Sebastian Haffner

Een pact met de duivel

In zijn jeugdherinneringen, ‹Het verhaal van een Duitser›, analyseert Sebastian Haffner scherpzinnig nog vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog het Derde Rijk.

De roem kwam laat voor Sebastian Haffner (1907-1999). Hij kon reeds terugkijken op een indrukwekkende journalistieke carrière en een aantal boeken, maar internationaal vermaard werd hij pas toen hij in 1978 de bestseller Anmerkungen zu Hitler publiceerde. Waarom werd dit bescheiden ogende boekje zo'n succes, terwijl er inmiddels al bibliotheken waren volgeschreven over Hitler en diens Derde Rijk? Niet in de laatste plaats omdat dit beknopte en helder geschreven boekje een verademing was tussen de talrijke massieve studies die kromtrokken onder de voetnoten en stijfstonden van moeizaam taalgebruik. Bovendien kwam het op een gunstig tijdstip. De belangstelling voor het nazi-verleden was in de jaren zestig, mede door het opkomende jongerenprotest, enorm toegenomen. Tegelijkertijd miste Haffners boek die loodzware morele last waaronder nogal wat boeken van jongere historici gebukt gingen. Hier was iemand aan het woord die het allemaal had meegemaakt, die niet «fout» was geweest, en die toch met grote nuchterheid en luciditeit naar die weerzinwekkende bladzijden uit de Duitse geschiedenis keek. Haffner probeerde Hitler zo «objectief» mogelijk te beoordelen, en schroomde niet te vermelden dat er niet alleen sprake was van fouten en misdaden van Hitler, maar dat de man tevens «successen» had behaald. De commotie die dit veroorzaakte had uiteraard ook een positieve uitwerking op de verkoopcijfers.

Veel van wat Haffner te berde bracht was niet echt nieuw. Zijn stelling dat Hitler als hij in 1937 zou zijn gestorven de geschiedenis in zou zijn gegaan als een van de grootste Duitse staatslieden correspondeerde met het besef dat veel tijdgenoten in de jaren dertig hadden gehad. In zijn uit 1935 daterende artikel over Hitler, opgenomen in zijn bundel Great Contemporaries, had Winston Churchill hetzelfde geschreven. Ook Hitler-biograaf Jochaim Fest had zich in deze zin uitgelaten. Tevens valt in Anmerkungen zu Hitler op dat Haffner weinig aandacht besteedt aan de vraag hoe het in godsnaam mogelijk was geweest dat de nazi’s in 1933 de macht konden grijpen. Van een echte analyse van het wezen van het nationaal-socialisme is in dat boek geen sprake. Hitler kwam volgens Haffner alleen bovendrijven omdat zijn tegenstanders zo zwak waren. Niet alleen een vrij magere verklaring, maar ook niet zo erg origineel, aangezien Kurt Tucholsky al in 1932 had opgemerkt: «Kerels als Mussolini of korporaal Hitler leven niet zozeer van hun eigen kracht, als wel van de karakterloosheid van hun tegenstanders.»

Desalniettemin was Haffners naam in een klap gevestigd, wat tot gevolg had dat zijn latere publicaties konden rekenen op grote belangstelling en dat eerdere, vaak onopgemerkt gebleven boeken werden herdrukt. Zo verscheen in 1996 eindelijk de Duitse vertaling van Haffners debuut, het in 1940 in Londen verschenen Germany: Jekyll & Hyde. En vorig jaar werden postuum de in 1939 geschreven jeugdherinneringen Geschichte eines Deutschen uitgegeven, waarvan nu de Nederlandse vertaling is verschenen.

Ook dit boek van Sebastian Haffner is in Duitsland een absolute bestseller. Terecht. De lezer komt onder de indruk van de scherpzinnigheid waarmee Haffner nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog het Derde Rijk analyseerde en duidelijk maakte hoe Duitsland zich in de afgrond stortte. Op sommige opvattingen is Haffner later teruggekomen. Zo is hij in Het verhaal van een Duitser uiterst negatief over de rol van de sociaal-democratie tijdens de revolutie van 1918 en in de jaren van de Weimarrepubliek. Dat is een oordeel dat men ook terugvindt in Haffners boek Die verratene Revolution (1969), maar dat hij enigszins relativeerde in zijn laatste boek, Von Bismarck zu Hitler (1987). Interessanter dan zijn opmerkingen over de «grote politiek» — die soms onvermijdelijk zijn achterhaald door later onderzoek — zijn de observaties van het dagelijks leven in de uiterst turbulente jaren tussen 1914 en 1933.

Als schooljongen volgt Sebastian Haffner vol enthousiasme in de kranten de verrichtingen van het roemrijke Duitse leger in de oorlog van 1914-1918. Die oorlog was ver weg, leek een gaaf avontuur en scheen vrij overzichtelijk. Geweerschoten hoorde de elfjarige Haffner pas toen de oorlog voorbij was en de revolutie van november 1918 was uitgebroken. Een verwarrende, onoverzichtelijke gebeurtenis, die hoogst onwezenlijk leek. Hij vergelijkt de onverwachte Duitse nederlaag met de nachtmerrie van iemand die jarenlang grote sommen geld op de bank heeft gezet en die op een dag vraagt om een overzicht van zijn rekening en dan tot de ontdekking komt dat hij in plaats van een fors kapitaal een enorme schuldenlast heeft.

De schok die de nederlaag bij hem teweegbracht is volgens Haffner beslist niet minder geweest dan bij de gewonde Hitler, die op dat moment in het lazaret lag. Voor het overgrote deel van de Duitse jeugd die te jong was om aan het front te vechten, moet die nederlaag zo traumatisch zijn geweest dat het niet verbaasde dat velen vijftien jaar later angstwekkend veel enthousiasme opbrachten voor de man die de smaad van 1918 ongedaan zou maken. Terwijl de vrijkorpsen, die de revolutie met veel geweld neersloegen, volgens Haffner reeds de basis vormden van de SA en SS, stond onder de jongeren ook de Hitlerjugend reeds klaar. Als zovelen van zijn leeftijd werd Sebastian Haffner lid van een ultranationalistische en rabiaat anti-socialistische sportvereniging.

In 1939 terugkijkend zag Haffner overal tekenen dat het in Duitsland mis zou gaan. Uiteraard beschrijft hij de krankzinnige inflatie in het zeer tumultueuze jaar 1923. Zijn vader was een hoge ambtenaar bij het ministerie van Onderwijs, en als hij zijn salaris kreeg, werd het hele gezin in een taxi geladen om zo snel mogelijk inkopen voor de hele maand te doen. Een dag wachten betekende immers een gevoelige daling van de koopkracht. De enige manier om spaargeld niet in adembenemend tempo te laten verdampen, was aandelen kopen, wat dus op enorme schaal gebeurde. Ouderen, onder wie Haffners vader, wilden daar niets van weten. Daarom waren het ineens vooral jonge mensen die veel geld hadden in plaats van ouderen, geld dat bovendien weer zo snel mogelijk moest worden uitgegeven. Er werd eindeloos gefeest en volgens Haffner kreeg zelfs de liefde een inflatoir karakter. «De jongeren die in die dagen leerden beminnen, sloegen de romantiek over en omarmden het cynisme.» Cynisme, nihilisme, een allesoverheersend gevoel van dynamiek, het idee dat het woord «onmogelijk» niet bestaat, een kille bezetenheid, de arrogante en blinde vastberadenheid — deze karaktertrekken die zo kenmerkend waren voor het Duitsland van Hitler ontstonden volgens Haffner tijdens de collectieve ontsporing van 1923.

Zelf bleef Haffner hier immuun voor, al was het maar omdat hij net even te jong was. Boven dien was hij een typisch product van het Bildungsbürgertum en waren ethische waarden en gevoel voor esthetiek voor hem zeer belangrijk. Haffner maakte het gymnasium af, ging rechten studeren, had literaire ambities en publiceerde journalistieke stukken. Zijn leven had zich weliswaar afgespeeld tegen een decor van oorlog, revolutie en politieke en sociale ontwrichting, maar zelf was het nog weinig dramatisch geweest. Ook het aan de macht komen van Hitler, op 30 januari 1933, leek daar niet onmiddellijk verandering in te brengen. Aanvankelijk was er van de met veel bombarie aangekondigde nationaal-socialistische «revolutie» niet veel te merken. Tot op 1 april 1933 de zogenoemde Jodenboycot werd afgekondigd, waarbij joden uit het openbare leven werden verwijderd en het publiek zo werd geïntimideerd dat het in het vervolg joodse zaken zou mijden.

Haffner zelf werkte inmiddels bij de rechterlijke macht, waar alle joden onmiddellijk werden ontslagen. Zeer pijnlijk is de scène waarin een SA-man komt inspecteren of alle joodse ambtenaren zijn vertrokken. «Toen kwam er een bruin uniform op mij af en ging in de houding staan: ‹Bent u arisch?› Voor ik er erg in had, had ik al geantwoord: ‹Ja.› Een onderzoekende blik op mijn neus, en hij trok zich terug. Het schaamrood steeg me naar de kaken. Ik voelde, een ogenblik te laat, de blamage, de nederlaag. Ik had ‹ja› gezegd! Nou ja, bij God, ik was een ‹ariër›. Ik had niet gelogen. Ik had alleen iets veel ergers laten gebeuren. Wat een vernedering om aan onbevoegden bij ondervraging netjes te verklaren dat ik arisch was, waaraan ik overigens geen waarde hechtte. Wat een schande om daarmee te kopen dat ik hier achter mijn dossierstuk met rust werd gelaten! Zelfs nu nog overrompeld! Bij de eerste test gefaald! Ik had mezelf om de oren kunnen slaan.»

Evenals veel andere Duitsers probeerde Haffner zich noodgedwongen terug te trekken in het privé-leven, de innere Emigration. Om vrijwel direct te ontdekken dat dit onmogelijk was. Het kenmerk van de totalitaire staat is immers dat de scheiding tussen politiek en privé-domein wordt opgeheven. Binnen enkele maanden viel de kring van Haffners vrienden uiteen. Iedereen moest zijn positie ten opzichte van het nieuwe regime bepalen. De helft van zijn vrienden werd nazi, de andere helft, waaronder hijzelf, wilde of kon (wegens «niet-arische afstamming») dat niet en zou uiteindelijk het land verlaten. Het grootste deel van de bevolking was begin 1933 beslist geen nazi, maar gedurende dat eerste jaar kwam iedereen voor de keuze te staan waar hij of zij bij wilde horen. Bij de overwinnaars, of bij de overwonnenen. Een, zoals Haffner het noemt, «klein pact met de duivel» was voldoende om te zorgen dat men niet zou behoren tot de gevangenen en vervolgden. Voor de meeste mensen was die keuze snel gemaakt.

Sebastian Haffner, Het verhaal van een Duitser — 1914-1933.

Uitg. Mets & Schilt, 263 blz., ƒ49,58