985) en Kersebloed (1990) gebruikte ze afbeeldingen als tekst en uitleg, en citaten vooral als illustraties. Mutsaers heeft een heel beweeglijke manier van denken, haar redeneren gedraagt zich als een vuurwerk van vragen. Ze is een onwaarschijnlijk enthousiaste vraagstaart. Iemand die de gave van de kinderlijke verwondering nooit is kwijtgeraakt en als volwassene over de uitdrukkingsmiddelen beschikt om voort te zetten wat het onbevangen oog van vroeger aan fantastische mogelijkheden zag. Ze sleurt je bij je lurven haar fabelachtige wereld binnen, vertrouwend op haar logica van de innerlijke ervaring, haar geheel eigen grammatica van het gevoel en een taalgebruik waarin cliches en staande uitdrukkingen weer tot leven komen.
In haar schrijven kan ze alles gebruiken: een advertentie voor geleisuiker (met daarop een paard), een strofe uit Piet de Smeerpoets, een artikel over glazen kwallen, een kerstmenu uit Oostende, de vederdos van de Indiaan, opsommingen, zich herhalende zinsconstructies, een woud van vraagtekens, een bos aan uitroeptekens, citaten van bewonderde grootmeesters als Maurice Gilliams en George Bataille. Het is maar een greep.
Voor Charlotte Mutsaers is de werkelijkheid geen vaststaand gegeven, maar een wereld die verschalkt dient te worden. Steels wil ze zijn en steels wil ze schrijven, in de twee betekenissen van het woord. De buit krijgt een plaats in de koffer van de dievenkoningin, waarin alles terechtkomt wat zij 'gezien, geroken, gevoeld, of gelezen heeft’. De onzichtbare factor die al die brokstukken en flarden bij elkaar houdt en met elkaar verbindt, is in allereerste instantie haar eigen gelijk. Een schrijver, zo betoogt ze, moet uitgaan van 'zijn waarheid. En vanuit de waarheid ontstaat de verbeelding.’ De werkelijkheid bestaat alleen bij gratie van zo'n manier van verbeelden.
IN HET SLOTESSAY van de bundel - 'Als het woord vlees wordt, hinnikt het paard’ - vertelt ze geestig hoe een paard haar ooit van de verfkwast vervreemde. Het eeuwige verzoek om eens over haar dubbeltalent te schrijven, wordt gepareerd met een verwijzing naar haar gave van tripletalent. Want behalve schrijven en schilderen kan ze ook paardrijden, 'een echte kunst, kijk maar in het woordenboek. Terwijl men tevergeefs naar woorden als voetbal-, tennis-, of schaakkunst zal zoeken, staat rijkunst er gewoon in. Terecht, want niet alleen is paardrijden een kunst, het is tevens de moeder van alle kunsten. Wie nooit op een hobbelpaard over het tapijt heeft geracet, nooit “Huhu!” heeft gebruld al was het maar tegen een bezemsteel, nooit geloofd heeft in hoefijzergeluk, nooit gesnakt heeft naar de hengstebron, nooit Jeanne d'Arc, Sinterklaas, of Napoleon heeft willen zijn, zal het in de kunsten niet ver schoppen.’
Mooier en duidelijker staat het in geen enkele theorie: ware kunst kan niet zonder de metamorfose. Een paard beschrijven of schilderen is een ding en dat zou je zelfs aan een politieagent kunnen overlaten, een ander is een paard te schrijven. Daarvoor moet je eerst een paard kunnen worden. Die wording - ze ontleent het begrip aan Gilles Deleuze - is een metamorfose naar twee kanten, een 'tegennatuurlijke participatie’ waarbij de mens een beetje verdierlijkt en het dier wat vermenselijkt.
Zoals gezegd, bij het werken aan Rachels rokje ondervond ze de werkelijkheid van zo'n ervaring, bij het schrijven van een scene waarin het paard Petit zich aan haar schoot toevertrouwt. Dat zoiets kan, heeft met de ongekende mogelijkheden van de taal te maken. De schrijver beschikt over een vermogen dat de tekenaar kennelijk niet is gegeven, namelijk te ontsnappen aan het formaat van het papier.
EEN ANDERE LIEFDE voor het leven is de Belgische badplaats Oostende, koninginnestad van Mutsaers’ rijk van de verbeelding, gelegen nabij De Haan aan Zee dat ze al eens in Hanegeschrei (1989) een plaats gaf. Geen stad ter wereld 'die zoveel dieren herbergt en toch zo weinig wegheeft van Burgers Dierenpark’. Enthousiast verwijst ze in dit verband naar de Nacht van het Paard, het bal du Rat Mort, de orde van de garnaal, de sole Ostendaise en de duivinnetjes in de Ensor-disco. Wie in haar Oostende mag wonen, is een hele grote. In Paardejam voegt ze aan haar reeks begunstigden uit Kersebloed, zoals bijvoorbeeld Napoleon, de haas, Ir. Lely en de kerstboom, nog een aantal toe in een afdeling die vrijwel geheel aan Oostende is gewijd, 'Zout Water En Zeep’. Het gaat om de vader van de cronopio’s Julio Cortazar en de ontmantelaars van gevestigde patronen zelf die verdacht veel op Mutsaers’ favoriete groente lijken, de komkommer. Om de kwallen met hun als glas doorschijnende rokjes, Kuifje, een geestverwant als Francis Ponge die, net als Bonnard, zich weet te identificeren met de sprakelozen, de traan, of Oostendenaar James Ensor zelf, dit keer in beeld gebracht als schrijver met een al even opmerkelijke stijl als de schilder.
Sommige boeken kun je maar beter niet laten liggen. Paardejam is er zoeen. Een avontuurlijke reisgids voor de verbeelding, een vurig pleidooi voor de fantasie. Levendig geschreven, van regel tot regel boeiend door de verrassende stijl- en gedachtensprongen.