Kunst: Bol en Flinck

Een paerdenstal van nooden

Medium schermafbeelding 2017 12 22 om 12.19.42
Ferdinand Bol, Jongensportret van Frederick Sluijsken, 1652. Olieverf op doek, 157 x 150 cm © National Gallery, Londen / particuliere collectie

Het kleine Rembrandthuis en het wat grotere (maar voor tentoonstellingen onhandig ingedeelde) Amsterdam Museum zijn samen gekomen tot een kapitale tentoonstelling die de inspanning van menig groot Europees museum ver overtreft. Twee zeventiende-eeuwse kopstukken, Govert Flinck en Ferdinand Bol, in een prachtig overzicht en bovenal: in vernuftige samenhang. Zij waren even succesvol, even productief, en hun carrières lopen flink gelijk op. Wat ze vooral verbindt is dat zij zich beiden in de jaren dertig in Amsterdam meldden als assistent van Rembrandt.

De vergelijking is vooral een oefening van het oog, en daarvoor biedt de tentoonstelling geweldig materiaal. Schilderijen met identieke thema’s of een identieke schilderkunstige aanpak hangen pront naast elkaar, gepaard aan het werk van Rembrandt zelf – soms in reproductie, soms in grafiek. De blik wordt misschien een beetje beïnvloed door de mededeling dat het om ‘meesterleerlingen’ gaat. Dat veronderstelt dat Flinck en Bol, ondanks hun eigen roem, toch net een tikje minder knap waren. Zo gaat de kijker onvermijdelijk op zoek naar iets wat net níet briljant is, om die hiërarchie kloppend te maken.

Is dat terecht? Ja en nee. Beiden kwamen van buiten Amsterdam, Flinck uit Kleef, Bol uit Dordrecht. Ze waren beiden volleerd toen ze bij Rembrandt in de leer gingen, of beter gezegd: in dienst kwamen, want zij werden deel van een bedrijf waarin ‘Rembrandt-schilderijen’ werden geproduceerd. Bol zat er vier jaar, Flinck eigenlijk maar één. Ze keken naar Rembrandt. Ze kopieerden zijn effecten, zijn stijl, zijn techniek; ze leenden zijn composities en leerden vooral iets over hoe je gebeurtenissen in één begrijpelijk, leesbaar verband kon zetten, iets wat nodig was bij het maken van grote historiestukken. Vanaf de jaren veertig manifesteerden ze zich als zelfstandige schilders, en beiden maakten gebruik van een talent voor netwerken. Flinck bewoog zich in kringen van welgestelde doopsgezinden, die met veel portretopdrachten afkwamen; Bol trouwde met de kleindochter van een burgemeester en door haar kreeg hij allerlei opdrachten, bijvoorbeeld van de Admiraliteit. Maatschappelijk gezien overtroffen zij zo hun ouwe meester.

Flinck is de betere schilder, vind ik, in elk geval de betere organisator van grote composities. Bol moet harder werken om de dingen met elkaar in verband te brengen, en dat lukt hem niet altijd. Zijn acteurs lijken vaak niet allemaal op hetzelfde toneeltje te staan, wat vooral opbreekt als er iets wonderlijks gebeuren moet – een wegvliegende engel, een vallend mes, een plotseling opduikende olifant. Flinck neemt die combinaties kalmer en verstandiger op. Bol is daarentegen wel sensueler, met een verleidelijke schwung in het vrouwelijk naakt, maar ook in het alledaagse: het tere portret van de jonge Frederick Sluijsken is een heus meesterwerk.

De dubbeltentoonstelling toont hoe ver een ‘gewone’ kunstenaar-ambachtsman komen kon, en dat was ver: Bols tweede vrouw was zodanig rijk dat hij het schilderen eraan gaf en een enorm pand aan de Keizersgracht betrok. Daarbij bedong hij dat hij ‘wel een paerdenstal van nooden hadde’. Het bezit van een rijtuig met paarden was enigszins vergelijkbaar met het bezit van een privé-vliegtuig nu.


Ferdinand Bol en Govert Flinck – Rembrandts Meesterleerlingen. Rembrandthuis, Amsterdam Museum, t/m 18 februari